Amerika voorbeeld voor Nederlandse democratie?

door JWvR op 12/03/2010

in Buitenland

Is ons parlementaire systeem in verval? Deze zorg werd eergisteren in de NRC geuit door oud-hoofdredacteur van het blad Christen-Democratische Verkenningen Marcel ten Hooven. Volgens Ten Hooven is de balans tussen macht en tegenmacht in de Nederlandse democratie verstoord geraakt. Hierdoor, zo betoogt hij, is er onvoldoende bescherming tegen politieke partijen die ‘omwille van machtsbehoud (…) democratisch fatsoen opzijzetten’ en ‘ontstaat een vruchtbare bodem voor een ontwrichtende leiderscultus’. Het meest recente voorbeeld van dit verval: het weinig subtiele optreden van demissionair minister-president Balkenende, die, met weinig respect voor de Kieswet, aankondigde niet in de Tweede Kamer plaats te nemen als hij er niet in slaagt de premierbonus binnen te halen. Tweede Kamer en politieke partij bewijzen volgens Ten Hooven niet meer bij machte te zijn om deze vorm van democratische erosie een halt toe te roepen.

Ten Hooven raadt de lezer aan om eens een kijkje te nemen bij onze trans-Atlantische vrienden in de VS. Daar zou de constitutioneel ingebouwde cocktail van machtenscheiding en machtsevenwicht ervoor zorgen dat deze verschijnselen zich niet kunnen voordoen. Hierbij denkt Ten Hooven vooral aan de beperking van het presidentschap tot twee termijnen en aan het districtenstelsel, dat kandidaten voor het Congres in staat stelt via een eigen kiezersmandaat tegenmacht tegenover de president te ontwikkelen.

Het Amerikaanse constitutionele systeem als spiegel gebruiken om onze eigen grondwettelijke onvolkomenheden tegen het licht te houden is een reflex die je wel vaker tegenkomt in het Nederlandse debat. Het is echter de vraag of dit wel terecht is. Zeker, ruim 200 jaar nadat in Philadelphia de Amerikaanse Grondwet tot stand werd gebracht is dit document nog altijd een bron van constitutionele inspiratie. En menig liefhebber van het staatsrecht zal bij het lezen van de Federalist Papers, die regelmatig op dit blog de revue passeren, zijn vingers aflikken over het geniale mengsel van retoriek en constitutionele zuiverheid dat hierin ligt besloten. Het is evenwel naïef om te veronderstellen dat het Amerikaanse constitutionele bestel zo fantastisch werkt. Feitelijk houden de drie staatsmachten, en dan met name de twee politieke machten, elkaar al een kleine veertig jaar in een ongemakkelijke houdgreep. Behalve ten aanzien van buitenlandse kwesties lukt het de overheid slechts om daadkrachtig op te treden wanneer de politieke kleur van de President overeenstemt met die van een meerderheid van het Congres. En getuige de politieke patstelling die de regering-Obama momenteel paralyseert, is zelfs dat laatste geen garantie; een vrij archaïsche procedure als de filibuster kan de hele zaak op slot gooien.

Dit ligt niet direct aan het Amerikaanse constitutionele systeem als zodanig. Met genoemde mix van machtenscheiding en machtsevenwicht is op zichzelf genomen niets mis. Bovendien heeft het systeem in het verleden – denk aan Roosevelts New Deal – aangetoond wel degelijk als springplank te kunnen fungeren voor een dynamische overheid. Het grote probleem is veeleer het partijensysteem dat tussen het constitutionele bestel is geschoven. Totale polarisatie langs partijlijnen doet het laatste systeem al jaren in zijn voegen kraken. Wel is het zo dat het door de ‘Founding Fathers’ uitgedachte stelsel een uitweg uit deze situatie niet bevordert. Machtenscheiding en machtsevenwicht zijn er in eerste instantie op gericht de overheid te beteugelen, niet om deze de vrije loop te laten.

Ten Hooven heeft gelijk wanneer hij signaleert dat ons partijenstelsel op dit moment niet optimaal functioneert. Het schort hem echter aan de analyse. Het Amerikaanse systeem als spiegel voorhouden biedt geen soelaas. Invoering van een districtenstelsel houdt, zoals de praktijk in Groot-Brittannië laat zien, bijvoorbeeld helemaal geen garantie in dat parlementariërs tegenmacht zullen ontwikkelen tegenover de regering. De oplossing moet dan ook niet primair gezocht worden in herstelwerkzaamheden aan het parlementaire systeem dat halverwege de negentiende eeuw in Nederland werd opgetrokken. Nog afgezien van het feit dat dit stelsel op geheel andere grondslagen is gebouwd dan het Amerikaanse, is hiermee niet zoveel verkeerd. Anders dan het Amerikaanse grondwettelijke bestel, dat een parlementair systeem afwijst, biedt dit juist veel mogelijkheden om tot een besluitvaardige overheid te komen. De oplossing zou eerder gezocht moeten worden in het zelfreinigende vermogen van de politiek zelf. Slagen politieke partijen erin om de ‘oude staatsrechtelijke façade’ waarachter volgens Ten Hooven het verval schuilgaat opnieuw kleur te geven?

Wat dat betreft biedt de huidige crisis in het politieke landschap misschien juist wel kansen. Als de uitslag van de Kamerverkiezingen op 9 juni een net zo versnipperd beeld aangeeft als nu in de peilingen het geval is, zullen partijen immers gedwongen worden opnieuw het wiel uit te vinden. Resultaat zou een voorzichtige terugkeer naar het door Thorbecke gepropageerde dualisme tussen parlement en regering kunnen zijn. Interessant in dit verband is het onlangs nog door Kamervoorzitter Gerdi Verbeet naar voren gebrachte idee van een minderheidskabinet, dat per dossier zal moeten werken aan een minderheid in beide Kamers. Steraspiraties van politici die voor goud zeggen te gaan, hoeven hier niet mee op gespannen voet te staan. Behalve dat mensen in het huidige tijdsgewricht niet zonder zulke aspiraties kunnen, is in een dualistisch uitgelegd systeem juist behoefte aan een premier die stevig in zijn of haar schoenen staat en de strijd met het parlement met open vizier durft aan te gaan.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: