“Geen regter mag bij wege van algemeene verordening uitspraak doen in zaken welke aan zijne beslissing onderworpen zijn.”

door FTG op 13/03/2011

in Bestuursrecht, Rechtspraak, Varia

Op 9 maart 2011 werd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een belangrijke uitspraak gedaan over de toepassing van artikel 6:13 Awb. In die uitspraak werd door de Afdeling in een uitgebreide overweging uiteengezet hoe in toekomstige gevallen met de onderdelenfuik van artikel 6:13 omgegaan zou worden in Wabo-zaken, ook al was de Wabo niet van toepassing op het geschil dat in de uitspraak van 9 maart beslecht moest worden. Bovendien stelde de Afdeling in de uitspraak een overgangsregeling vast.

Is dat niet in strijd met artikel 12 Wet Algemene Bepalingen (AB): “Geen regter mag bij wege van algemeene verordening, dispositie of reglement, uitspraak doen in zaken welke aan zijne beslissing onderworpen zijn.” ?

Nu is de Wet AB bepaald old skool te noemen, want hij is gegeven te Brussel in 1829, en inhoudelijk nooit gewijzigd. Wel is een groot aantal van de artikelen uit de wet inmiddels vervallen. Artikel 12 houdt echter nog steeds dapper stand.

Het staat eigenlijk wel vast dat de uitspraak van 9 maart 2011 in strijd is met de betekenis die in de negentiende eeuw aan artikel 12 AB gegeven werd. Hetzelfde geldt natuurlijk voor talloze andere uitspraken. Bij Opzoomer (Aanteekening op de Wet houdende Algemeene Bepalingen, derde druk 1873, p. 206) lezen we dat artikel 12 twee dingen met zich mee brengt. In de eerste plaats dat de rechter geen algemene regels uit mag vaardigen, geheel los van een specifiek geschil; hij mag dus geen aparte proclamaties vaststellen. Dat gebeurt tegenwoordig echter wel: de door de rechtbanken vastgestelde procesregeling bestuursprocesrecht is hier een voorbeeld van. Maar ook de uitspraak van 9 maart komt daar heel dicht bij in de buurt. Daar wordt immers, geheel los van het in die zaak spelende geschil, een algemene uitspraak gedaan over de beoordeling van toekomstige gevallen, die vallen onder een wet die in de zaak van 9 maart in het geheel niet van toepassing is.

Ten tweede brengt artikel 12 volgens Opzoomer met zich mee dat in uitspraken, naar aanleiding van het te berechten geval, geen algemene regels geformuleerd mogen worden met het oog op precedentwerking. Latere rechters zijn volgens hem dan ook niet gebonden aan eerdere uitspraken. Die gedachte is heden ten dage geheel verdwenen.

Eigenlijk is artikel 12 AB onhoudbaar geworden, omdat het artikel in feite rechtsvorming door de rechter verbiedt. In de negentiende eeuw bestond nog het idee dat de rechter uitspraken kon doen zonder al te vaak recht te vormen. Nu is echter algemeen aanvaard dat het onvermijdelijk is dat de rechter aan rechtsvorming doet. Rechters interpreteren wetten voor zover deze vaag zijn en vormen zo recht. Rechters vullen leemtes in wetgeving op en vormen zo recht en zij passen ongeschreven beginselen toe en vormen zo recht, etc.

In de jurisprudentie met betrekking tot artikel 12 AB is van de negentiende-eeuwse betekenis dan ook nauwelijks iets overgebleven. De reikwijdte is steeds verder ingedamd. Artikel 12 verbiedt de rechter niet een leemte in de wet op te vullen; HR 31 oktober 1962, NJ 1963, 58. Artikel 12 verbiedt geen aanvulling van de wet (rechtsvorming praeter legem); HR 15 januari 1988, NJ 1988, 888. Artikel 12 verbiedt de rechter niet buitenwettelijk recht toe te passen; denk bijvoorbeeld aan algemene rechtsbeginselen, beginselen van behoorlijk bestuur, etc.; HR 5 oktober 1983, VN 1983/2069, 4.

Door deze jurisprudentie en doordat het bestaan van artikel 12 regelmatig gewoonweg genegeerd wordt, heeft het artikel nog nauwelijks een beperkende rol. Er is mij maar één recente uitspraak bekend waar artikel 12 wel een beperkende rol heeft. Het gaat hier om een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van 13 juli 2006, JV 2006, 397. In die uitspraak was de vraag aan de orde of nieuwe jurisprudentie gelijk te stellen is met nieuw recht. De Afdeling beantwoordde die vraag ontkennend met een beroep op artikel 12 AB. De stelling dat nieuwe jurisprudentie geen nieuw recht kan zijn is echter heel moeilijk te verdedigen. Dat blijkt ook uit de jurisprudentie van de Afdeling zelf. Het blijkt bijvoorbeeld zeer duidelijk uit de hierboven genoemde uitspraak van 9 maart 2011.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 B Schouten 06/07/2014 om 14:57

Interessant. En belangrijk. Natuurlijk is het zo dat rechters hun eigen interpretatie moeten en mogen vormen. Echter, om nu de interpretatie van een /andere/ rechter te nemen als “wet” gaat volledig voorbij aan de scheiding tussen wetgevende en rechterlijke macht en is dientengevolge een grove schending van wat “recht” in deze context feitelijk betekent. Een rechter die namelijk zelf wetgeving gaat bepalen wordt arbitrair. Als er een civiele zaak gevoerd wordt en de rechter zegt “u verliest, want een collega van mij 2 jaar geleden besloot in een ander zaak dat de aangeklaagde ook had verloren” dan heeft de uitspraak niet meer inhoudelijk betrekking op de huidige zaak en kan dan ook niet meer met inhoudelijke argumenten, betrekking hebbende op rede of wet, worden weerlegd. De aangeklaagde zal daarom het grondbeginsel zelf moeten aanvechten, dat stelt dat eerdere uitspraken pertinent geldig zijn voor nieuwe zaken waarbij inhoudelijke argumenten vervolgens terzijde worden geschoven.

Wanneer een rechter dergelijke jurispudentie gaat gebruiken niet als informatief maar als normatief, en dus maakt tot een oneigenlijk argument, dan MOET de aangeklaagde (of de aanklager) dit gebruik ter discussie stellen om niet gloriearm ten onder te gaan.

Rechtspartijen die soortgelijke beargumenteringen aanvaarden geraken in hetzelfde moment nog in een minderwaardige positie en zullen gedurende de rest van de zaak de schijn tegen zich hebben. Er ontstaat dan een “bias” die de rechter(s) en andere betrokkenen zal inspireren om eigenlijke, daadwerkelijke en inhoudelijke argumenten te onderwaarderen (of juist overwaarderen) waardoor redelijkheid verloren gaat.

Immers, men accepteert dan dat de rechtbank macht over de rechtspartijen heeft of dit nu bij wet of bij rede zo moet zijn of niet. Niet langer plaatst men zichzelf onder de wet, men plaatst zichzelf nu onder de willekeurige opvattingen van een rechter. En niet eens de opvattingen van DEZE rechter, maar wat deze rechter DENKT dat de opvattingen van een ANDERE rechter zouden zijn geweest over de huidige zaak.

Maar omdat de huidige rechter niet weet hoe en waarom de andere rechter precies besloten had, en het onbegrepen besluit van die rechter kopieert, MOET inhoudelijkheid wel verloren gaan in de rest van de zaak, tenzij de vergissing wordt gecorrigeerd.

Met andere woorden: toestaan dat een rechter jurispudentie als normatief gebruikt komt neer op het toestaan dat zijn of haar geest bedwelmd raakt.

En als u waarde hecht aan een onbeschonken rechter, kunt u dat voorkomen.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: