Boekreview: Europe’s Constitutional Court

door GB op 13/08/2010

in Recensies

In de dissertatie van Allard Knook staat deze observatie van prof. Eric Stein uit 1981 centraal:

Tucked away in the fairyland Duchy of Luxemburg and blessed, until recently, with the benign neglect by the powers that be and the mass media, the Court of Justice of the European Communities has fashioned a constitutional framework for a federal-type structure in Europe.

Het inmiddels een gemeenplaats geworden (‘the most cited sentence in European law studies’) maar het is niet eenvoudig om vast te stellen wat er nu precies met dit fenomeen bedoeld wordt en waar het vandaan komt. Het klinkt alsof een boer zijn boerderij op een gegeven moment zelf omdoopt tot officiële dierentuin om vervolgens olifantenverblijven te gaan timmeren. Maar dat is het niet helemaal. Het Hof is niet alleen aanjager, het is ook onderdeel van een veel bredere ‘constitutionalizing of the European legal order’. Alleen al deze wisselwerking tussen aanjager en volger maakt het moeilijk om de constitutionele rol van Hof van Justitie te analyseren en te evalueren.

Knook gebruikt twee invalshoeken. In de eerste plaats nog een observatie van prof. Stein, namelijk dat het geheim zit in een ‘constitutional mode’ van verdragsuitlegging. Wat dat precies is, wordt niet duidelijk. Maar het is in ieder geval een aanwijzing. De tweede invalshoek is een vergelijking met het Amerikaanse Supreme Court. Dat Hof is evident een constitutional court, zodat het de moeite waard is om te bekijken of in de overeenkomsten en verschillen met deze rechterlijke instantie steutels liggen tot een beter begrip van de ‘constitionele rol’ van het Hof.

De hoofdmoot van het onderzoek vergelijkt telkens jurisprudentie van het Supreme Court met die van het Hof van Justitie op onderwerpen van constitutionele aard. Om te beginnen de machtenscheiding zelf. Die geldt zowel horizontaal (in de Trias) als verticaal (verhouding Unie/(lid)staten). Zoals bekend, positioneerde Chief Justice Marshall het Supreme Court als de constitutionele arbiter van institutionele kwesties. Als de macht volgens de Grondwet ‘limited’ moeten zijn, zo redeneerde Marshall, dan moet iemand die ‘limits’ in de gaten houden. En juist de rechter is uitgevonden ‘to say what the law is’. Knook laat zien dat het Hof van Justitie zich in een vergelijkbare positie gemanouvreerd heeft. Al in in 1958 trok het Hof zich de behartiging van de ‘institutional balance’ tussen de verschillende Europese organen aan. Het Hof hield bijvoorbeeld goed in de gaten of het Europees Parlement voldoende gehoord was en verzekerde de mogelijkheden voor de instellingen om bij het Hof te klagen of aangeklaagd te worden. Het Hof ontwikkelde ook het principe van de loyale samenwerking, en daarmee ruime mogelijkheden om te toetsen of gedrag van instellingen onrechtmatig of willekeurig is. Het eindpunt van deze ontwikkeling is het Hof als de ‘ultimate and exclusive authority over the interpretation of constitutional rules it had itself created’. Toen het Hof een keer doorbeet, door de regulering van tabaksreclame ultra vires te oordelen, bleek het Hof inderdaad in staat was om zich als hoogste constitutionele rechter te gedragen: beslissend oordelend in kwesties van bevoegdheidsverdeling.

Net als het Supreme Court biedt het Hof van Justitie dus constitutionele oplossingen voor constitutionele vragen. Knook zoekt echter verder naar de ‘constitutional mode’ van verdragsuitlegging die het Hof volgens prof. Stein zou beoefenen. Knook spreekt wel af en toe van een ‘constitutional method of interpretation’ van het Hof zonder dat het helemaal duidelijk wordt wat hij daar nu precies mee bedoelt. Het boek legt een paar keer een verband met ‘wide interpretation’, maar het is uiteindelijk – als ik het goed zie – een soort teleologische interpretatie. Het gaat om rechtelijk redeneren dat de  achterliggende bedoeling van de tekst of leerstuk voorop stelt en zich bewust is van de gevolgen die een bepaalde inhoudelijke uitspraak zal hebben voor de institutionele structuur van de Europese Unie. Knook groepeert dat alles samen tot ‘judicial functionalism’.

Het ‘judicial functionalism’ van het Hof wordt bekritiseerd vanuit het zogenaamde ‘legal formalism’, volgens de bekende lijnen: de rechter laat zich te weinig gelegen liggen aan tekst en bedoeling van het verdrag; het Hof is te ‘activistisch’. Maar als we meenemen dat het Hof constitutionele oplossingen probeert te formuleren voor constitutionele vraagstukken – een constitutional court is – dan past het ‘judicial functionalism’ best aardig tussen de manieren waarop andere constitutionele hoven redeneren.

Is de sky dan de ‘limit’ voor een constitutionele rechter? Niet helemaal. Knook acht de grens bereikt als het Hof te weinig respect zou tonen voor de Hoge Verdragsluitende Partijen in de Europese Unie. Dat zou ‘usurping the role of the Constitutional Legislature’ zijn. Maar verder zijn de grenzen voor de rechterlijke macht inderdaad grotendeels een vorm van rechterlijke zelfbeperking geworden. Knook laat dat zien bij de Amerikaans-Europese vergelijkingen over de political question en over de subsidiariteit. Dan is het veelal de rechter zelf die zijn handen er geheel (door een politieke kwestie aan te nemen) of gedeeltelijk (door marginaal te toetsen) vanaf trekt. Overigens blijkt het Hof deze zelfbeperking in de praktijk heel behoorlijk te beoefenen.

Een lastig element in het onderzoek blijft wel dat het begrip ‘constitutional court’ uiteindelijk niet helemaal scherp wordt en ook verschillende functies vervult. Aan het begin van het boek is het een vrij eenvoudige defintie: als je een constitutie hebt, dan is de club die in laatste instantie beslist over de interpretatie van die constitutie het ‘Constiutional Court’. Maar die defintie blijft niet helemaal scherp. Aan het einde van het boek lijkt een ‘Constitutional Court’ bijvoorbeeld niet alleen de ultieme, maar ook de exclusieve bevoegdheid tot interpretatie te bezitten. Bovendien gebruikt Knook het begrip ‘Constitutional Court’ ook om een normatief oordeel over het gedrag van het Hof te vellen. Daarvoor worden stellingen betrokken als: ‘It is part of the constitutional role that the court must adhere strictly to the criteria as articulated by the constitutional legislature and consequently only marignally apply these criteria.’  Waar komt dat criterium vandaan? In ieder geval was het mij niet altijd even duidelijk wanneer het begrip gebruikt werd als een manier om de jurisprudentie van het Hof beter te kunnen begrijpen en wanneer om de rol van het Hof beter te kunnen beoordelen.

Dat stoort echter nauwelijks, omdat de vele dwarsverbanden tussen het Supreme Court en het Hof van Justitie eigenlijk voor zich spreken. Als dat doorgetrokken wordt naar de de kwestie van de bescherming van fundamentele rechten, dan kan de toekomst wel zo’n beetje uitgetekend worden. Net als de Founding Fathers toen, is het nu evident niet de bedoeling dat het Hof zich gaat bezighouden met grondrechtenbescherming tegenover de lidstaten. Maar het Supreme Court heeft dat via een interpretatieve constructie (incorporatie in het 14e amendement) toch gedaan. We moeten ze dus in de gaten houden, daar in het ‘fairyland Duchy of Luxemburg.’

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: