Bewijzen van wat zich in de peeskamer afspeelt II

door JAdB op 28/08/2013

in Bestuursrecht, Rechtspraak

Post image for Bewijzen van wat zich in de peeskamer afspeelt II

Eerder bespraken wij al een leuke zaak (juridisch gezien dan) over bestuursrechtelijk bewijsrecht. De zaak betrof een bordeel. In dit bordeel zouden seksuele handelingen zonder condoom worden verricht, mogelijk zelfs onder dwang van de eigenaar van het bordeel. De aanwijzingen die de burgemeester voor deze feiten had, waren: anonieme verklaringen afgelegd bij een vertrouwenspersoon, en recensies op internet, waaruit duidelijk werd dat in het betreffende bordeel ook diensten zonder condoom konden worden verkregen (“pzc” en “nzc”, in de codetaal van de betreffende recensenten – de betekenis daarvan is het lezerspubliek vast wel duidelijk). Aangezien dit op grond van de APV niet is toegestaan, wilde de burgemeester het bordeel sluiten. Dat gebeurde ook. In de daarop volgende procedure bij de rechtbank werd het besluit van de burgemeester echter vernietigd. De aanwijzingen waren onvoldoende concreet en verifieerbaar om de door de burgemeester gestelde feiten te kunnen dragen. Daarbij kwam dat prostituees die in het bordeel werkzaam waren met naam en toenaam hadden verklaard dat de onoirbare praktijken niet plaatsvonden. De burgemeester ging van deze uitspraak in hoger beroep. Dit hoger beroep is op 21 augustus jl. door de Afdeling ongegrond verklaard.

Wat de uitspraak van de Afdeling interessant maakt, is dat de Afdeling zich heel expliciet uitlaat over de bewijsvoeringsproblematiek. Dat zie je niet vaak. Hieronder een korte weergave van de belangrijkste overwegingen.

De Afdeling overweegt eerst iets over de bewijslastverdeling:

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bij de intrekking van een exploitatievergunning aan de burgemeester is om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor de uitoefening van zijn bevoegdheid tot intrekking is voldaan. De burgemeester dient hiervoor de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren. De last om voldoende feiten te stellen en waar nodig te bewijzen ligt bij de burgemeester.

Tot zover niets bijzonders. Het is meestal zo dat bij ambtshalve beschikkingen het bestuursorgaan de bewijslast draagt. Bij beschikkingen op aanvraag rust de bewijslast juist meestal op de aanvrager. Op deze uitgangspunten zijn redelijk wat uitzonderingen, zoals de “vuistregel” dat degene die een beroep doet op een uitzondering, de bewijslast draagt van de aanwezigheid van de betreffende uitzondering. Voorbeeld: iemand krijgt een last onder dwangsom opgelegd wegens gebruik in strijd met het bestemmingsplan, maar deze persoon beroept zich op de sauverende werking van het overgangsrecht. In deze casus is het normaal gesproken aan het bestuursorgaan om de strijd met het bestemmingsplan te bewijzen. Als het daar in slaagt, dient de burger te bewijzen dat het overgangsrecht (de uitzondering) op hem van toepassing is.

In dezelfde rechtsoverweging doet de Afdeling ook een uitspraak over de wijze waarop bewijs moet worden gewaardeerd:

De feiten en omstandigheden die aan de intrekking van de exploitatievergunning ten grondslag liggen moeten bovendien voldoende concreet, objectief en verifieerbaar zijn.

Allereerst valt op dat de Afdeling zich een beetje klungelig uitdrukt. De feiten en omstandigheden – de harde werkelijkheid, zullen we maar zeggen – zijn altijd concreet en objectief. Het gaat erom hoe men die feiten en omstandigheden bewijst. Met andere woorden: het bewijs (de aanwijzingen) van de gestelde feiten en omstandigheden dient concreet, objectief, en verifieerbaar te zijn. Ondanks dat geeft de Afdeling hier toch richting aan rechter en bestuur bij vragen over bewijswaardering. Het is misschien niet veel, maar het is in ieder geval meer dan bijvoorbeeld Schlössels en Zijlstra in hun handboek Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat schrijven: “Over de bewijswaardering kunnen we kort zijn. Dit betreft een verantwoordelijkheid van de rechter. Hij beschikt hier over veel vrijheid. Welke mate van zekerheid de bestuursrechter ten aanzien van het vaststaan van relevante feiten verlangt (…) kan niet in het algemeen worden aangegeven.”

Het probleem in de onderhavige zaak zit hem vanzelfsprekend in de verifieerbaarheid. Er is enkel sprake van anonieme verklaringen (van prostituees en van recensenten op internet). Bovendien is een deel daarvan ook nog “van horen zeggen”. Het is weliswaar zo dat de verklaringen elkaar ondersteunen, maar, zo overweegt de Afdeling, er is geen concreet en verifieerbaar bewijs dat het niet-verifieerbare bewijs ondersteunt. Het enige wel verifieerbare bewijs is afkomstig van niet-anonieme verklaringen van prostituees, die stellen dat er niets aan de hand is. De burgemeester kan dus niet voldoen aan zijn bewijslast. De burgemeester probeerde zich daar nog onder uit te wurmen, door te stellen dat hij in een lastige bewijspositie verkeert en dat het belang van de bescherming van prostituees noopt tot het soepeler waarderen van bewijs. De Afdeling maakt daarmee korte metten:

Dat de burgemeester, naar hij stelt, in een lastige bewijspositie verkeert wanneer het gaat om misstanden in de prostitutiebranche, laat zijn uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voortvloeiende verplichtingen onverlet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, indien de burgemeester problemen ondervindt bij het toezicht op de naleving van de in de Apv opgenomen artikelen met betrekking tot de eisen die worden gesteld aan de exploitatie van een prostitutiebedrijf, hij een toezichthouder had kunnen aanwijzen, aan wie op grond van titel 5.2 van de Awb verscheidene standaardbevoegdheden toekomen. Voor het oordeel dat het belang van een veilige en gezonde werkomgeving voor prostituees en klanten een correctie op de bewijsplicht rechtvaardigt, biedt de Awb geen grond.

Dat laatste is weer een mooi voorbeeld van een motivering die geen motivering is. Er zijn tal van jurisprudentiële uitzonderingsregels op het door de bestuursrechter gevormde bestuursrechtelijk bewijsrecht. Die vinden ook geen grondslag in de Awb – de Awb bevat immers geen (expliciete) bewijsregels – dus dat kan geen zelfstandige reden te zijn om een uitzondering op het in de jursprudentie gevormde systeem van de hand te wijzen.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 Super De Boer 29/08/2013 om 11:05

8) Gzc.*

*gelezen; zonder commentaar

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: