Arnold Schwarzenegger en de vrijheid van meningsuiting

door RdG op 30/06/2011

in Buitenland, Grondrechten, Rechtspraak

Een andere blog besteedde er reeds aandacht aan, maar deze mooie uitspraak (Brown v. Entertainment Merchants Association) van het Amerikaanse Supreme Court mag ook hier niet onvermeld blijven. Afgelopen maandag werd bekend gemaakt dat een restrictie op de verkoop of verhuur van agressieve videogames aan minderjarigen in strijd is met het recht op vrije meningsuiting (First Amendment).

Die verkoop en verhuur was in Californië bij wet verboden, daar waar het ging om ‘games in which the range of options available to a player includes killing, maiming, dismembering, or sexually assaulting an image of a human being’, op zo’n manier weergegeven dat dit volgens een ‘reasonable person’, strijdig met heersende normen en waarden, een morbide belangstelling bij minderjarigen zou aanspreken.

Een interessante aanvulling is nog dat deze agressieve weergaven ervoor zouden zorgen dat de game überhaupt zijn ‘serious literary, artistic, political, or scientific value’ voor de jeugd verliest. Daarmee kan niemand het oneens zijn, dacht men in Californië.

Producenten van deze games achtten de Act echter in strijd met de Amerikaanse constitutie en wonnen de procedures in eerste aanleg en hoger beroep. De Staat Californië ging in cassatie en zo kwam de zaak bij de hoogste Amerikaanse rechter terecht.

Technologische ontwikkeling doet niet aan af aan het feit dat videogames binnen de reikwijdte van het grondrecht op vrije meningsuiting vallen: “the basic principles of freedom of speech and the press, like the First Amendment’s command, do not vary” als er ineens een nieuw medium op de markt verschijnt.

Hoewel dit grondrecht bijna absoluut is, verwijst de Supreme Court naar een eerdere uitspraak (Ginsberg v. New York) over een verbod in NY op de verkoop van ‘sexual material that would be obscene from the perspective of a child’. Zolang de wetgever niet een irrationele uitleg gaf van het begrip “obsceen” kon deze regelgeving overeind blijven.

Maar dat houdt niet in dat de Staat mag bepalen aan welke ideëen kinderen blootgesteld mogen worden. In tegenstelling tot obscene seksuele uitingen is er geen ‘longstanding tradition in this country of specially restricting children’s access to depictions of violence’, integendeel. Hoeveel gewelddadige sprookjes worden hen niet verteld? Er valt toch geen tekort aan geweld te ontdekken bij de Gebroeders Grimm of Assepoester? Hans en Grietje (zelf kinderen!) laten de boze heks zelfs omkomen in een gloeiende oven.

En het houdt niet op als kinderen pubers worden, en we hen de Odyssee (waar het enige oog van de cycloop vakbekwaam wordt uitgestoken) en de Goddelijke Komedie laten lezen, überhaupt een drieluik waarvan in het eerste deel pagina’s lang de meest verschrikkelijke martelingen worden beschreven.

De rechters erkennen dat het niet zo is dat er nooit kritiek is geweest op al dat geweld. In de jaren ’40 en ’50 kregen stripboeken dezelfde verwijten te verduren als videogames heden ten dage. Toch heeft de hoogste rechter lang geleden afgerekend met dat type censuur. Waarom zou dit geval anders zijn, zo lijkt (de meerderheid) van de rechters zich af te vragen.

Rechter Alito deed nog een verwoede poging hen op andere gedachten te brengen door hen te confronteren met de horror die hier aan de orde is:

‘In some of these games, the violence is astounding.  Victims by the dozens are killed with every imaginable implement, including machine guns, shotguns, clubs, hammers, axes, swords, and chainsaws.  Victims are dismembered, decapitated, disemboweled, set on fire, and chopped into little pieces.  They cry out in agony and beg for mercy.  Blood gushes, splatters, and pools.  Severed body parts and gobs of human remains are graphically shown.  In some games, points are awarded based, not only on the number of victims killed, but on the killing technique employed…this experience is different from reading a book, listening to a radio broadcast, or viewing a movie.’

Hiermee wordt scherp afgerekend door zijn mederechters. Probeert Alito ons nu te laten walgen zodat onze opinie verandert?

‘Justice Alito recounts all these disgusting video games in order to disgust us – but disgust is not a valid basis for restricting expression.’

Het is de rechters onduidelijk of die walgelijke games op een of andere manier zullen leiden tot meer geweld, sterker nog, ze lijken overtuigd van het tegendeel. Alito’s razende betoog legt juist het achterliggende gevaar bloot van de California Act:

‘(…) that the ideas expressed by speech – whether it be violence, or gore, or racism – and not its objective effects, may be the real reason for governmental proscription.’

Het beperken van vrijheid van meningsuiting vanuit een gevoel van moraliteit is, zelfs voor actieheld en “Governator” Schwarzenegger (die de Act ondertekende in oktober 2005), een brug te ver. Het is onvoldoende duidelijk welke feitelijke problemen de Act wil bestrijden, en of die daar geschikt voor is:

‘Because the Act imposes a restriction on the content of protected speech, it is invalid unless California can demonstrate that it passes strict scrutiny—that is, unless it is justified by a compelling government interest and is narrowly drawn to serve that interest.’

Als de Staat het écht allemaal zo erg had gevonden, had zij bovendien niet alleen de video games moeten aanpakken, en zich ook niet moeten beperken tot de verkoop aan kinderen alleen. Waarom wordt er niets gedaan aan de ouders die de spelletjes voor hun kinderen aanschaffen? ‘[This] is not how one addresses a serious social problem.’ Daarmee is de wet op twee manieren ‘underinclusive’.

En wat blijft er dan nog over? Een algemeen verbod waar sommige ouders wellicht blij mee zouden zijn, omdat ze dan niet meer op hun kinderen hoeven te letten, maar vooral een verbod dat uit wat de Staat vindt dat ouders zouden moeten willen.

Zo schieten de rechters gat na gat. Onderwijl oordelen ze niet alleen hard over Alito’s verwoede pogingen, ook rechter Thomas moet het ontgelden. Die had naar voren gebracht dat de Amerikaanse constitutie origineel niet in een recht op vrije meningsuiting (of de toegang daartoe) voor minderjarigen voorziet, zonder voorafgaande toestemming van de ouders.

‘Justice Thomas ignores the holding of [Erznoznik v. Jacksonville], and denies that persons under 18 have any constitutional right to speak or be spoken to without their parents’ consent.  He cites no case, state or federal, supporting this view, and to our knowledge there is none.’

Nadat dat obstakel uit de weg is geruimd, is er nog de dissenting opinion van rechter Breyer, van wie normaal gesproken niet veel wordt vernomen.

‘The statute prevents no one from playing a video game, it prevents no adult from buying a video game, and it prevents no child from or adolescent from obtaining a game provided a parent is willing to help.  All it prevents is a child or adolescent from buying, without a parent’s assistance, a gruesomely violent video game of a kind that the industry itself tells us it wants to keep out of the hands of those under the age of 17.’

Breyer ziet gewoon niets slechts in de Act, een argument dat zo basaal is dat de meerderheid er verder weinig woorden aan wil besteden.

Het onderscheid tussen restricties van voor kinderen ongeschikt geachte seksfilms (toegestaan) en van gewelddadige videogames (niet toegestaan) lijkt dubieus. Het geeft wel een typisch Amerikaans beeld: gewelddadige games worden niet obsceen geacht gezien een lange (“literaire”) traditie, maar blootstelling aan seks wordt uiteraard met argusogen bekeken.

Toch lijken vooral de wetgevingsjuristen in Californië zich eens flink achter de oren te moeten krabben. De Act schiet al zijn doelen voorbij, of zoals de Supreme Court het zelf uitdrukt:

‘Legislation such as this, which is neither fish nor fowl, cannot survive strict scrutiny.’

Gelukkig zien we Arnold Schwarzenegger binnenkort weer gewoon in een harde actiefilm.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 JU 30/06/2011 om 23:54

Mooie post. Maar doe je Breyer niet een beetje onrecht? Ten eerste laat hij weldegelijk geregeld van zich horen. In een aantal leading cases schreef hij de meerderheidsopinie (vgl. bijv US v Booker). Zijn punt in deze zaak is bovendien niet dat hij de wet helemaal niet problematisch vindt, maar dat hij haar niet problematisch genoeg vindt om ‘als zodanig’ onverbindend te verklaren (facially invalid). Om een wet niet slechts buiten toepassing te laten (invalid as applied to), maar haar helemaal – dus in alle toepassingen – onverbindend te verklaren vereist volgens de Amerikaanse doctrine dat er vrijwel geen rechtmatige toepassingen van de wet denkbaar zijn, of dat de wet om strategische redenen volledig onverbindend moet worden verklaard. Breyer meent eenvoudig dat de wet wel rechtmatige toepassingen kan hebben, en dat facial invalidity dus niet aan de orde is. Maar dat is iets anders dan dat hij de wet helemaal niet problematisch vindt. Best mogelijk dat hij in een specifiek geval wel zou besluiten tot het buiten toepassing laten van de regeling. Misschien had de meerderheid dus toch iets meer aandacht aan zijn kritiek moeten besteden…

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: