Asielbeleid is soms erg onmensenrechtelijk

door Ingezonden op 29/06/2013

in Grondrechten, Haagse vierkante kilometer

Post image for Asielbeleid is soms erg onmensenrechtelijk

Mensenrechten zijn soms erg onmenselijk. Dat betoogde dr. Peter van Krieken, scheidend topambtenaar bij het ministerie van justitie, in een opiniestuk dat op vrijdag 7 juni jl. in het NRC Handelsblad verscheen. Volgens Van Krieken heeft het recht, meer in het bijzonder mensenrechten, een remmende en zelfs blokkerende werking bij het ten uitvoer leggen van asielbeleid. De uitvoering van het beleid kan niet van de grond komen als juristen steeds maar met hun snufferd vooraan staan om op de naleving van mensenrechten te wijzen, aldus Van Krieken. Het is schokkend dat een ambtenaar met jarenlange ervaring op het gebied van asiel en migratie zo’n houding jegens het recht heeft.

Staten hebben regelgeving in het leven geroepen om te bepalen wanneer iemand aanspraak maakt op bescherming van een andere dan zijn of haar eigen staat, en waar die bescherming vervolgens uit bestaat. Een dergelijke aanspraak krijg je niet zomaar: je moet voldoen aan verschillende, strenge criteria voordat je het label ‘vluchteling’ krijgt. En dat is goed ook, want het bieden van bescherming kost geld, en geld kan maar één keer uitgegeven worden. Het asielbeleid is door overheden dus zelf juridisch ingekaderd. Bij de toepassing van die juridische kaders faciliteren juristen, net zoals bij de toepassing van economische theorieën economen betrokken zijn.

De criteria waaraan een persoon moet voldoen, zijn niet uit de lucht komen vallen. Met de vervolging van joden door het nazi-regime nog vers in het geheugen kwamen staten direct na de Tweede Wereldoorlog bij elkaar om afspraken te maken op het gebied van bescherming van vluchtelingen. Het Vluchtelingenverdrag uit 1951 was het gevolg. Dit verdrag is er niet door juristen doorheen gedrukt, evenmin als al die andere afspraken die sindsdien op Europees en internationaal niveau zijn gemaakt. Integendeel, het zijn de overheden die om de onderhandeltafel zitten om af te spreken hoe we met vluchtelingen om willen gaan.

Van Krieken klaagt dat juristen deze afspraken veel breder uitleggen dan ze ooit zijn bedoeld. Volgens hem ging het ‘vroeger’ alleen om bescherming tegen vervolging en het terugsturen van een vluchteling naar het land waar hij of zij gevaar loopt (‘non-refoulement’). Deze bescherming wordt wel de hoeksteen van het vluchtelingenrecht genoemd. Het Vluchtelingenverdrag bestaat echter uit meer dan één bepaling, hoewel dat Van Krieken lijkt te zijn ontgaan. Zo heeft een vluchteling bijvoorbeeld ook recht op onderwijs, werk en huisvesting – niet alleen nu, maar ook vroeger al.

Dat brengt ons bij een ander punt. Van Krieken acht het inroepen van die aanvullende bescherming, veelal bestaande uit economische en sociale rechten, problematisch. Dat werpen wij tegen. Het fundamentele probleem is dat overheden juist zijn gaan tornen aan verworvenheden waarvan wij – de juristen – dachten dat ze niet langer ter discussie stonden; zelfs het cruciale recht op bescherming tegen vervolging ligt (weer) onder vuur. Anders gezegd, staten pogen de piketpalen van het juridisch acceptabele te verplaatsen zonder daar voorafgaand over te onderhandelen en op een wijze die elementaire beginselen van het vluchtelingenrecht ondermijnt.

Dit is precies wat er in de zaak ‘Hirsi Jamaa vs. Italy’ is gebeurd. Bootvluchtelingen uit onder andere Somalië en Eritrea (het ‘Noord-Korea’ van Afrika) werden op de Middellandse Zee door Italië onderschept en teruggedreven in de handen van hun vervolgers. Dat is een schoolboekvoorbeeld van refoulement, en ook precies wat staten in 1951 in gedachten hadden toen ze het verbod op refoulement opschreven. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog waren er namelijk ook boten met joden teruggestuurd naar nazi-Duitsland. Daarom werd er een zaak aangespannen. En daarom liet het Europees Hof voor de Rechten van de Mens weinig heel van het optreden van de Italiaanse kustwacht.

Problematisch is dus niet zozeer dat mensenrechten, in dit geval rechten voor vluchtelingen, worden ingeroepen door juristen, maar dat ze niet nageleefd worden door de overheden die zich vrijwillig aan deze regels hebben gecommitteerd. Wanneer juristen overheden wijzen op het bestaan van die regels en hen manen tot naleving, noemt Van Krieken dat ‘schermen’ met het begrip mensenrechten. Een ‘overkill’, vindt hij het. Als juristen echt zo vaak een beroep doen op de rechten waar overheden zelf mee hebben ingestemd, dan wijst dat volgens ons niet op het bestaan van ‘doorgedraaide mensenrechten’. Het zegt eerder iets over het onmensenrechtelijke gehalte van het huidige asielbeleid.

Evelien van Roemburg en Isabelle Swerissen zijn als promovendi verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en doen onderzoek op het gebied van internationaal vluchtelingenrecht.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: