De betrekkelijkheid van het normatieve debat in het recht. De vertekening door de tijd

door IvorenToga op 26/11/2013

in Rechtspraak, strafrecht

Post image for De betrekkelijkheid van het normatieve debat in het recht. De vertekening door de tijd

Vandaag, precies 20 jaar geleden, 26 november 1993, verdedigde ik mijn proefschrift aan de Katholieke Universiteit Brabant over het stelsel van gedragsregels in het wegverkeer. De redactie van Verkeersrecht vroeg mij voor een nieuwe reeks om de spits af te bijten met een terugblik op de dissertatie. Ik heb dat gedaan in deze terugblik.

Nog een korte inleiding op dat stuk. Een terechte relativering is dat een doorwrochte blik op het bestaande tijdsgewricht niet goed afkomstig kan zijn van een participant. Daarom wordt waarde gehecht aan een meer historische beschouwing omdat de doorvorser dan op grotere afstand staat. Ook dat doorvorsen is echter niet zo eenvoudig. Latere ontwikkelingen vertekenen het gewicht van toentertijd als groot of klein ervaren gebeurtenissen. Dit mechaniek werkt in het persoonlijke leven niet anders. Verdriet maken we soms groter omdat we het verlies of de krenking niet goed hebben kunnen vereffenen. Vreugdevolle gebeurtenissen worden soms groter gemaakt omdat we er de markeringen in onze levens in terugzien. Tegen deze achtergrond is er een zekere verwantschap tussen persoonlijke en vermeend wetenschappelijke opvattingen. We kleden onze opvattingen over feiten dan ook het liefst wetenschappelijk aan, met bijpassende wetenschappelijke woordkeuze, hetgeen echter niet kan verhelen dat oordelen vaker persoonlijk dan wetenschappelijk is.

Ik had mijn proefschrift niet meer teruggelezen. Ik herinnerde me de tocht door de woestijn omdat ik tegen de gevestigde orde van het verkeersrechtelijk discours inging en het begrippenarsenaal wilde herschikken. Tijdens het schrijven overtuigde ik in ieder geval mezelf en een enkele recensent als Jan Leijten van de invaliditeit van enkele bestaande opvattingen over vage normen en algemene ervaringsregels. Maar de vraag of ik in de bestaande dogmatiek enige rimpeling teweeg heb gebracht moet ik ontkennend beantwoorden. Niet omdat mijn standpunten slecht waren, niet omdat de toenmalige systematiek van het recht geweldig was, maar omdat ik overtuigd ben (geraakt) dat een proefschrift vooreerst een academische schrijfproef is waarin denktucht wordt geoefend. Het zou van grote naïviteit getuigen om te menen dat een proefschrift het bestel van wet, beleid en rechtspraak kan kantelen. Soms is er een proefschrift zoals dat van A.A.G. Peters dat de rechtspraak over poging en voorbereiding en de literatuur over opzet heeft beïnvloed, maar hij heeft er nauwelijks krediet voor gekregen. Proefschriften zijn daar ook niet voor bedoeld. Het is de voltooiing van de academische vorming en dat is genoeg.

Herlezing gaf me wel in dat mijn toenmalige stormloop op het bestaande verkeersrechtelijke bastion meer karakterologisch bepaald is dan ik toen kon bevroeden. Mijn latere bespiegelingen over de kroongetuige, over straftoemeting of over de organisatie van het strafproces zijn van dezelfde lap gescheurd als mijn dissertatie.

De terugblik eindig ik met de volgende passage:

“Het doel van het schrijven van een proefschrift was en is de academische vorming waarbij denktucht wordt aangeleerd. In dat opzicht vind ik het promotietraject geslaagd. Voor het overige is het een academische Prinzipiënreiterei geworden, geen complimenten waard vanwege de valide inzichten die de praktijk verder geholpen hebben, want dat heeft het niet. Het boek had wat dat betreft ongeschreven kunnen blijven, maar het heeft me mijn gedachten verder helpen ontwikkelen en in die zin heb ik aan het proefschrift meer te danken dan de lezer van deze introspectie kan voorstellen.
Waar de verkeersregels het openbare en publieke wegverkeer naar veiligheid dirigeren, zijn de drie begrippen vlotheid, veiligheid en vertrouwen mijn leidraad geweest bij het doorschouwen van de organisatie van het publieke domein, in het bijzonder van de wijze waarop het strafproces wordt georganiseerd. Strafzaken moeten snel worden berecht, maar die snelheid, die versnelling, moet op strafvorderlijke wijze wel veilig kunnen plaatsvinden. Tegelijkertijd wordt via het appointement van strafzaken bij verdachten, slachtoffers en samenleving het vertrouwen opgewekt dat de berechting een cruciale fase ingaat en helderheid aanstaande is over het daderschap. Vlotheid, veiligheid en vertrouwen vormen grondtrekken van het verkeersrecht, al dan niet in beginselmatige vorm, maar een eeuw discussie over de precieze verhoudingen staat niet stil bij het verkeersrecht alleen. Het heeft mij ook sterk beïnvloed bij het denken over mijn latere wetenschappelijke en praktische werk. Voor een terugblik op de overtuigingskracht van die verdieping a la het Drostedoosje kom ik mogelijk over 20 jaar weer bij een andere doelgroep lezers terug.”

Drie maanden na het schrijven van dit stuk wil ik nog één nuance aanbrengen. Zowel mijn proefschrift als mijn huidige werk is ingegeven door de gedachte dat de overlevingskracht van willekeurig welke systematiek gebaat is bij tegenspraak. Tegenspraak binnen het bestaande systeem. Ik probeer die tegenspreker te zijn, ook als ik na enkele maanden of jaren moet constateren dat mijn opvattingen aan evenveel vrijblijvendheden zijn overleden als die van de tegenstander. Het recht is een normatief discours, maar de kwaliteit daargelaten, er moet wel debat zijn, anders is er geen discours en ook geen ontwikkeling van recht of organisatie meer over.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Deze post is onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: