Art. 70 RvOTK en de politisering van de parlementaire procedures (deel zoveel)

door Ingezonden op 31/10/2011

in Haagse vierkante kilometer

Voor de liefhebbers van procedurele politiek was er afgelopen donderdag weer wat te beleven in de Tweede Kamer, tijdens de gebruikelijke regeling van de werkzaamheden en stemmingen. In de hoofdrol de CDA-fractie, Ineke van Gent en art. 70 RvOTK.

Politiek gezien draaide het om de kwestie-Mauro. Minister Gerd Leers van Immigratie en Asiel besloot onlangs dat de asielregels geen ruimte bieden om de Angolese jongen een verblijfsvergunning te geven. Binnen het CDA zorgde de kwestie voor nieuwe verdeeldheid. Er was extra beraad nodig om een aantal bezwaarde fractieleden, waaronder Ferrier en Koppejan, achter het standpunt van Leers te krijgen.

Toen dat eenmaal was gelukt, wilde het CDA de hele kwestie ook zo snel mogelijk uit de wereld hebben. Er kwam in het weekend weer een partijcongres aan. Nog zo’n publieke boetedoening als in Arnhem, waar de gespletenheid van de partij live het land in werd gestuurd, kunnen de christendemocraten missen als kiespijn.

Dus kwam er donderdag een verzoek van minister Leers aan de orde om diezelfde dag het Algemeen Overleg over de uitzetting te houden, dat oorspronkelijk voor maandag stond gepland. Om de afhandeling rond te krijgen, stelde de CDA-fractie bij monde van Mirjam Sterk vervolgens voor om aansluitend over eventuele ingediende moties te stemmen – in plaats van te wachten tot de stemmingen volgende week dinsdag, zoals gebruikelijk.

En zo kwamen de procedures in het spel. Uiteraard doorzagen GroenLinks, D66, PvdA en SP, tégen de uitzetting, de plannen van het CDA. De linkse oppositie wilde de snelle afhandeling van de asielkwestie zo niet verhinderen, dan toch op zijn minst partijpolitiek benutten. In de hoop de verdeeldheid binnen het CDA alsnog zichtbaar te krijgen en ieder fractielid tot individuele verantwoording te dwingen, verlangde Ineke van Gent hoofdelijke stemmingen over het voorstel om dezelfde avond te stemmen. Volgt u het nog?

Van Gent beriep zich op art. 70 RvOTK, waarin is vastgelegd dat de Kamer hoofdelijk stemt wanneer één lid daarom verzoekt. Dat is een grondwettelijk verankerd recht (art. 67 lid 4 GW). Politiek inhoudelijk was Van Gents verzoek weinig zinvol; het ging immers niet direct om een uitspraak over de asielkwestie zèlf, maar over de vraag of later die avond ook al stemmingen zouden kunnen plaatsvinden over de asielkwestie. Het was niet aan te nemen – om niet te zeggen ondenkbaar – dat de bezwaarde fractieleden zich zouden distantiëren op de vraag of afhandeling voor het weekend gewenst was. Politiek strategisch was het niettemin de moeite van het proberen waard, al was het maar om er dezer dagen air time mee af te dwingen op radio of tv.

Gratis air time kreeg de oppositie al meteen, dankzij het even vermakelijke als onverkwikkelijke procedurele geharrewar dat door alle verzoeken om verschuivingen en stemmingen was ontstaan. Van Gent kwam pas met haar verzoek om hoofdelijke te stemmen, nadat plaatsvervangend (!) Kamervoorzitter Willibrord van Beek al had geconstateerd dat het voorstel van het CDA voldoende steun had. Even daarvoor had hij langs de gebruikelijke weg bij de rest van de Kamer gepeild hoe deze tegenover het ordevoorstel stond, en van VVD en PVV vernomen dat zij akkoord gingen. Aldus besloten.

En toch niet helemaal. De woordvoerders van de oppositie verdrongen zich nog bij de interruptiemicrofoons om te laten merken dat zich maar moeilijk bij het besluit konden neerleggen. Ongelukkerigwijs gaf Van Beek hen de ruimte opnieuw met het CDA in discussie te gaan over noodzaak van de aansluitende stemming. Van Gent zag toen haar kans schoon om de besluitvorming nog eens dunnetjes over te doen via een nieuw, omgekeerd voorstel, namelijk om die avond géén stemming te houden – en over dit voorstel wenste ze hoofd voor hoofd te stemmen. Het was haar daarbij uiteraard niet om een heldere uitslag, maar om het spel te doen. Alleen kon dat weer niet hardop worden gezegd. Aldus volgde de hoofdelijke stemming alsnog. Het voorstel om te af te wijzen dat dezelfde avond na het AO zou worden gestemd, werd met 77 stemmen tegen verworpen. Het CDA stemde eensgezind.

Na de plenaire afhandeling van het algemeen overleg, dat tot na twaalven doorging, zou het uiteindelijk toch slechts tot één stemming komen, namelijk over de motie van het CDA. De oppositiefracties besloten al hun moties aan te houden (art. 69 lid 2 RvOTK) en tilden daarmee de besluitvorming over hun moties alsnog over het weekend – en over het CDA-congres – heen.

Kort geleden speelde Geert Wilders overigens min of meer hetzelfde spel. De PVV-leider deed 21 september bij aanvang van de Algemene Beschouwingen het ordevoorstel de sprekersvolgorde voor het debat aan te passen. De gebruikelijke volgorde, waarbij de grootste oppositiefractie mag aftrappen, gevolgd door de grootste coalitiefractie enzovoorts – overigens een ongeschreven regel, paste naar zijn inzicht niet bij de politieke constellatie van het moment. Volgens Wilders hoorde niet Cohen, maar Roemer als de enige ware oppositieleider als eerste te spreken. Het verzoek was onderdeel van Wilders’ politieke strategie de sociaaldemocraten neer te zetten als de ‘grote gedogers’ van dit kabinet; niet de PVV, maar de PvdA hielp het kabinet aan meerderheden op de essentiële kwesties, zoals de pensioenen en Europa. Om zijn punt procedureel en visueel te onderstrepen, verlangde hij een wijziging in de sprekersvolgorde: eerst Roemer, en Cohen nog voor Wilders als de eerste gedoogpartner. En over dat voorstel wilde hij ook direct hoofdelijke stemmingen houden.

Ditmaal kreeg de Kamervoorzitter, nu Verbeet zelf, het wel voor elkaar om de hoofdelijke stemming af te wenden door de rest van de Kamer eerst mondeling te horen over het voorstel. Toen geen van de fracties zich voorstander verklaarde, nam de PVV haar verlies. ‘U heeft het geprobeerd, mijnheer Wilders’, was het besluit van Verbeet.

Al van oudsher is het vragen om hoofdelijke stemmingen een geliefd middel voor politisering. Het democratische en dramaturgische effect van de stemmingen maken het tot een gewaardeerd moment voor politieke strategie of obstructie. Het frustreren van de besluitvorming met hoofdelijke stemmingen komt sinds 1945 niet zo vaak meer voor als in de incidentrijke dagen van het interbellum, maar is altijd een krachtig dreigement gebleven. Vanwege het grondwettelijk recht is er immers geen kruid tegen gewassen.

Carla Hoetink, docent politieke geschiedenis verbonden aan Radboud Universiteit Nijmegen. Zij werkt aan een promotieonderzoek over de functie en betekenis van parlementaire spelregels in de naoorlogse Tweede Kamer.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 CS 31/10/2011 om 13:39

Leuk proefschriftonderwerp!

Vergeef mij dat ik niet meer precies weet hoe e.e.a. precies is verlopen tijdens de Algemene Beschouwingen. Wat werd er precies verworpen? Wilders’ voorstel om wijziging van de sprekersvolgorde überhaupt in stemming te brengen of Wilders’ voorstel om die stemming hoofdelijk te laten gebeuren? En wat is precies de reikwijdte van art. 67 lid 4 Grondwet? De tekst luidt: (“Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt”). Valt de benoeming van personen (denk aan de benoeming van Kamervoorzitters) hier ook onder? En stemmingen over punten van orde? M.a.w.: wat wordt precies bedoeld met “zaken”. Dit lijkt mij wel noodzakelijk om te weten voordat er conclusies worden getrokken over de politisering van parlementaire procedures.

Dus: kon Wilders in dit geval een beroep doen op art. 67 lid 4 Grondwet?

Zo ja, dan heeft de Kamervoorzitter dat recht ten onrechte miskend en is er in de praktijk dus kennelijk wèl een kruid gewassen tegen art. 67 lid 4 Grondwet. Dat zou de meest evidente vorm zijn van politisering van parlementaire procedures: het bij meerderheid wegstemmen van grondwettelijk verankerde minderheidsrechten.

Zo nee, dan is er juridisch niet veel mis met de reactie van de Kamervoorzitter en dan zou je hoogstens kunnen spreken van toenemende partijpolitiek op het gebied van de parlementaire procedures.

2 Carla 31/10/2011 om 23:56

De vraag naar de reikwijdte van art. 67.4 is een interessante. Ik heb de interpretaties op basis van precedenten nu even niet bij de hand, maar het RvOTK wel. Dat geeft aan dat de – in de Grondwet voorgeschreven – stemming over personen voor benoemingen, voordrachten of keuzen geschiedt met schriftelijke stembriefjes. (Art. 74 en 84). Over alle andere ‘zaken’ besluit de Kamer zoals voorgeschreven in art. 67. In alle handboeken staat ook als regel in bestuurlijke besluitvorming te lezen: over zaken stemt men mondeling, over personen schriftelijk.

Desondanks: aangezien het RvOTK ondergeschikt is aan de Grondwet, want slechts een nadere regeling van de werkwijze, zou je inderdaad kunnen beredeneren dat ook over personen hoofdelijk gestemd moet worden als één lid dat verlangt. De Kamer zou met haar handelswijze dan wel indruisen tegen art. 74 GW, waarin staat dat zij zelf verdere regels voor haar vergaderingen vaststelt.

In het geval van Wilders was er sprake van een zaak-stemming, Bij het kenbaar maken van zijn voorstel de sprekersvolgorde te wijzigen voegde hij daaraan toe: ‘en ik wil daarover een hoofdelijke stemming’.
Vervolgens maakte de Kamervoorzitter de inventarisatieronde om te horen of de andere fracties zijn ordeverzoek deelden. Verbeet vroeg hen níet, of ze het eens waren met de wens hierover hoofdelijk te stemmen.

Niettemin verbaasde ook ik me er in eerste instantie over dat Wilders
na de ‘rondvraag’ niet bij zijn wens bleef; hij had er recht op. Wilders ging het echter, anders dan Van Gent, niet om het blootleggen van politieke verdeeldheid, maar om het “shock and awe” – effect van zijn gecombineerde verzoek. Of populairder gezegd: het was gewoon een getreiter van een spelbreker, alleen maar bedoeld om direct na de aftrap te scoren. Navraag bij een Kamerbewoner leverde diezelfde analyse op: Wilders stond in zijn recht, maar beriep zich daar niet meer op. Zoals ik het hierboven formuleerde, wek ik misschien de indruk dat de voorzitter art. 67.4 miskende, maar zo bedoelde ik het niet. Ze voelde eerder het moment aan, zo is mijn analyse.

Formeel had ze Wilders uiteraard kunnen (moeten?) vragen of hij nog hoofdelijke wenste te stemmen, maar voor de orde was dat geen bevorderlijke vraag. Wilders wist op zijn beurt natuurlijk ook dat hij de Kamer over zich heen zou krijgen (en zijn doel voorbij zou schieten) als hij de vergadering met dit onnodige oponthoud zou hebben belast.

Ten slotte: ik zie politiseren in neutrale zin als het ‘verpolitieken’ van besluitvorming over de werkwijze. Dat op zichzelf is van alle tijden – en de regels laten daar ook de ruimte voor. Maar het aantal procedures en spelregels waarbij dit gebeurd en de frequentie waarmee lijkt het afgelopen decennium wel sterk toegenomen. Het bij meerderheid wegstemmen van een grondwettelijk verankerd minderheidsrecht is geen politisering meer, maar onconstitutioneel.

Reactie achterlaten

{ 2 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: