Deze week in Luxemburg 2014/8-10

door AJM op 07/03/2014

in Europa

Post image for Deze week in Luxemburg 2014/8-10

Wie kan op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU tegen EU regelgeving in beroep gaan en heeft de introductie van nieuwe beroepsmogelijkheden in het Verdrag van Lissabon daar daadwerkelijk verandering in gebracht? Het antwoord op die vraag is nog niet compleet maar het nieuwste puzzelstukje is te vinden in de zaak Woonlinie. Woonlinie verzette zich samen met andere woningbouwcorporaties tegen de goedkeuring van Nederlandse steun die werd verleend aan, jawel, woningbouwcorporaties. Niet vanwege de goedkeuring, maar wel vanwege de voorwaarden die daaraan waren verbonden. Een prikkelende zaak, maar het Gerecht achtte het beroep niet-ontvankelijk. Het Hof brengt echter weer schot in de zaak en oordeelt dat de beroepen wel ontvankelijk zijn. Het besluit brengt weliswaar uitvoeringshandelingen met zich omdat het zelf niet bepaalt welke specifieke en concrete gevolgen de toepassing heeft voor de woningbouwcorporaties. De corporaties maken echter deel uit van een beperkte kring van marktdeelnemers en zijn om die reden individueel geraakt.

Van ontvankelijkheid naar bevoegdheid. Wanneer meerdere nationale rechters tegelijkertijd zijn aangezocht in het kader van een geschil op basis van de EEX-verordening, is de eerste aangezochte rechter bevoegd zodra deze zich niet ambtshalve onbevoegd heeft verklaard en geen van de partijen zijn bevoegdheid tijdig heeft betwist, aldus het Hof. Ook de bevoegdheid van het Hof zelf was in de afgelopen weken aan de orde. Het Hof heeft zichzelf onbevoegd verklaard ten aanzien van de vraag of een Italiaanse regeling in strijd zou komen met het Handvest en het evenredigheidsbeginsel. Het EU recht legt geen specifieke verplichtingen op om het landschap te beschermen, zoals de Italiaanse regeling wel doet. De verwijzende rechter had moeten aantonen dat een voldoende nauw verband bestaat tussen de nationale regeling en het Unierecht. Een vervolg op de zaak Åkerberg Fransson.  Een andere zaak viel wel binnen de reikwijdte van het Handvest. Het Hof oordeelt dat de richtlijn oneerlijke bedingen, junctis de artikelen 38 en 47 van het Handvest, zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een vereniging voor consumentenbescherming niet mag interveniëren aan de zijde van een bepaalde consument in een tegen laatstgenoemde gevoerde procedure tot tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegaan arbitraal vonnis. En zo komen we terecht bij rechten en uitkeringen in de sociale sfeer.

In een belangrijke uitspraak oordeelt het Hof dat de aan asielzoekers toegekende uitkering hen in staat moet stellen, in voorkomend geval huisvesting op de particuliere huurmarkt te vinden. De uitkering mag worden betaald door instellingen die onder het stelsel van openbare hulpverlening vallen, mits die instellingen de Unierechtelijke minimumnormen inzake opvangvoorzieningen eerbiedigen. Voltijds werknemers die tijdens deeltijds ouderschapsverlof onwettig worden ontslagen, hebben ook recht op een vergoeding. Deze forfaitaire beschermingsvergoeding moet worden berekend op basis van hun loon voor voltijds werk. Een berekening op basis van het loon voor deeltijds werk zou de door het Unierecht ingevoerde beschermingsregeling grotendeels uithollen en afbreuk doen aan de door de werknemer verworven rechten.  In dezelfde sfeer heeft het Hof geoordeeld dat een vrouw met zwangerschaps- en bevallingsverlof niet om redenen van openbaar belang mag worden uitgesloten van een beroepsopleiding die een integrerend onderdeel van haar betrekking is en die nodig is om aanspraak te kunnen maken op een definitieve aanstelling en te profiteren van een verbetering van haar arbeidsomstandigheden. Dat geldt ook wanneer zij wel mag deelnemen aan de eerstvolgende opleiding, waarvan de datum echter onzeker is. De voor deze zaak relevante bepalingen van de artikelen 14, lid 1, sub c, en 15 van richtlijn 2006/54 zijn voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk om rechtstreekse werking te kunnen hebben.  Tot slot: een uitkering die in geval van overlijden wordt toegekend aan de ex-echtgenoot van de overledene voor de opvoeding van de kinderen van deze ex-echtgenoot, kan niet worden gelijkgesteld met een „pensioen of rente wegens ouderdom, invaliditeit, arbeidsongeval of beroepsziekte” in de zin van artikel 77, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71.

Andere uitspraken hadden betrekking op de overgang en verbondenheid van ondernemingen. Het Hof heeft gedefinieerd wanneer ondernemingen en natuurlijke personen als ‘verbonden’ in de zin van aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen kunnen worden beschouwd. Het is niet nodig dat tussen hen formele of contractuele verhoudingen bestaan. Het EU recht staat daarnaast volgens het Hof niet in de weg aan een regeling op grond waarvan bij een overgang van een deel van een onderneming de verkrijger de vervreemder kan opvolgen in de arbeidsbetrekkingen. Dat geldt wanneer dat deel van de onderneming geen functioneel autonome economische eenheid is die reeds bestond op het ogenblik van de overgang, en wanneer die vervreemder na de overgang van het deel van de betrokken onderneming een sterke overheersing uitoefent ten aanzien van de verkrijger.

Wie zich bezig houdt met Europese subsidies kan, ten slotte, zijn hart ophalen aan de volgende zaak. Het gaat om het volgende. Verordening nr. 1698/2005 bepaalt dat een subsidie met 20% kan worden gekort bij opzettelijke niet-naleving van de randvoorwaarden voor verkrijging van die subsidie. In dit geval heeft de Algemene Inspectie van het ministerie van EL&I geconstateerd dat een agrarisch loonwerker in opdracht van de subsidieontvangers een perceel grasland had bemest en dat de meststoffen daarbij niet op emissiearme wijze waren uitgereden. Daarom wordt de subsidie van de subsidieontvanger gekort. Dat is niet mals, want heeft hij in dit verhaal wel opzettelijk gehandeld? Volgens Nederlands beleid is voor de vraag of sprake is van opzet onder andere relevant of sprake is van langdurig bestendig beleid. Dat is hier het geval, want de verplichting om meststoffen op emissiearme wijze uit te rijden was op zulk beleid gebaseerd, en dus is het handelen opzettelijk. Aan het Hof om te beoordelen of dit allemaal klopt en of de subsidieontvanger terecht 20% van zijn subsidie heeft moeten inleveren vanwege het nalaten van de agrarisch loonwerker. Het begrip „opzettelijke niet-naleving” ziet volgens het Hof zowel op de situatie waarin de niet-naleving is beoogd en op de situatie waar de mogelijkheid dat de niet-naleving zich voordoet, wordt aanvaard. Een nationale bepaling mag daarbij een hoge bewijswaarde toekennen aan het criterium van het bestaan van een langdurig bestendig beleid, voor zover de steunontvanger de mogelijkheid heeft om in voorkomend geval het bewijs te leveren dat zijn gedraging niet opzettelijk was. Dat de inbreuk is gemaakt door een derde, ten slotte, sluit het bestaan van opzettelijke niet-naleving niet uit.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: