Boekreview: Horizontale werking van grondrechten

door PWdH op 01/12/2010

in Grondrechten, Recensies

Post image for Boekreview: Horizontale werking van grondrechten

Enige tijd geleden promoveerde Bart de Vos op Horizontale werking van grondrechten. Een kritiek. Het boek is niet volgens een probleemstelling gestructureerd, maar presenteert zich ‘direct als een uitgewerkte conclusie’. Inderdaad gaat vanaf de eerste pagina het gas er op en daarbij worden nogal wat heilige huisjes omver gereden. Volgens De Vos is de inzet van grondrechten in privaatrechtelijke geschillen niet alleen een overbodig en overschat fenomeen – het privaatrecht kan zelf de was wel doen – maar zelfs schadelijk. 

Onder horizontale werking van grondrechten verstaat het proefschrift de inzet van grondrechten – ooit in het leven geroepen als verweermiddel tegen de Staat en niet tegen medeburgers – in onversneden vorm in verhoudingen tussen privaatrechtelijke partijen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een huurder die een schotelantenne wil installeren en zich tegenover de verhuurder beroept op zijn recht op vrijheid van meningsuiting. 

De ‘heersende teneur’ in de doctrine wil volgens De Vos dat horizontale werking een ‘sterk innoverende rechtsfiguur [is] die binnen het privaatrecht (…) een vooralsnog ontbrekende waardeoriëntatie importeert in verlossing van de aldaar naar sommigen nog steeds heersende laissez faire-ideologie’. Tegen deze teneur zet hij zich af:

Niet betreft horizontale werking een hemelbestormende innovatie, maar eerder een zwak onderbouwd en diffuus leerstuk dat voornamelijk niet meer dan een terminologische wissel voorstaat (hertaling van belangen in fundamentele rechten), weinig van de haar toegedichte kwaliteiten werkelijk verwezenlijken kan en als kers op de taart zelfs malicieuze kantjes heeft.

De Vos heeft ongetwijfeld gelijk als hij stelt dat het privaatrecht ook zonder de inzet van grondrechten de vraag of een huurder het recht heeft een schotel te installeren kan beantwoorden. En ook dat grondrechten in onversneden vorm te abstract zijn om concrete geschillen af te handelen, zeker als daarbij geen gebruik kan worden gemaakt van beperkingsclausules geschreven voor verticale verhoudingen. Uiteindelijk komt het steeds neer op de afweging van belangen van partijen in het licht van de omstandigheden van het geval en dat was altijd al de core business van het privaatrecht.

Als dat zo is, is de vraag wat er erg aan is als deze belangen kracht bij worden gezet met een beroep op een grondrecht. De Vos hekelt dit oneigenlijke gebruik omdat het louter retorisch is en niet is gebaseerd op de inhoud van de ingeroepen grondrechten zelf. Ze worden slechts gebruikt vanwege hun ‘inpasbaarheid binnen een vooropgestelde argumentatie’.

Maar is dat echt ‘malicieus’? In het slothoofdstuk ‘Horizontale werking als trojan‘ voert De Vos drie argumenten aan. Hij vreest een devaluatie van het vrijheidsbegrip, als gevolg van de  in zijn ogen onwenselijke verschuiving van de (negatieve) afgrenzing van vrijheid naar de (positieve) bevordering van ‘human dignity’. In dit verband verwijst hij naar het verbod op ‘dwergwerpen’. Dit is onwenselijk, omdat het de vrijheid bedreigt: kleine mensen zouden er zelf voor moeten kunnen kiezen als vermaak voor anderen te fungeren. De vrijheid wordt ook bedreigd door het idee dat ‘zwakke’ partijen moeten worden beschermd. Tevens betoogt De Vos dat grondrechten als ‘rookgordijn’ de werkelijke afweging die de rechter maakt verhullen (een ‘fundamenteelrechtelijke decor’). Ten slotte leidt intensief horizontaal gebruik van grondrechten voor triviale zaken tot grondrechtsinflatie.

Ik weet niet of ik hiervan overtuigd ben. De omgekeerde vraag – wat is de toegevoegde waarde van inzet van grondrechten in privaatrechtelijke verhoudingen anders dan een retorische – is evenmin eenvoudig te beantwoorden. Een mogelijkheid is retoriek positief uitleggen als ‘inspiratie’: grondrechten bieden dan nieuwe perspectieven op klassieke leerstukken. Een rechtvaardiging zou ook kunnen worden gevonden in het idee dat handhaving van grondrechten niet alleen een zaak is van overheden en burgers maar ook van burgers onderling. Hoe dan ook stelt De Vos dit probleem op een verfrissende en erudiete wijze aan de orde.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 RvdW 02/12/2010 om 20:51

“Verzwakking van het negatieve vrijheidsbegrip ten gunste van positieve bescherming van vrijheid is onwenselijk.”

“Nietes.” “Welles.” “Nietes.” “Welles.”

Natuurlijk is het verleidelijk voor juristen om zich in dit soort discussies te mengen. Wij beschikken echter niet over de middelen om een echt waardevolle bijdrage aan de oplossing te leveren. Hopelijk komt spoedig de tijd dat dit soort kwesties wordt overgelaten aan andere wetenschappen.

2 PWdH 03/12/2010 om 08:26

Eens met welles nietes-gehalte. Maar waarom zouden juristen daar geen waardevolle bijdrage aan kunnen leveren? En als we dat aan andere wetenschappen overlaten, wat hebben we dan nog wel te zeggen?

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: