Artikel 2.7 lid 1 Besluit inburgering onverbindend

door EB op 13/10/2009

in Rechtspraak

Afgelopen week vroeg ik tijdens een werkgroep aan mijn studenten, wat het verschil in gevolg is tussen het “onverbindend verklaren” van een regel door de rechter en het “buiten toepassing laten” van een regel door de rechter. Zoals de lezers van dit blog zullen weten, heeft het laatste slechts gevolgen voor de procespartijen, terwijl het eerste gevolgen heeft voor een ieder. Aanleiding voor mijn vraag was een opdracht die mijn studenten hadden voorbereid, waarin hen de vraag gesteld werd of de rechter een artikel uit de Wegenverkeerswet 1994 buiten toepassing zou kunnen laten wegens strijd met een bepaling uit de Grondwet. Tijdens het gesprek dat naar aanleiding van mijn vraag ontstond, merkte één van de studenten op, dat de rechter een bepaling die in een formele wet is vastgelegd, blijkens het harmonisatiewet-arrest (HR 14-04-1989 NJ 1989, 469) niet mag toetsen aan fundamentele rechtsbeginselen. Dat is waar, maar geldt dat in alle gevallen?

Soms mag de rechter een wet in formele zin buiten toepassing laten “op de grond dat toepassing van die bepaling in verband met daarin niet verdisconteerde omstandigheden (in de regel: de wijze waarop de overheid is opgetreden) in strijd zou komen met een fundamenteel rechtsbe¬ginsel.” (Zie ro. 3.9) Een dergelijke actie van de rechter raakt volgens de Hoge Raad niet aan de verbindende kracht van de betrokken bepaling en staat de rechter dan ook vrij. Het verbod om een wet in formele zin te toetsen aan fundamentele rechtsbeginselen (men zie ro. 3.5 en 3.6) geldt dus niet altijd onverkort; al is het wel de hoofdregel. Een bepaling uit een wet in formele zin onverbindend verklaren mag de rechter echter nooit. Dat ligt anders bij niet door de formele wetgever gegeven algemeen verbindende voorschriften. Zij kunnen wel onverbindend – en in verband daarmee de uitvoe¬ring daarvan onrechtmatig – geoordeeld worden, “op grond dat er sprake is van willekeur in dier voege dat het betreffende overheidsorgaan (…) in redelijkheid niet tot het betreffende voorschrift is kunnen komen.” (Landbouwvliegers-arrest: HR 16-05-1986 NJ 1987, 251). Het meest recente voorbeeld hiervan vinden we in een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 september 2009, welke op 7 oktober 2009 is gepubliceerd (LJN: BJ9330). De CRvB heeft daarin artikel 2.7 lid 1 van het Besluit inburgering onverbindend verklaard wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Aanleiding voor deze uitspraak was het hoger beroep van een Turkse man die al sinds juni 1978 in Nederland verblijft. De man kreeg op 30 augustus 2007 een brief van het College van Burgemeester en Wethouders van Den Haag, waarin stond dat hij volgens de Wet inburgering inburgeringsplichtig was. Dit betekende dat hij binnen vijf jaar moest slagen voor zijn inburgeringsexamen. Wie niet deel wil nemen aan dit inburgeringsexamen kan door het afleggen van een zogenoemde korte vrijstellingstoets van de inburgeringsplicht worden vrijgesteld. Om voor deze korte vrijstellingstoets te kunnen slagen, zouden zijn mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op niveau B1 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen moeten liggen, terwijl voor het behalen van het inburgeringsexamen bij oudkomers voor wat de schrijf- en leesvaardigheid betreft, niveau A1 voldoende zou zijn geweest. Bij de korte vrijstellingstoets worden dus hogere eisen gesteld dan bij het inburgeringsexamen, hetgeen de man onredelijk bezwarend vond.

De Centrale Raad van Beroep is van mening dat aan de totstandkoming van artikel 2.7 lid 1 van het Besluit inburgering zodanig ernstige gebreken kleven, dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren beslissingen. De motivering voor het verschil in eisen tussen het inburgeringsexamen en de korte vrijstellingstoets – dat de laatste een snelle en eenvoudige toets betreft die minder meetpunten bevat dan het inburgeringsexamen – acht de Raad onvoldoende. Zeker nu de regering niveau B1 van het Europees Raamwerk niet als norm voor het inburgeringsexamen heeft willen gebruiken, omdat dit naar verwachting voor veel inburgeringsplichtigen een onneembare barrière zal vormen en hen het perspectief op integratie en versterking van hun rechtspositie zal ontnemen, waarvan een contraproductief effect kan uitgaan. Artikel 2.7 lid 1 van het Besluit inburgering is om die reden onverbindend verklaard, voor zover in dat artikellid is bepaald dat als voldoende mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel f, van de wet wordt aangemerkt “mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau B1 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen”.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 LD 17/10/2009 om 09:53

Een zeer leeswaardig stuk. Toch twee vragen:

1. Waaruit volgt dat het onverbindend verklaren van een regel voor een ieder geldt, en het 'slechts' buiten toepassing laten alleen voor de procespartijen? In het arrest Prijzenbeschikking medische specialisten uit 1983 bevestigde de HR dat de Prijzenbeschikking (een a.v.v.) onmiskenbaar onverbindend was en niet mocht worden toegepast. Toch bepaalde hij expliciet dat het verbod van toepassing slechts gevolgen had voor de procespartijen. Derden konden slechts profiteren van het praktische gevolg dat de rechter in andere gevallen dezelfde uitspraak zou doen.

2.Is de 'contra legem' jurisprudentie inderdaad een uitzondering op het verbod om wetten te toetsen aan fundamentele rechtsbeginselen? Gaat het bij deze jurisprudentie niet veleer om het toetsen van het handelen van het de wet toepassende bestuur, waarbij de wet zelf buiten schot blijft? Zie in dit verband het arrest Agrarische waardebepaling uit 1978. De wet zelf stond in deze zaak niet ter discussie, maar wel het feit dat de belastinginspecteur het vertrouwen had gewekt dat de wet niet (strikt) zou worden toegepast. In het Harmonisatiewetarrest stond de wet zelf wel ter discussie. De HR zegt ook impliciet: als je bezwaren tegen de toepassing van de wet zijn te herleiden tot de wet zelf, dan kan de contra legem leer geen toepassing vinden.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: