Boekreview: Michael M. Sage: The Republican Roman Army – a Sourcebook

door LD op 12/01/2010

in Recensies

Post image for Boekreview: Michael M. Sage: The Republican Roman Army – a Sourcebook

De lezer zou zich kunnen afvragen wat een bronnenboek over het leger van de Romeinse Republiek te maken heeft met Publiekrecht & Politiek. Het antwoord moet luiden: veel. Anders dan in moderne westerse democratieën gebruikelijk is, bestond in de Romeinse Republiek (509-27 v. Chr.) geen scheiding tussen militaire en civiele ambten. Die scheiding zou pas tijdens de Keizertijd worden aangebracht en pas in de late 3e eeuw na Christus vorm krijgen. Onder de Republiek waren de politici tevens militaire leiders en vice versa: succes op het slagveld was in veel gevallen een voorwaarde om politiek carrière te kunnen maken en een hoog politiek ambt als dat van (pro)praetor of (pro)consul bood mogelijkheden voor nieuwe militaire campagnes. Militaire campagnes beloofden rijke buit, buit die de politici, die zich om hun ambt te verwerven vaak diep in de schulden hadden gestoken, maar al te hard nodig hadden. Bestudering van het Republikeinse Romeinse leger is ook van groot belang om de ondergang van de Republiek beter te kunnen begrijpen. De Romeinse politiek werd vanaf het begin gekenmerkt door felle verkiezingsstrijd en hoge ambities. Toch zou het in de Vroege en Midden Republiek vrijwel ondenkbaar zijn geweest dat een verongelijkte generaal zijn troepen naar de hoofdstad zou dirigeren om die te bezetten en zijn politieke tegenstanders te verjagen. In de late Republiek kwam dat vaak voor: Sulla deed het, Marcus Aemilius Lepidus probeerde het, en Caesar is waarschijnlijk de bekendste staatsman die met zijn troepen naar Rome oprukte. De veranderde aard en samenstelling van het Romeinse leger bieden een verklaring voor het hiervoor beschreven fenomeen.

Lees verder

Het aardige aan het bronnenboek van Sage is dat hij zich niet alleen op de technische kant van het oorlogvoeren richt, maar het Romeinse leger van de Republiek in zijn politieke en sociale context plaatst. Met betrekking tot de aard en samenstelling van de Romeinse legioenen en cohorten hulptroepen laat de auteur zien dat er door de eeuwen heen sprake is geweest van zowel consolidatie als verandering. Wat in bijna 500 jaar niet verandert, is het feit dat het Romeinse leger in essentie een niet-permanent leger van dienstplichtige burgers is, zo men wil een burgermilitie. Alle mannelijke burgers tussen de 17 en 46 jaar zijn verplicht de res publica (letterlijk ‘gemeenschappelijke zaak’) te dienen als zij onder de wapenen worden geroepen. De diensttijd bedraagt maximaal 16 jaar (20 in geval van nood) voor infanteristen en 10 jaar voor ruiters. Niemand mag een politiek ambt bekleden voordat hij 10 jaar heeft gediend (al zullen daar later vele uitzonderingen op worden gemaakt). Zodra een militaire campagne beëindigd is (in de Vroege Republiek: als het oorlogsseizoen eind oktober ten einde loopt), worden de legioenen ontbonden en worden de soldaten naar huis gestuurd. 

Het leger van Republiek bestond dus uit dienstplichtige Romeinse burgers (en hulptroepen die werden geleverd door Romes bondgenoten). Wat in de loop der eeuwen echter sterk veranderde, was welke Romeinse burgers werden opgeroepen om hun dienstplicht te vervullen. Aan de hand van met name Livius en Dionysius van Halicarnassus laat de auteur zien dat in het vroege Republikeinse leger vooral een beroep werd gedaan op de gegoede burgerij. De elite leverde de ruiterij en de zware infanterie, de middenklasse leverde de minder zwaar bewapenden en de armste klassen waren vrijgesteld van militaire dienst. Gezien het feit dat iedere burger geacht werd voor zijn eigen wapenrusting te zorgen, behoeft het geen verbazing te wekken dat juist een beroep werd gedaan op die burgers die daartoe gelet op hun vermogenspositie ook in staat waren. De sociale samenstelling van het leger werkte vervolgens door in de samenstelling van een van de belangrijkste Romeinse volksvergaderingen, de comitia centuriata, die de hoogste magistraten koos en besliste over oorlog en vrede. Deze bestond uit 193 stemeenheden genaamd centuriae. Iedere Romeinse burger maakte deel uit van een centuria, afhankelijk van zijn vermogen. De burgers die tot de equites (‘ridders’) en de eerste vermogensklasse behoorden werden verspreid over de eerste 98 (later 88) centuriae, en hadden daarom bij de verkiezing van o.a. de consuls, praetors en censors een veel zwaarder wegende stem dan burgers uit lagere vermogensklassen. De gedachte is duidelijk: burgers die zwaardere militaire lasten dragen en in een oorlog het meeste te verliezen hebben, dienen navenant meer politieke zeggenschap in de volksvergadering te hebben. ‘One man, one vote’ werd in deze volksvergadering dan ook afgewezen.

Het Romeinse leger van de Vroege Republiek heeft dus bepaalde aristocratische trekjes. Dat kan niet gezegd worden van het leger van de Midden Republiek. De belangrijkste bron hier is Polybius, een Griek uit Megalopolis die tussen 167 en 150 voor Christus als gijzelaar in Rome verbleef en vriendschap sloot met belangrijke Romeinse politici en generaals van die tijd. De ruggengraat van het Romeinse leger in de tijd van Polybius is de bezittende middenklasse, de boeren die een niet al te groot stuk land bezitten en daarop met hun familie het boerenbedrijf uitoefenen. De elite levert nog steeds de ruiterij, zij het soms met tegenzin, hetgeen ook blijkt uit het feit dat de Romeinen steeds meer gebruik gaan maken van ruiterij van niet-Italiaanse bondgenoten. Jongeren uit aristocratische families, voor wie een grootse politieke carrière in het verschiet ligt, vervullen vaak hun dienstplicht in een veiliger baantje, zoals dat van contubernalis (tentgenoot; een staffunctie) van een familielid. De allerarmsten worden alleen gebruikt als roeiers voor de vloot. Nog steeds wordt van Romeinse burgers verlangd dat zij hun eigen wapenrusting – zwaard, werpspiezen, schild, borstpantser, helm, al naar gelang wat men zich kan veroorloven – meebrengen naar het slagveld, maar op deze basisregel worden zeker in tijden van nood uitzonderingen gemaakt. Op het hoogtepunt van de oorlog met Romes aartsvijand Carthago worden bijvoorbeeld wapens, schilden en pantsers uit de tempels gehaald om maar zo veel mogelijk Romeinse burgers, en zelfs slaven en veroordeelde criminelen, in de legioenen in te lijven. De veranderde sociale samenstelling van het leger heeft overigens geen gevolgen voor de samenstelling van de comitia centuriata: die wordt nog steeds gedomineerd door de hogere vermogensklassen. Er heeft waarschijnlijk wel een (niet met zoveel woorden in de bronnen terug te vinden) lichte aanpassing in het aantal aan de equites en burgers van classis I toegewezen centuriae plaatsgevonden, maar in het conservatieve Rome bestond klaarblijkelijk behoefte aan het handhaven van een instituut waarin verdienste, rijkdom en leeftijd een dominante rol speelden, aldus de Britse historicus Andrew Lintott. De opmerking over ‘leeftijd’ slaat op het feit dat de helft van de centuriae waren toegewezen aan seniores, burgers van boven de 46 jaar, op wie alleen in gevallen van nood nog militaire verplichtingen rustten, bijvoorbeeld het verdedigen van de stad.

Het feit dat het leger van de Midden Republiek zwaar leunde op boeren uit de middenklassen, had voor- en nadelen. Tot de voordelen behoorde het feit dat het leger relatief goedkoop was: de soldaten kregen weliswaar betaald, maar zeker aanvankelijk had deze betaling meer weg van een schadeloosstelling voor het enige maanden niet kunnen runnen van het eigen bedrijf. Na een militaire campagne kon het leger ontbonden worden en konden de boeren terug naar hun boerderijen. Ook het feit dat de soldaten hun eigen wapens en andere uitrusting meenamen en vaders geacht werden hun zoons in het gebruik ervan te onderwijzen, drukte de kosten. Het probleem was echter dat het Rome van de Midden Republiek groeide als kool en door successen in binnen- en buitenlandse oorlogen land in Italië, Afrika, Spanje, Zuid-Frankrijk en Griekenland aan zijn grondgebied toevoegde. Zeker in Spanje leidde dat tot langdurige conflicten met de lokale bevolking. Rome moest dus steeds vaker een beroep doen op zijn burgers om voor langere perioden ver van huis dienst te doen. Dat leidde tot problemen voor de boeren, die hun bedrijfjes niet zo lang onbeheerd achter konden laten. Bovendien was het vervullen van de dienstplicht in de onherbergzame streken, waar ook nog eens weinig buit te behalen was, weinig populair en extreem gevaarlijk. Als een soldaat het al overleefde en terug kon keren naar zijn boerderij, dan bestond de kans dat die inmiddels over de kop was gegaan, of was ingelijfd in een latifundium (grootschalig landbouwbedrijf) van een rijke grootgrondbezitter. Veldtochten in het rijke oosten, tegen bijvoorbeeld de Macedonische en Seleucidische koningen, waren daarentegen populair. Die tegenstanders waren doorgaans na een nederlaag snel bereid tot een vredesverdrag te komen en een hoge schatting te betalen. Voor oorlogen in het oosten waren dan ook vaak genoeg vrijwilligers te vinden.

Niettemin ontstonden er rond 150 voor Christus grote problemen bij het lichten van voldoende soldaten. Burgers weigerden, daarbij soms gesteund door volkstribunen die politiek garen hoopten te spinnen, dienst te doen in Spanje. De Staat reageerde door de vermogenseisen om dienst te doen te verlagen (de auteur toont dit aan de hand van teksten van Polybius en Cicero aan) en tegelijkertijd steeds vaker over te gaan tot het van overheidswege verstrekken van wapens en pantsers. Ook een beroemde volkstribuun als Tiberius Gracchus (168-133 v. Chr.) probeerde het aantal burgers dat dienst kon doen in het leger op te krikken door een lex agraria: publiek land moest worden herverdeeld onder arme, bezitloze burgers, zodat zij als nieuw onderdeel van de bezittende klasse in het leger konden worden ingelijfd. Het plan kostte Gracchus de kop, vooral omdat zijn conservatieve politieke tegenstanders meenden dat de man niet alleen sociale doelen najoeg, maar ook en vooral zijn eigen politieke carrière een impuls wilde geven en stemmen wilde winnen. De meest ingrijpende oplossing wordt traditioneel toegeschreven aan Gaius Marius (157-86 v. Chr.). Als eerste rekruteerde hij een deel van zijn soldaten uit de klasse van de proletarii, de bezitlozen (letterlijk: zij die alleen hun kroost – proles – bezitten). Uiteraard is het nu aan de bevelvoerende generaal of de Staat om deze mensen van een uitrusting te voorzien en voor hun betaling zorg te dragen. Anders de boeren uit het Midden Republikeinse leger hebben de proletarii geen burgerlijk leven om na hun militaire dienst op terug te vallen. Voor hen wordt het dienen in de legioenen een beroep. Zo begint de opmaat naar de vorming van een professioneel leger.

De vondst van Marius, het eindpunt van een reeks kleinere hervormingen, leverde Rome voldoende soldaten op om haar gezag in de reeds geannexeerde provincies te consolideren, buiten haar grenzen te interveniëren in conflicten waar zij zelf belang bij had, en nieuwe gebieden aan haar Rijk toe te voegen. Een probleem met de veranderde samenstelling van de legers was wel dat de loyaliteit daarbinnen verschoof van loyaliteit aan de Staat naar loyaliteit aan de eigen generaal. De burgers uit de bezittende middenklassen hadden geen enkel belang om hun generaals te volgen in een mars op Rome. Dat zou immers een aanval betekenen op de staat waarvan zij zelf de ruggengraat vormden. Voor de uit de proletarii gerekruteerde soldaten lag dat duidelijk anders: zij trokken voor langere tijd op met een generaal, met wie zij een sterke band konden opbouwen (de band van Caesar met zijn manschappen was legendarisch). Formeel droeg de Staat zorg voor de betaling van de soldij, maar een goede generaal vulde dat karige salaris doorgaans aan met extra bonussen en beloningen (donativa). Bovendien deden de generaals vaak beloften aan de manschappen over wat er na hun diensttijd zou gebeuren: dan kregen zij land in Italië of in de provinciën toegewezen waar zij een eigen bedrijfje konden beginnen. De Romeinse soldaat werd op deze manier afhankelijk van zijn generaal en was bereid hem te volgen waarheen hij maar wilde. Als Lucius Cornelius Sulla in 88 voor Christus zijn soldaten beveelt richting Rome op te rukken, weigeren de meeste van zijn officieren, maar geven de legioensoldaten direct gehoor aan het bevel. Bij de marsen van Lepidus in 77 voor Christus en Caesar in 49 voor Christus was het niet veel anders.

Bij het voorgaande moet bedacht worden dat ook de generaal afhankelijk werd van zijn manschappen. Caesar weigerde bijvoorbeeld zijn commando neer te leggen en zijn legioenen te ontbinden, omdat dat hem zijn bescherming tegen een (politieke) vervolging zou ontnemen. Bovendien moest de Romeinse generaal rekening houden met de woede en macht van zijn soldaten op het moment dat hij zijn beloften niet nakwam. Sulla, Pompeius, Caesar en Octavianus (de latere keizer Augustus) hebben zich allen grote moeite moeten getroosten om voldoende land te vinden om veteranen te kunnen vestigen. Zo’n vestiging had doorgaans zeer grote en zelfs ontwrichtende gevolgen voor de streek waarin zij plaats vond: land moest worden onteigend, goedschiks (Caesar) of kwaadschiks (Sulla, Octavianus) en heel nieuwe gemeenschappen van veteranen moesten worden gesticht. Een belangrijke verandering vond plaats onder Augustus: na 14 voor Christus werd doorgaans geen land meer toegekend aan veteranen. In plaats daarvan kreeg een soldaat na zijn diensttijd een pensioen in de vorm van een som ineens. Onder Augustus wordt de transformatie van burgermilitie naar professioneel staand leger voltooid. De legioenen worden permanente legereenheden, met eigen namen en nummers, en bemand door carrièresoldaten uit de laagste klassen (en ook steeds vaker niet uit Italië afkomstig). Wat echter blijft is het ontbreken van een scheiding tussen militaire en civiele ambten: de legaten van de keizer zijn in de provinciën zowel de hoogste civiele als militaire autoriteit.

Bovenstaande ontwikkeling wordt in The Republican Roman Army – a Sourcebook overtuigend en met veel oog voor details beschreven. Sterk is dat Michael M. Sage ook veel aandacht heeft voor de positie van de bondgenoten van de Romeinen, die vaak meer dan de helft van de soldaten voor het Romeinse leger leverden, maar in de bronnen doorgaans onderbelicht blijven. De auteur gebruikt een keur aan klassieke bronnen, zoals Livius, Dionysius van Halicarnassus, Polybius, Cicero, Sallustius, Caesar, Plutarchus, Appianus en Vegetius. Daarbij laat hij terecht niet na op de gebreken van deze bronnen te wijzen: de geschriften zijn vaak incompleet, en de schrijvers nogal eens ter zake niet deskundig, bevooroordeeld en naïef. Een nog groter probleem is dat zij vaak schrijven over perioden waarin zij zelf niet leefden. Dit geldt vooral voor de oudste geschiedenis van de Republiek. Het is dan aan de hedendaagse historicus om de klassieke bronnen te analyseren en te waarderen. En daar schiet het boek van Michael M. Sage mijns inziens nogal eens tekort. Regelmatig verwijst hij naar niet verder toegelichte discussies tussen auteurs die anoniem blijven, waaruit dan blijkbaar naar voren komt dat een bepaalde bewering van een klassieke auteur wel of niet juist is. Voor de lezer zijn dergelijke conclusies nauwelijks te controleren. Achterin het boek zijn weliswaar per paragraaf lijstjes met beschikbare moderne literatuur opgenomen, maar welke auteur nu welk standpunt huldigt en – vooral – waarom wordt daaruit niet duidelijk. Persoonlijk vind ik het zeer vermoeiend om keer op keer te moeten lezen “hierover bestaat in academische kringen veel discussie, maar de meerderheid van de schrijvers is geneigd aan te nemen dat Polybius het bij het rechte eind heeft”.

Wat ook tegenvalt, is dat de bewering op de achterflap van het boek, te weten “The author has carefully selected and translated key texts, many of them not previously available in English”, geen moment waar gemaakt kan worden. Van alle hiervoor genoemde auteurs zijn al bijna een eeuw lang Engelstalige versies beschikbaar dankzij de Loeb serie. Geïnteresseerde lezers kunnen dankzij sites als Lacus Curtius gratis van de Loeb-vertalingen kennisnemen waarvan het auteursrecht inmiddels is vervallen. Voor auteurs als Festus, Aulus Gellius en Livius Adronicus geldt dat in mindere mate, maar die zijn voor de bestudering van het Romeinse leger dan ook van aanzienlijk minder belang. De enige nieuwe teksten die in het boek worden besproken dragen vaak ronkende titels als Ineditum Vaticanum 3 maar bevatten doorgaans weinig nieuwe informatie. Dat de key texts ‘carefully translated’ zijn, is ook nog wel eens bezijden de waarheid. Sage gebruikt bijvoorbeeld in zijn boek tweemaal een citaat uit het werk van Caesar (De Bello Gallico 2.25), maar in de eerste vertaling speelt een centurion de hoofdrol, terwijl in de tweede versie Caesar de protagonist is. Bij bestudering van het Latijnse origineel blijkt alleen de laatste versie juist te zijn. Sowieso had de redacteur van het boek wel wat kritischer door het manuscript mogen gaan, want de tekst barst van de fouten. Soms zijn die zowaar komisch. Wat te denken van de volgende misser: “There were ten cohorts to a legion (…) The most common [formation] seems to have been a formation in three lines with four [cohorts] in the first line, four in the second and three in the third”. Dan kom ik toch echt uit op elf cohorten…

Ondanks de geconstateerde gebreken is Michael M. Sage: The Republican Roman Army – a Sourcebook een nuttig naslagwerk en een goede introductie in de complexe materie van het Romeinse leger. Zelf prefereer ik echter het werk van de Britse historicus Adrian Goldsworthy. Al was het alleen maar omdat die een stuk beter schrijft dan Sage.

{ 4 reacties… read them below or add one }

1 FJJ 12/01/2010 om 16:44

Welk werk van Adrian Goldsworthy bedoel je precies? Roman Warfare? of the Complete Roman Army?

2 FTG 12/01/2010 om 19:37

Mooi stuk!

3 LD 13/01/2010 om 09:49

@ FJJ:

Beide werken zijn uitstekend. Verder raad ik 'In the Name of Rome: The Men Who Won the Roman Empire' aan, een boek met ca. 15 mini-biografieën van Romeinse veldheren. In het eerste gedeelte van het boek staan generaals uit de Republikeinse periode centraal, die zoals reeds gezegd tegelijkertijd politici waren. Goldworthy's vuistdikke biografie van Caesar is ook een aanrader en een mooie schets van het extreem competitieve klimaat van de late Republiek.

@ FTG:

Dank u beleefd.

4 FJJ 13/01/2010 om 09:55

Keuze genoeg dus, dank.

Reactie achterlaten

{ 2 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: