Een Obama’tje voor Leerdam

door CH op 09/03/2012

in Haagse vierkante kilometer

Post image for Een Obama’tje voor Leerdam

Bij zijn herintrede in de Tweede Kamer vorige week woensdag beleefde PvdA-Kamerlid John Leerdam een Obama-momentje: zijn beëdiging verliep niet vlekkeloos. Voorzitter Verbeet vergat Leerdam de derde eed – op een getrouwe vervulling van het ambt –  voor te lezen.

‘Dat ons dit nu moet overkomen!’, sprak Verbeet schuldbewust. Ze bevindt zich echter in goed gezelschap. Bij de inauguratie van Obama in 2009 hield opperrechter Roberts zich evenmin aan de letterlijke tekst van de eed. President Obama deed het de volgende dag nog eens over, voor de zekerheid. Onnodig, zoals al eerder hier besproken. Kamerlid Leerdam kon de omissie direct herstellen, dankzij een snelle correctie van Verbeet: ‘Wij gaan het opnieuw doen, want het moet goed. Dat is echt belangrijk’. Maar waarom eigenlijk?

Allereerst moet dan de vraag beantwoord worden of de beëdiging een vereiste is voor het Kamerlidmaatschap. De staatsrechtgeleerden zijn daar over van mening blijven verschillen. De meest recente literatuur (o.a. Kortmann, Bovend’Eert en Kummeling) neigt naar het oordeel dat de beëdiging er voor de benoeming en toelating van een lid niet toe doet. Zij neemt de Kieswet (V11) als uitgangspunt, waarin onomwonden is geschreven dat het besluit tot toelating voor Kamerleden direct onherroepelijk is. De Grondwet (art. 60) laat het net als de nadere Wet op de beëdiging in het midden: beide spreken van een eedaflegging ‘bij de aanvaarding’ van het ambt.

Regering en Kamer hebben zich niettemin steeds op het standpunt gesteld dat het lidmaatschap van de Kamer pas effectief wordt na toelating én beëdiging. Bij de nieuwe Kieswet in 1989 werd dit nog eens van regeringszijde bekrachtigd, zoals genoemde auteurs ook erkennen. In lijn hiermee gaat de Wet op de schadeloosstelling eveneens uit van de beëdiging; pas vanaf dat moment krijgen Kamerleden hun vergoeding uitgekeerd.

De Tweede Kamer huldigt dit principe al vanaf haar oorsprong: voor de uitoefening van het Kamerlidmaatschap vereist zij een eedaflegging. Daarvan getuigt ook de vaste formulering waarmee de commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven haar verslag afsluit:

De commissie stelt u daarom voor om hem toe te laten als lid van de Kamer. Daartoe dient hij wel eerst de eden of de verklaringen en de beloften af te leggen zoals die zijn voorgeschreven bij de wet.

Met de volgtijdelijkheid is in de geschiedenis wel geschoven. Tegenwoordig volgt de beëdiging op de toelating, zoals uit de formulering blijkt. De  Kamers hebben in 1983 (EK) resp. 1989 (TK) dan ook afgesproken om voortaan in oude samenstelling over de toelating van de verkozenen te beslissen, vooral om de schijn te vermijden dat het parlement zijn eigen vlees keurt. Maar zeker in de tweede helft van de negentiende eeuw kwam het met enige regelmaat voor dat Kamerleden al de eed aflegden vóórdat over hun toelating was besloten. Dat was ook nog de tijd dat alle verkozenen, en niet alleen de (tijdelijk) Kamervoorzitter, op de dag van de opening van de zitting door de koningin werden beëdigd. Daags erna besloot de nieuwe Kamer in haar eerste bijeenkomst over de toelating.

Hoe dan ook stond de Tweede Kamer erop dat een verkozene aan beide vereisten – beëdiging en toelating of vice versa – moest hebben voldaan om het lidmaatschap te mogen ‘consumeren’.  Een fraaie demonstratie hiervan vond plaats in 1897, na een republikeinse actie van de socialisten Troelstra, Veegens en Van Kol. De drie weigerden hun eed af te leggen ten overstaan van de koningin. Ze namen daags erna echter wel deel aan de eerste voorbereidende parlementaire werkzaamheden; één van de heren was zelfs lid van de commissie voor de Geloofsbrieven. In haar eerste plenaire bijeenkomst besloot de Kamer ook positief over hun toelating. Desondanks verzocht de Kamervoorzitter de drie om de vergadering direct hierna te verlaten. Zolang ze niet beëdigd waren, mochten ze niet als Kamerlid optreden. Pas toen de voorzitter via KB was gemachtigd om in naam van Hare Majesteit de socialisten alsnog de eed af te nemen, konden ze daadwerkelijk aan de slag.

Trekken we deze redenering door naar de onvolledige eedaflegging van Leerdam, dan was de correctie van de voorzitter niet zonder betekenis. Was de omissie pas veel later ontdekt, dan had de Kamer als uiterste consequentie moeten vaststellen dat alle handelingen van Leerdam sinds zijn toelating als nietig te beschouwen waren, stemmingen incluis. Of zou de Kamer na een correcte aflegging van de eden (beloften) zijn optreden met terugwerkende kracht fiatteren? Zo redde een gemeente onlangs nog tientallen huwelijken die op een ongeldige locatie waren gesloten. Aangezien het parlement soeverein is zijn beoordeling of een gekozen lid kan worden toegelaten, zou het ook op dit punt rechter in eigen zaak moeten kunnen zijn. Precedenten bieden ons in elk geval geen houvast. Voor zover bekend is de beëdiging van Leerdam uniek in de Nederlandse parlementaire geschiedenis.

Er is nog wel één situatie mogelijk waarin de Tweede Kamer afwijkt van haar principes. Dat is in het specifieke geval van demissionaire ministers en staatssecretarissen die verkozen worden tot Kamerlid. De Grondwet (art. 57) laat bewindspersonen de ruimte om tot het aantreden van een nieuw kabinet op hun ministerie te blijven passen en tegelijkertijd als Kamerlid aan te treden. Zeker vóór 1983, toen deze tijdelijke combinatie van functies nog aan een termijn van drie maanden was gebonden, kwam het voor dat in de Kamer gekozen kabinetsleden de aanvaarding van hun lidmaatschap zo lang mogelijk uitstelden – om maar beschikbaar te blijven voor een post in een volgend kabinet. Sommige demissionaire bewindslieden stuurden hun geloofsbrieven nog niet in, veel schoven de eedaflegging voor hen uit. Zij oefenden hun ambt in zo’n geval enige tijd onbeëdigd uit. In 1963 leidde deze praktijk tot gefronste wenkbrauwen vanwege een op handen zijnde grondwetsherziening. De voorzitter moest de Kamer verzekeren dat de beëdiging van de bewuste demissionaire ministers en staatssecretarissen tijdig voor de stemmingen over de herziening zou plaatsvinden. Sinds de nieuwe Grondwet zal deze situatie zich in de praktijk niet snel meer voordoen; de onbepaalde termijn (voor de duur van de formatie) maakt rekken niet meer nodig.

Nog een aardigheidje: normaliter wordt de eedaflegging niet woord voor woord in de Handelingen opgenomen. Naderhand is dus ook niet na te lezen of een lid gezworen, verklaard of beloofd heeft. Staatsrechtelijk heeft dit onderscheid immers geen betekenis. De Dienst Redactie en Verslag brengt de beëdiging in de notulen pragmatisch en zuiver terug tot één volzin:

De heer … legt in handen van de Voorzitter de bij de wet voorgeschreven eden af.

Ook in dit opzicht is Leerdam echter een uitzondering. Terecht heeft de Dienst besloten dat de vergissing en de correctie van Verbeet wel geboekstaafd hoorden te worden. Het verslag geeft het gebeurde dan ook woordelijk weer. Inclusief de bekrachtiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’.  Vreemd is dan weer wel, dat de beelden hiervan niet meer terug te kijken zijn via Debat Gemist

Carla Hoetink en Suzanne de Lijser

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 Mihai Martoiu Ticu 09/03/2012 om 12:57

De eed aflegden is slechts een extra manier om de burger te manipuleren. Wij geloven dat die mensen in de tweede kamer eerlijk doen wat hun opgedragen is – omdat men gezworen heeft. Niks is minder waar. Ze zijn slechts bezig met machtsspelletjes, over lijken lopen etc.

2 Super De Boer 09/03/2012 om 18:34

Dat over lijken lopen een brug te ver is…ok. Daar moeten ze inderdaad maar eens mee stoppen 🙂

Maar machtsspelletjes……daar zijn ze toch juist voor ingehuurd, die Kamerleden?

Wel een heel cynische reactie hoor, Mihai. Ik twijfel ook wel eens aan de goede bedoelingen van degenen die grondrechten, minimumloom of cao willen afschaffen – en mogelijk terecht – , maar uitgangspunt van denken lijkt mij toch dat Kamerleden allemaal met de beste bedoelingen het land vooruit willen helpen, maar van mening verschillen over hoe dit vorm te geven. Met eventueel uitzondering van Lutz Jacobi, want die kan ik niet verstaan. Maar dat terzijde.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: