De ambachtelijkheid van het rechterlijk motiveren onder de loep

door IvorenToga op 25/03/2014

in Rechtspraak, strafrecht

Post image for De ambachtelijkheid van het rechterlijk motiveren onder de loep

De antropologie van ambachtelijk werk
In zijn fraaie boek The future of the past beschrijft Alexander Stille in een van zijn hoofdstukken hoe de antropologisch onderzoeker Giancarlo Scoditti lange tijd leefde tussen het Papoeavolk van het eiland Kitawa en gedurende zijn vele participerende jaren de overlevering van de ceremoniële kanobouw probeerde vast te leggen. Zijn ontroering is navoelbaar als hij de riten beschrijft hoe de lange boom in het woud wordt geveld en door de lucht wordt vervoerd onder begeleiding van gezang en hoe deze kano’s worden gebouwd door een selecte groep ingewijden, waarbij hij de verfijnde en gedetailleerde ambachtelijkheid probeert over te dragen op het nageslacht.

De overlevering van de ambachtelijkheid van het rechterlijk werk
Ik ben al langere tijd bezig met een poging om de ambachtelijkheid van het rechterlijk werk te omlijnen en te beschrijven. Dat is nog niet zo eenvoudig. Stel dat ik vrijgesteld van ander werk en bezigheden mag leven in de nabijheid van een rechter, elke juridische en organisatorische stap van deze rechter mag volgen, elk woord mag aanhoren en elke vraag mag stellen, zou ik dan in de buurt komen van de kanobouw door de Kitawaanse houtsnijders?

Sinds 25 jaar gaat mijn belangstelling uit naar het leerstuk culpa, in het bijzonder de verkeersculpa. Wat me opvalt zijn de algemeenheden waarin de rechter in raadkamer zich uitlaat over de onderscheidene vragen. Ik doel dan nog niet eens over de lastige vragen naar de voorzienbaarheid, de wederrechtelijkheid, de verwijtbaarheid, de avas, de vragen naar het (on)geoorloofde risico en het vertrouwensbeginsel. Ik doel reeds op de basale vragen naar de kern van de verkeersschuld, naar de behorensvraag in het verkeer. Hoe de individuele rechter het culpaoordeel stoelt op de aannames over wat de gemiddelde maatmanfiguur in het verkeer aan normaal verkeersgedrag hoort te ontwikkelen, en hoe deze normaliteitssyllogismen zich verhouden tot eigenstandige normen in het eigen bestaan (in het bijzonder bij culpa komen de eigen waarden en normen nogal eens om de hoek kijken) wordt meestal niet ontvouwd. Mijn ervaring is dat rechters frequent met basale gevoelens het raadkamerdebat vormgeven.

Er worden boeken volgeschreven over het rechterlijk beslissingsschema en hoe de jurisprudentie gelaagd moet worden toegepast op het motiveren van de vigerende onderdelen van de voorliggende vragen. Deze gedetailleerde beschouwingen interveniëren nauwelijks de rechterlijke besluitvorming. De eerste opmerking kan zijn dat de rechters hun literatuur en rechtspraak niet bijhouden. De tweede mogelijkheid is dat voor het goed motiveren van het rechterlijk oordeel veel cassatierechtspraak en universitaire beschouwingen niet altijd noodzakelijk zijn. Ik hang de laatste opvatting aan. Maar als ik zicht wil krijgen op de ambachtelijkheid van de rechterlijke motivering rond een thema als de verkeersschuld, hoe moet dat dan?

Als een moderne Stille wil de media graag kennis nemen van de motivering van het rechterlijk oordeel en het liefst van een welbespraakte rechter die aanschuift bij een Hilversumse televisietafel? Nu wordt door rechters vaak gezegd dat de journalist hen slechts een paar minuten spreektijd gunt, de verkeerde of tendentieuze vragen stelt. Maar we zouden ook kunnen zeggen dat die rechter in de luttele spreektijd zich uit in algemeenheden die in de Tina niet zouden misstaan, waarbij ik me haast om op te merken dat de Tina een respectabel jeugdblad is. Op zich willen media en burgerij slechts één ding, dat er een goed uitziende en welsprekende rechter met sonore stem of behept met andere vertrouwenwekkende kenmerken gemotiveerd komt uitleggen dat het met het recht wel snor zit en dat de juiste verdachte is veroordeeld en de juiste straf heeft ontvangen.
Om twee redenen ben ik geïntrigeerd door deze gang van zaken. Veel burgers hebben hun geloof in God verloren, maar de eeuwigdurende behoefte aan een geloof manifesteert zich in nieuwe geloven, in dit geval in de kathedraal van het recht. De beoefenaren moeten een welluidende presentatie hebben en dan gaan de gelovigen gesticht naar huis.
De tweede intrige schuilt voor mij in de vraag óf de rechter zich in een uur televisie wel zou kunnen verliezen in een motivering van het ambachtelijk oordeel over de verkeersschuld of over willekeurig welk onderdeel van het recht. Doet zich ook hier niet het risico van de kleren van de keizer voor? Ik moet nog een rechter vinden die uren, vooruit, met één enkel uur, spreektijd kan vullen zonder te vervallen in algemeenheden om de ambachtelijkheid van de rechterlijke motivering uit te drukken op een wijze die de toeschouwer verrukt, imponeert, overtuigt.

Gebrekkig ambacht of verkeerde opvattingen over het ambachtelijk motiveren?
Nu kan ik mezelf en de lezer de vraag stellen waartoe deze somberheid leidt. Als de beeldspraak van de naaktheid van de keizer niet alleen de organisatorische attitude van de rechter raakt (zie De nieuwe kleren van de rechter, Boom 2010) maar ook de motivering van het rechterlijk oordeel, zijn we dan niet in het juridische Sodom en Gomorra aangeland?
Als we het rechterlijk oordeel en bijbehorende motivering bijkans vergoddelijken en menen dat het om een bijna onaantastbaar oordeel en idem dito onderbouwing moet gaan, dan resteert in veel strafzaken en bij veel rechters niet veel meer aroma dan het vroegere klopklop van Dr. Oetker. Helaas geen echte slagroom zoals een substantieel deel van de rechters hun werk het liefst zouden definiëren. Maar als we het rechterlijk werk eens vermenselijken en vaststellen dat de motivering van het vonnis veelvuldig een particulier oordeel inhoudt in een algemene rechterlijke format, en de ambachtelijke kern van het rechterlijk werk definiëren als beslissen en niet direct als het summum van motiveringskracht, dan komen we heel anders uit. Niet bij Sodom en Gomorra maar bij een gewoon bedrijf van conflictbeslechting dat bestaat uit integere beslissers die helaas in een kathedraal willen wonen of geacht worden te wonen, terwijl het vaak om een flatje gaat in een doorsnee wijk. Ik probeer hierna duidelijk te maken dat rechters die kathedraal niet moeten ambiëren, maar dat die flatbouw in de rechtspraak heel goede woningbouw oplevert. Ik probeer mijn standpunt te verhelderen aan de hand van de verkeersculpa.

Casus: de kanobouw van de rechterlijke motivering van het culpaoordeel
Laat ik de arresten van de Hoge Raad over de roekeloosheid in het verkeer van 15 oktober 2013 kort onder de loep leggen. In de daaraan voorafgaande conclusies putten de van oorsprong Groningse Advocaten-Generaal zich uit in goede beschouwingen. Vellinga buigt zich over de Duitse dogmatiek en de vertaling naar de Nederlandse omschrijving van roekeloosheid als tomeloze onverschilligheid. Knigge laat zich uit over het karakter van de roekeloosheid en Harteveld over de definitie van roekeloosheid in termen van gemeengevaarlijkheid. De drie A-G’s meenden dat het cassatieberoep verworpen diende te worden en de bewijsbeslissingen van de feitenrechters in stand konden blijven.
De strafkamer zag het anders. De Hoge Raad merkt op dat roekeloosheid krachtens art. 175 Wegenverkeerswet leidt tot een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf. Dat strafverhogende effect vergt daarom een zwaardere motivering dat door het buitengewoon onvoorzichtige gedrag een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat de verdachte zich daarvan bewust was of had moeten zijn. De bewijsvoering van de feitenrechter zou in deze arresten tekortschieten, maar waarom is mij eigenlijk een raadsel. Met de conclusies van deze drie verschillende A-G’s en met deze algemene vingerwijzing van de strafkamer had ik net als de drie A-G’s de drie arresten van de feitenrechter in stand gelaten omdat de benodigde bijkomende omstandigheden soms moeiteloos en soms met enige moeite uit de gebezigde bewijsmiddelen hadden kunnen worden afgeleid. Laat ik alleen het feitencomplex noemen in de zaak waarin Knigge conclusie nam. Een accelererende verdachte die naast een bestelbus blijft rijden om hem een lesje te leren en de laatste dwingt om op de andere weghelft te blijven rijden, terwijl tegemoetkomend verkeer naderde, neemt welbewust, en ik zou zeggen roekeloos, het aanzienlijke risico op een ongeval. En of de links rijdende automobilist, geconfronteerd met het nadere levensgevaar van de tegemoetkomende bestuurder op zijn weghelft, wel of niet had kunnen remmen, zoals annotator Keijzer als mogelijkheid opwerpt, regardeert niet de roekeloze handelwijze van de verdachte.

Zoals vaak het geval is, komt de strafkamer niet tot een waarlijk onderbouwde motivering, noch over de grondige conclusies noch over de inhoud van de roekeloosheid. Nu ligt dit ook wel aan de ongemotiveerde klop-klop van de strafkamer van de Hoge Raad, maar in de kern doet zich iets anders voor. De Hoge Raad voltooit de rechtspraak over de culpa naar twee kanten. Eerdere rechtspraak ging over de onderkant van de culpa en deze drie arresten gaan over de bovenkant van de culpa. In beide gevallen dwingt de Hoge Raad de feitenrechter tot meer motivering van de bewezenverklaring. De Hoge Raad komt niet tot een (gewijzigd) oordeel over (het bewijs van) de materiële inhoud van de culpa omdat dit enerzijds niet goed mogelijk is en anderzijds ook niet nodig is. In de meeste gevallen doet de cassatierechter niet meer dan de feitenrechter af en toe een tik op de vingers geven als de laatste iets meer moet uitschrijven waarom er wel of niet sprake is van ………vult u maar in. De HR vindt de motivering van de feitenrechter kennelijk niet voldoende en geef ze daarin maar eens gemotiveerd ongelijk.

De HR daagt de feitenrechter in ieder geval uit te motiveren waarom er sprake is van roekeloosheid. Dat de Hoge Raad de culpa inperkt is niet vreemd en in veel opzichten positief te waarderen, maar daar gaat het mij deze keer niet om. Het gaat mij louter om de vraag of de Hoge Raad in de eigen motivering kan overdragen waarom en hoe de feitenrechter het schuldoordeel moet motiveren.

Wat levert deze vernietiging nu op: verwarde feitenrechters, nog meer motiveren dat niets of nauwelijks oplevert en uiteindelijk zullen (als er verstandige rechters op komen te zitten) de oordelen van roekeloosheid wel in stand worden gehouden. Het is allemaal werk voor de rechterlijke kat zijn viool. Op de gerechtelijke werkvloeren mailt een stafjurist rond dat de rechters de volgende keer iets scherper op de motivering moeten letten en dat is het dan wel. De cassatierechter draagt meestal ook niet meer dan kleren uit het befaamde sprookje. Meer woordgebruik leidt tot schamelheid, maar misschien is het ook wel goed zo: een apodictisch oordeel en wie echt iets wil leren, leze de meestal informatieve en meer overtuigende conclusies van het parket bij de Hoge Raad, eerder dan het ongeveer apodictische en matig gemotiveerde tiental zinnen van de strafkamer. Voor mij kan het grootste deel van de cassatierechtspraak achterwege blijven, maar een deel van de rechtsprekende burgerij verlangt nu eenmaal dat de Hoge Raad – anders dan vroeger – meer doet dan het oordeel vellen dat de feitenrechter echt iets onbegrijpelijks heeft gedaan. Die huidige koers van meer en anders motiveren begint soms op werkverschaffing te lijken (en ik herhaal: op de nieuwe kleren van de rechter), maar de vraag is of je die koers de Hoge Raad in dit geval mag verwijten, omdat elke rechter en elke gerechtelijke beleidsmaker er aan mee doet. Misschien zijn de roekeloosheidsarresten wel het bewijs dat datgene waar een groep feitenrechters om vragen (nog meer uitleggen) gewoonweg niet kán bevredigen. Het merendeel zal niet tevreden zijn omdat men domweg vindt dat er sprake is van roekeloosheid zonder dat dit nader hoeft te worden gemotiveerd of omdat de HR niet motiveert wat – ook volgens mij – niet te motiveren valt, namelijk het uiteindelijke oordeel over de in het verkeersongeval aanwezige schuldgraad. Alles afwegend vaart de strafkamer van de Hoge Raad een zekere koers met hun eis van minder vrijblijvende motiveringen, maar de vrijblijvendheid van hun eigen motiveringen ondergraaft – gelet op hun eigen eisen aan de feitenrechter, wel het gezag van de strafkamer van de Hoge Raad.

Toepassing. De fuik van een maatschappelijke druk om meer uitleg
Wie naar een verklaring zoekt van deze groeiende motiveringsleegte moet zich niet bekommeren om de samenstelling van de strafkamer van de Hoge Raad, dat levert alleen maar psychologie van de koude grond op, hoe leuk die bij tijd en wijle ook kan zijn. Het is van belang om die motiveringsdrift en de verwachtingen daarvan te plaatsen in een langere en steeds dieper wortelende maatschappelijke beweging, waar ook (cassatie)rechters onderhorig aan zijn. In een hoog ontwikkelde samenleving aanvaarden burgers niet direct het oordeel van een arts, onderwijzer of rechter en wil men meer inzicht in de gronden die het oordeel moeten dragen. Aan dit gegeven danken gerechtshoven hun werkgelegenheid, de appellerende justitiabele verklaart zich niet neer te leggen bij het rechterlijk oordeel omdat de constructie van het bewijsoordeel bouwvallig is en de eerste rechter niet duidelijk heeft gemaakt waarom deze getuige is gevolgd en niet de andere. Een van de (drie) redenen om het bewijsoordeel beter te gaan motiveren (met de Promismethode) was dat de (juridische) burgerij, belanghebbenden en procespartijen meer inzicht zouden krijgen in de gronden voor de bewijsbeslissing. Het klonk tien jaar geleden allemaal zo nobel en hoe schraal is de uitkomst geweest. Zou de teleurstelling over die explicatiefunctie van de motivering ook niet ontspruiten aan het gegeven dat de lezer van het vonnis primair moeite heeft met het rechterlijk oordeel en daarom minder geïnteresseerd is in de steeds langere lappen tekst waarmee de rechter zijn oordeel aankleedt? Mijn vrees is dat de maatschappelijke ontwikkeling, waarin de toenemende rechterlijke motiveringen moeten worden begrepen, niet zal leiden tot meer draagvlak voor het rechterlijk oordeel.

Het leeuwendeel van het rechtspreken komt voor rekening van de feitenrechter die zich niet in het defensief moet laten drukken door vermaningen van de cassatierechter of in een prekerig aandoende conclusie of annotatie, door media, of door wie dan ook. De feitenrechter moet met de goede aarzelingen een snel en bondig oordeel geven over de voorliggende zaak en zich niet direct bekommeren om wat de omgeving ervan vindt, maar ook niet pretenderen met slagroom bezig te zijn. Feitenrechters zijn conflictbeslechters zonder al te veel allure en daar moeten ze trots op zijn. Of die conflictbeslechting een ambacht inhoudt zal ergens wel zo zijn, maar ik ben er nog niet uit of er een goede schriftelijke kennisoverdracht van motiveringen mogelijk is en of er een overdraagbare traditie van rechtspreken is, zoals Alexander Stille heeft geprobeerd rond zijn eigen werk. Hoe meer de rechtspraak probeert transparanter te zijn, en dus meer het onzegbare te motiveren, hoe meer reclamespecials de rechtspraak gaat leveren dan wel hoe schameler de uitkomst van rechtbank tot Hoge Raad wordt. Niet doen dus!

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Deze post is onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 lyngbakken 25/03/2014 om 22:19

Dit blog kent meer tekst dan de Hoge Raad lijkt te verlangen!

Is de kern niet dat de rechter als conflictbeslechter te weinig mogelijkheden heeft of pakt?
Wanneer doet een strafrechter als conflictbeslechter eigenlijk aan conflictdiagnose? Volgens mij zelden en dan nog oppervlakkig.
Is een volwaardige rol van het slachtoffer niet vitaal bij conflictbeslechting? Waarom stribbelen veel strafrechters daar dan toch op tegen?
Gaat het met andere woorden niet om meer daden dan om meer woorden?

En wanneer gaat de strafrechter in een bredere context aan het werk; bijvoorbeeld als daadwerkelijke stok achter de deur en regisseur van een proces van gedragsinterventies waarbij andere professionals een rol spelen (gedragsdeskundigen bijv); dat dan niet alleen als het mis gaat na een voorwaardelijke veroordeling, maar juist ter voorkoming daarvan (de VS kent voorbeelden van een dergelijke aanpak)?
Pas als de financiële normen dat mogelijk maken en aanhoudingen niet meer worden gezien als produktieverlies (en promisvonnissen geen extra geld meer opleveren)?

2 M.J. Hoogendoorn 26/03/2014 om 09:28

Ik herinner mij dat ik geschokt was toen ik, opgeleid als civilist, plusminus 15 jaar geleden voor het eerst een strafvonnis oude stijl zag. Was dit nou het resultaat van al die mooie strafrechtelijke waarborgen? Een simpel uitslagenvel, of, om in religieuze termen te blijven, witte rook en habemus papam? Promis is ten opzichte van die praktijk een aanzienlijke verbetering, doch uiteraard, dat is de mening van een jurist.

Nu begrijp ik uiteraard dat ergens een eind komt aan motiveren en dat de keuze tussen bijvoorbeeld 4 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk en 4 jaar waarvan zes maanden voorwaardelijk niet sluitend te motiveren valt (tenzij men een exponentiële toename van richtlijnen, subregels en regels over regels voor lief wil nemen). Dat lijkt mij echter geen reden om het motiveren af te schaffen.

De essentie van een vonnis lijkt mij dat er een weloverwogen keuze wordt gemaakt. Ik zie dat graag in een vonnis terug. Ik neem aan dat ook een kanovaarder op Kitawa graag tevoren zal willen zien dat er geen gaten in de kano zitten voordat hij instapt, ondanks alle ambachtelijkheid en toewijding van de kanobouwer.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: