Boerkaverboden: ‘coming to a state near you’

door Ingezonden op 21/10/2011

in België, Buitenland, Grondrechten, Haagse vierkante kilometer

Het heeft er alle schijn van dat Nederland binnenkort Frankrijk en België zal volgen in het aannemen van wetgeving die het dragen van boerka’s in het openbaar verbiedt. Naar alle verwachting zal nog tegen het einde van dit jaar een wetsvoorstel worden ingediend dat het dragen van boerka’s strafbaar stelt met een boete van 380 Euro. Hoewel Frankrijk het eerste West-Europese land was dat een verbod introduceerde en België in 2011 volgde, is de discussie in Nederland van ouder datum. De Tweede kamer nam al in 2005 een motie aan waarin de regering verzocht werd een algemeen boerkaverbod uit te vaardigen en twee initiatiefvoorstellen van dezelfde strekking volgden in 2007 (wetsvoorstel-Wilders en Fritsma) en in 2008 (wetsvoorstel-Kamp). Ditmaal ziet het er echter naar uit dat het ook werkelijk tot wetgeving komt.

De democratische legitimiteit van wetgeving is ontegenzeggelijk van groot belang, maar wetten moeten evenzeer in overeenstemming zijn met rechtsstatelijke eisen; ze moeten bijvoorbeeld grondrechten respecteren. Het is in dit licht de moeite waard te kijken naar het Franse debat. De Franse constitutionele rechter (Conseil Constitutionnel) achtte het in Frankrijk ingevoerde wettelijke verbod in overeenstemming met de grondwet terwijl de Franse Raad van State serieuze twijfel uitspreekt over algemene boerkaverboden, en erop wijst dat dergelijke verboden eigenlijk alleen mogelijk zijn in zeer specifieke omstandigheden. Bij het tot stand brengen van de Belgische wet werd de Belgische Raad van State niet om advies gevraagd. De grondwettelijkheid van de wet op het verbod op gezichtsbedekkende kleding zal nu worden getoetst door het Grondwettelijk Hof, dat de bevoegdheid heeft wetgeving te vernietigen. De Nederlandse Raad van State heeft zich tot nog toe enkel in adviserende zin uitgesproken over het voorstel-Wilders/Fritsma en betoonde zich uiterst kritisch jegens dit wetsvoorstel, dat zich enkel keerde tegen twee vormen van gezichtsbedekking, de boerka en de nikaab. Een dergelijke directe discriminatie tegen een (groep aanhangers van een) specifieke geloofsovertuiging is problematisch. Hierin ligt een belangrijk verschil met de in Frankrijk en België ingestelde verboden die in beginsel gericht zijn tegen alle gezichtsbedekking, ongeacht het al dan niet religieuze motief voor de verboden handelwijze. Deze lijn zal vermoedelijk ook terug te vinden zijn in het aangekondigde Nederlandse wetsvoorstel, dat nu voor advies bij de Raad van State ligt.

Elk boerkaverbod zal echter, afgezien van de nationale constitutionele vereisten, in overeenstemming moeten zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Het in 2010 uitgesproken arrest Arslan t. Turkije, een uitspraak die de Franse Raad van State betrok in zijn kritische overwegingen, voedt de twijfels over de weerslag die boerkaverboden kunnen hebben op het recht op vrijheid van godsdienst (art. 9 EVRM). Kort gezegd komt het oordeel van het Hof erop neer dat het in het publiek (op straten en pleinen) van religieuze kleding door gewone burgers niet eenvoudigweg verboden kan worden, zonder dat er geen concreet veiligheidsrisico bestaat. Uitgaande van de twijfels die de Franse en Nederlandse Raad van State reeds uitten op het punt van het al dan niet bestaan van een reëel veiligheidsrisico, moet men er niet al te makkelijk van uitgaan dat het hof in Straatburg toegeeflijker zal zijn op dit punt. Een andere argumentatie ten gunste van een boerkaverbod gaat ervan uit dat het verbod noodzakelijk is om de communicatie tussen personen te bevorderen, een openbare orde-argument. Deze redeneerlijn roept echter vragen op omtrent de overheidstaak: is het aan de overheid om uit te maken hoe het menselijke gezichtsvertoon is in het publiek, hoe het publiek er letterlijk uitziet, ook waar het de keuze betreft van gewone burgers? Het gevecht voor of tegen algemene boerkaverboden is voorlopig niet voorbij.

Misschien begint het pas.

Gerhard van der Schyff (Universiteit van Tilburg) en Adriaan Overbeeke (Vrije Universiteit/Universiteit Antwerpen) In European Constitutional Law Review verschijnt in december een uitgebreid artikel over deze kwestie van hun hand.

{ 7 reacties… read them below or add one }

1 a.zecha 21/10/2011 om 16:24

Mijns inziens moet het zogenoemde “boerkaverbod” dat door de Staat der Nederlanden verordonneerd dreigt te worden, niet slechts door een atheïstische of christelijke koker worden bezien.

Het EVRM zal mijns inziens ook de individuele vrijheid van keuze in kleedwijze van mensen beschermen naast de individuele vrijheid om volgens een overtuiging, filosofie, religie of godsdienst te leven.

Vastgesteld kan worden dat de PR-industrie van de media en die van de politici vaak paralelle wegen bewandelen terwijl media hun taak ruimer kunnen nemen.

Afgezien van het laatstvermelde ben ik de mening toegedaan dat het EHRM het “boerkaverbod” als in strijd met het EVRM zal veroordelen.
Mijns inziens heel terecht vermits een “boerka-draagplicht” een overeenkomstige totalitaire waarde vertegenwoordigt als een “boerka-verbod”.
a.zecha

2 Martin Holterman 21/10/2011 om 17:13

@a.zecha: Dat zat ik me inderdaad al af te vragen, of deze kwestie niet als een inbreuk op het recht op “private life” van art. 8 EVRM gezien kan worden. Maar het lijkt me vrijwel zeker dat hier geen jurisprudentie over zal zijn.

3 Joke Mizée 21/10/2011 om 20:07

In juli j.l. stelde de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa, Thomas Hammarberg: “Het verbod kan een schending van de Europese normen voor de rechten van de mens inhouden, vooral het recht op een privéleven en een persoonlijke identiteit.” De VVD meende toen dat hij zich niet met politiek moest bemoeien, maar dat sloeg wellicht vooral op zijn toevoeging dat het hier gaat om “een treurige capitulatie voor de vooroordelen van xenofoben”.

4 PB 22/10/2011 om 10:24

Wat bij deze reacties wordt vergeten, is dat het in feite om meer gaat dan alleen maar een inbreuk op het recht van een individu zich te kleden op een bepaalde manier. Waar het in feite om gaat is de wens de eenheid van de politieke gemeenschap te waarborgen. Groepen in de samenleving die zichzelf segregeren van de politieke gemeenschap hebben de potentie een eigen politieke en rechtsgemeenschap te gaan vormen binnen in de eigenlijke politieke gemeenschap (een staat binnen een staat). De potentie, want het hangt van de groep zelf af. De Boerka is een ultieme vorm van zelfsegregatie van een bepaalde groep moslims die de Umma niet alleen als een geestelijke en sociale gemeenschap, maar ook als een politieke en rechtsgemeenschap zien. De maatregelen tegen de Boerka zijn dan ook enkel het begin van maatregelen die de overheid zal willen nemen om te verzekeren dat er geen staat binnen een staat ontstaat.
Moslims die de Umma zien als een politieke en rechtsgemeenschap, door bijvoorbeeld het gezag van de OIC over hen te erkennen, zijn in deze optiek een gevaar voor de nationale politieke gemeenschap. En vergis je niet, er zijn veel moslims die worstelen met de vraag hoe hun trouw tot de Umma als politieke gemeenschap zich verhoudt tot trouw aan de staat waar zij deel van uitmaken, zeker wanneer deze staat geen onderdeel is van de Umma.

Mijn voorspelling is dat het Boerka-verbod enkel het begin is van een serie maatregelen om politieke zelfsegregatie binnen de islamitische gemeenschap te voorkomen.

5 Ewald Vervaet 22/10/2011 om 16:25

Boerkaverbod
Volgens Peter Giesen (de Volkskrant, 19 september) is het boerkaverbod dat in de maak is, een ‘te grof middel ter bestrijding van een onwenselijke uiting van vroomheid’. Het dragen van een boerka ziet hij als een ‘religieus gebruik’ dat zijn rechtvaardiging heeft in de vrijheid van godsdienst. Ik ben het zeer met hem oneens.
Om te beginnen hanteren de Nederlandse wetgever en Peter Giesen een onhoudbare opvatting van vrijheid van godsdienst. Het dragen van een gezichtbedekkend kledingstuk in de openbare ruimte is in de eerste plaats een buitensluiting van elke andere medegebruiker van die ruimte. Zelfs als daar louter vroomheid achter zit, is dat het geval. Er zijn echter ook gevallen bekend waarin bankovervallers zich in deze ‘vrome kledij’ hullen om aan bewakingscamera’s te ontsnappen. Aan het dragen van een boerka kunnen we iemands vroomheid dus niet aflezen.
Vrijheid van godsdienst dient dan ook ingeperkt te worden tot zuiver religieuze aangelegenheden: ik mag geloven dat er één God is maar ook dat er geen is of dat er duizenden zijn; ik mag geloven dat Gabriël een verzonnen wezen is, een gewone engel, een bijzondere engel die de koran aan Mohammed heeft geopenbaard; enzovoort.
Het dragen van een boerka daarentegen is een tussenmenselijke aangelegenheid die op religieus vlak een symbolische betekenis heeft en met religieuze middelen wordt gelegitimeerd door bepaalde koranverzen op een bepaalde manier te duiden.
Vervolgens trekt Giesen de boerka geheel in de sfeer van het directe tussenmenselijke verkeer. In het onderwijs moeten docent en leerlingen elkaars gezicht kunnen zien. Bij een klant en een winkelbediende en in andere werksituaties dient dat ook het geval te zijn. Dat ziet Giesen correct: juist in een open samenleving als de onze dienen deelnemers aan het openbare verkeer herkenbaar te zijn voor elkaar. Het gaat echter dieper dan dat.
De boerka is niet zomaar een stuk textiel dat mensen van elkaar scheidt, maar een uiting van de eenheid van kerk en staat, die door soennieten en sjiieten wordt aangehangen. En daarmee staat de boerka haaks op de scheiding van kerk en staat als onderdeel van de democratische rechtsorde. Een boerkadraagster zegt niet alleen nee tegen haar medegebruikers van de openbare ruimte, maar ook tegen het fundament van de westerse samenleving. Daarom acht ik een verbod op zijn plaats.
Toch ben ik niet voor een algeheel boerkaverbod. Omdat de boerka ook een religieus symbool, is het dragen ervan alleen in religieuze contekst op zijn plaats. Wat mij betreft mag de boerka in de openbare ruimte gedragen worden als een vrouw op weg is van huis naar de moskee en terug. Elke dag in de maand ramadan; alleen op vrijdag in de overige maanden – binnen een redelijke termijn voor, tijdens (voor laatkomers) en na het vrijdaggebed.
Ewald Vervaet Amsterdam

6 Martin Holterman 23/10/2011 om 16:25

@PB: En wat geeft de staat het recht om ervoor te waken dat er geen staat binnen een staat ontstaat? De staat heeft middels het geweldsmonopolie het recht en de mogelijkheid om gehoorzaamheid aan haar wetten af te dwingen. Als burgers zich verder ook nog aan andere regels onderwerpen, dan zie ik niet in hoe dat de staat iets aangaat.

7 PB 24/10/2011 om 13:35

@ Dat hangt er natuurlijk een beetje vanaf wat je politieke ideeen zijn over de inrichting van de samenleving en de positie van de overheid. Meer progressieve richtingen neigen naar meer beheersing van het sociale leven en zijn daarom kritisch richting andersoortige gemeenschappen die zich onttrekken aan staatscontrole, bijvoorbeeld bij het bijzonder onderwijs. Meer conservatief-liberale richtingen neigen naar meer vrijheid voor het burgerlijke leven. Mijn eigen visie neigt naar de laatste. Dus ik ben het in beginsel met je eens dat groepen zelf andere regels mogen hebben waar de overheid niet overgaat. Maar eigenlijk gaat het dan vooral om de vraag waar die regels over gaan en hoever zij daarin mogen gaan. M.i. is de neiging thans vrij progressief en naar meer staatscontrole over het sociale leven dan niet.

De bedoeling van mijn reactie was aan te geven dat islamitische bevolkingen de neiging hebben zichzelf te segregeren van de niet-islamitische samenleving. (De Boerka is een ultieme vorm van zelfsegregatie). Moslims zien zichzelf over het algemeen allereerst als een onderdeel van de Umma, en dat heeft ook politieke en sociale gevolgen. Het ontstaan van islamitische gemeenschappen in het westen vormen daarom een grote uitdaging op dit gebied van privaatrecht, familierecht, strafrecht, en plaatselijk bestuur. Hoe ga je bijvoorbeeld om met polygamie en informele shariahuwelijken, zelf-handhaving in moslimgemeenschappen, sharia-financing, islamitische arbitrage ingeval van conflicten waarbij strafrecht speelt, etc. En hoe ga je om met buitenlandse inmenging als het gaat om de rechten van moslimgemeenschappen in het westen, bijvoorbeeld door het land van herkomst zoals Turkije of Marokko, maar ook door de Organisatie van de Islamitische Cooperatie of door een toekomstige Islamistische Unie van staten in het midden-oosten?

In het westen zijn we op zoek naar grenzen en manieren hiermee om te gaan omdat we de eenheid van onze politieke gemeenschap willen bewaren. De integratienota van Donner was een trendbreuk door dit feit een beetje te erkennen.
Moslims moeten dus worden geintegreerd in die gemeenschap. Dan gaan we grenzen stellen en ruimte bieden. De Boerka is nu zo’n grens. Ik denk dat er meer zullen komen, niet minder. Een voorbeeld van een andere grens is het dragen van hoofddoeken op scholen. Arabisch/Turks-nationalistische staten hebben hier ook altijd op ingezet om de invloed van islamitisch separatisme tegen te gaan.

Zelf ben ik nog een beetje opzoek naar een standpunt hierover, maar het is in elk geval een ingewikkelder probleem dan alleen het recht van deze vrouwen een boerka te dragen.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: