Artikel 272 Wetboek van strafrecht – mag je lekken uit de ministerraad?

door WV op 30/09/2009

in Haagse vierkante kilometer

We hebben in Nederland een heus verbod op uit de school klappen. Artikel 272 Wetboek van Strafrecht. Het eerste lid daarvan luidt:

‘Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.’

Nooit bedoeld om verstoorde verhoudingen in de ministerraad recht te trekken, maar enfin. Maar als de voorzitter – als testimonium paupertatis (zeg maar: teken van onmacht) – toch besluit aangifte te doen over ‘lekkende’ leden in of kennissen van de ministerraad, dan zijn er mogelijk wel wat staatsrechtelijke complicaties. Zo komt de geheimhoudingsplicht uit de ministerraad niet voor in enige ‘echte’ wetttelijke norm. Artikel 26 van het Reglement van Orde van de voor de ministerraad (RvORvM) is geen ‘wettelijk voorschrift’ in de zin van artikel 272 Wetboek van Strafrecht. Het RvORvM werkt en bindt slechts ‘intern’ en niet extern zoals een echt wettelijk voorschrift. Nu zou je kunnen zeggen dat het uit hoofde van het ambt of redelijk vermoeden toch strafbaar is, maar klip en klaar ligt dat niet. Wordt nog lastig, maar eigenlijk wil je de rechter toch niet over slechte verhoudingen in het kabinet laten beslissen. Toch?

Wim Voermans

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 Ans Hengels 30/09/2009 om 22:10

Ligt het werkelijk juridisch zo ingewikkeld? De geheimhoudingsplicht van artikel 26 RvOMR is dan wel geen 'echt' wettelijk voorschrift, maar een bindend besluit is het zeker (tenzij we uiteraard de discussie willen gaan overdoen of dit kb op straffe van onverbindendheid in de vorm van een AMvB moet worden gegoten; de oude drukken van Van der Pot wijdden hier vele pagina's aan). Voor deelnemers aan vergaderingen is dus zonneklaar wat zij wel en niet mogen. Uit hun ambt vloeit voort dat zij niet uit de school mogen klappen, en voor artikel 272 Sr is dat voldoende.

Ambtenaren die toegang hebben tot de notulen van de ministerraad (en dat zijn er naar verluidt niet veel) zullen zich nog wel herinneren wat in hun functieomschrijving stond: kan goed met vertrouwelijke informatie omgaan. Hun VOG meldt dat zij dat inderdaad kunnen. Tijdens sollicitatie- en functioneringsgesprekken zijn zij meerdere malen gewezen op hun ambtsplicht, die ongetwijfeld in de aanstellingsbeschikkingen is terug te vinden. En de ambtseed? Daar wordt toch ook iets gezegd over 'zaken die mij uit hoofde van mijn functie vertrouwelijk ter kennis komen of waarvan ik het vertrouwelijke karakter moet inzien'.

De werkelijk relevante vraag wordt door de auteur aan het einde gesteld. Inderdaad is de actie van onze premier een typisch staaltje Huilenbalkenende.

2 wim voermans 01/10/2009 om 12:39

Hele terechte en scherpzinnige opmerkingen van Ans Hengels, maar bij mij blijft 272 WvSr in combinatie met artikel 1 WvSr toch als een graat in de keel steken. Het gaat hier wel om een misdrijf en om dan de schending van een wat losjes in elkaar gestoken geheimhoudingsplicht uit een niet extern werkend reglement daarvoor de basis te laten zijn, vind ik erg ver gaan. En let wel mw. Hengels, de ministers en staatssecretarissen zijn niet uit hoofde van hun ambt, maar op titel van artikel 26 RvORvM tot geheimhouding verplicht. Voor ambtenaren ligt het, ingevolge artikel 125, vierde lid, van de Ambtenarenwet, natuurlijk duidelijker dat er een geheimhoudingsplicht is. Dat is een specifieke, volwaardige wettelijke basis. Die is er voor ministers en staatssecretarissen niet.

Wim Voermans

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: