Brandweerkosten

door JAdB op 09/02/2011

in Bestuursrecht, Rechtspraak

In de categorie: hoe was het ook alweer? Zojuist verscheen het bericht dat de heer Van der Velden, voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, van plan is de schade als gevolg van de brand bij ChemiePack te verhalen – ik vermoed op ChemiePack.

De kansen van dit schadeverhaal schat ik op voorhand niet hoog in. Nog los van het feit dat ChemiePack waarschijnlijk niet zo solvabel meer is, is er namelijk jurisprudentie van de Hoge Raad die zich verzet tegen verhaal van kosten voor de inzet van hulpdiensten (als brandweer) op burgers (het zogeheten Brandweerkosten-arrest, HR 11 december 1992, AB 1993, 301). De Hoge Raad overweegt in dit arrest:

De onderdelen 2c, 3, 4 en 5a stellen de vraag aan de orde of een overheidslichaam dat bij de uitoefening van een hem bij een publiekrechtelijke regeling opgedragen publieke taak kosten heeft gemaakt, deze kosten langs privaatrechtelijke weg kan verhalen. (…) Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van soortgelijke maatstaven als die welke zijn aanvaard in HR 26 jan. 1990, NJ 1991, 393 (Windmill). Wanneer de publiekrechtelijke regeling niet in beantwoording van de vraag voorziet, is beslissend of kostenverhaal via het privaatrecht die regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist. Daarbij moet onder meer worden gelet op de inhoud en strekking van de regeling (die ook kan blijken uit haar geschiedenis), zulks mede in verband met de aard van de taak en de aard van de kosten. Van belang hierbij is dat, wanneer verhaal van kosten langs publiekrechtelijke weg is uitgesloten, zulks een belangrijke aanwijzing is dat verhaal van kosten langs privaatrechtelijke weg ook is uitgesloten.
Tegen deze achtergrond kan over verhaal van kosten als onderhavige dit worden gezegd.
De Brandweerwet 1985 bevat op het onderhavige punt geen regeling. Uit de in de conclusie OM, noot 26, vermelde passages uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever van oordeel was dat het niet aangaat kosten van de hier aan de orde zijnde publieke taakuitoefening langs een publiekrechtelijke weg aan burgers in rekening te brengen. (…) Tenslotte valt erop te wijzen dat het hier gaat om een kerntaak van de overheid, welke van oudsher door haar is uitgeoefend zonder dat kosten in rekening werden gebracht.
 
Uit een en ander volgt dat verhaal langs publiekrechtelijke weg van kosten als de onderhavige is uitgesloten.
Dat lijkt me dus een lastig verhaal te worden.
Tenzij iemand hier nog een list weet?

{ 7 reacties… read them below or add one }

1 Ruudt 10/02/2011 om 17:29

Voor wat betreft de kosten van het blussen heb je gelijk.

Toch nog een list(je)? Misschien. De jurisprudentie biedt mogelijkheden om schade die niet voor rekening van gemeente (of Veiligheidsregio) hoort te komen, wel te verhalen op het bedrijf (lees: verzekeringsmaatschappij).
In de media werd bijv. gesproken over enorm hoge kosten die samenhingen met het opruimen van vervuild bluswater. Kennelijk is de gemeente zo slim geweest om eerst aan het bedrijf zelf te vragen om de boel op te ruimen. Pas toen men dat niet binnen de gestelde termijn deed, heeft de gemeente daar alsnog zelf een bedrijf voor ingeschakeld In zulke gevallen kan de gemeente zich wellicht beroepen op (bijv.) een uitspraak van het Hof Den Haag, waarin het ging om het opruimen van asbest na brand. http://www.vng.nl/smartsite.dws?id=86491

2 JAdB 10/02/2011 om 18:40

Interessant.

Toch vraag ik me af of de door jou aangehaalde uitspraak ook van toepassing is op het geval Chemie Pack. In die uitspraak was immers aan de orde het opruimen van asbestdeeltjes. Dat opruimen is verplicht op grond van het milieurecht, en was direct te herleiden tot de (aan de overtreder) toe te rekenen brand in de schuur waaruit de asbest uiteindelijk voortkwam. In dit geval denk ik dat ook te betogen valt dat het opruimen van vervuild bluswater zodanig nauw samenhangt met bluswerkzaamheden, dat de twee niet van elkaar kunnen worden onderscheiden, zodat zij beide als kerntaak van de overheid moeten worden beschouwd. Maar dat is absoluut geen zekerheid.

Dank voor de reactie!

3 Ruudt 11/02/2011 om 09:57

Als de gemeente Moerdijk snel wat ijverige advocaten zoekt, dan hoeven we – met een beetje geluk – slechts enkele jaartjes te wachten op het arrest Brandweerkosten Moerdijk. Dan zullen we het antwoord weten.

4 JADB 11/02/2011 om 10:29

Is er trouwens nog een milieurechtelijke verplichting voor Chemie Pack om het vervuilde bluswater op te ruimen? In dat geval kan natuurlijk gewoon bestuursdwang + kostenverhaal worden toegepast.

5 Ruudt 11/02/2011 om 13:46

Volgens de Raad van State wel. Er is dus nog hoop voor Moerdijk (en het waterschap).

http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=brabantse delta&verdict_id=31394&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200707345/1&utm_term=brabantse delta

6 Robert B. 13/02/2011 om 13:11

Bovenstaande uitspraak heb ik een keer geannoteerd. Hieronder gekopieerd en geplakt.

Annotatie bij uitspraak

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 15 oktober 2008, LJN BF8999

Kostenverhaal bestuursdwang, begrip overtreder.

Casus

Inleiding
Op 3 september 2006 heeft in het bedrijfspand van appellante, CZL Tilburg BV (verder: CZL) een brand gewoed. De brandweer heeft bluswerkzaamheden uitgevoerd, waarbij verontreinigd bluswater in het oppervlaktewater is geraakt. Om verdere verspreiding van de verontreiniging te voorkomen heeft verweerder, het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta (verder: dagelijks bestuur), bestuursdwang toegepast. In het kader van de bestuursdwang zijn onder meer sloten gedeeltelijk leeggepompt en tijdelijk gronddammen aangebracht. Het dagelijks bestuur heeft in zijn besluit van 6 september 2006 beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening komen van CZL. Een jaar later op 6 september 2007 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door CZL gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het beroep van CZL, ingesteld tegen het besluit op bezwaar, richt zich uitsluitend tegen de beslissing van het dagelijks bestuur om de kosten van de toepassing van bestuursdwang op CZL te verhalen.

CZL betoogt dat zij niet als overtreder kan worden gezien. Dit wordt door het bedrijf nader onderbouwd door te aan te voeren dat het de brandweer was die het verontreinigde bluswater daadwerkelijk in het oppervlaktewater heeft gebracht. Verder stelt CZL dat de verontreiniging van het oppervlaktewater haar niet kan worden aangerekend, omdat het bedrijf zelf geen bluswerkzaamheden heeft uitge¬voerd, de brandweer niet heeft gewaarschuwd en geen invloed heeft gehad op de bluswerkzaamheden van de brandweer.

Juridisch kader
Het in het oppervlaktewater brengen van afvalstoffen, verontreinigde stoffen of
schadelijke stoffen met of zonder behulp van een werk is zonder vergunning verboden op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (verder: Wvo) in samenhang gelezen met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Verontreiniging oppervlaktewateren (verder: Uitvoeringsbesluit).

Voor de toepassing van bestuursdwang is afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van toepassing. Uit artikel 5:25, eerste lid, van de Awb blijkt dat het de overtreder is die de kosten van de bestuursdwang verschuldigd is, tenzij de kosten niet of niet gedeeltelijk redelijkerwijze ten laste van hem behoren te komen.

Rechtvragen
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) diende bij de beoordeling van deze casus twee rechtsvragen te beantwoorden:
– Kan degene die niet zelf de overtredende handeling feitelijk heeft uitgevoerd en ook daartoe geen opdracht heeft geven wel als overtreder worden aangemerkt?
– Is het niet onredelijk om de kosten van de toepassing van bestuursdwang te verhalen op de overtreder die niet verwijtbaar heeft gehandeld?

In deze annotatie zal worden ingegaan op de eerste rechtsvraag. Ten aanzien van de tweede rechtsvraag valt nog het volgende op te merken. Uit de vaste jurisprudentie blijkt dat het kostenverhaal alleen de redelijkheidstoets -zoals bedoeld in artikel 5:25, eerste lid, van de Awb- niet kan doorstaan in het geval van bijzondere omstandigheden of de combinatie van niet-verwijtbaarheid en een sterke betrokkenheid van het algemeen belang. CZL heeft slechts aangevoerd dat het niet-verwijtbaar zou hebben gehandeld. Gelet op de jurisprudentie missen voor een succesvol betoog de sterke betrokkenheid van het algemeen belang of eventuele bijzondere omstandigheden. De eerste rechtsvraag in relatie met een eerdere uitspraak van de Afdeling uit 2000 is echter veel interessanter.

Wel of geen overtreder?
De Afdeling overweegt in overweging 2.5.2 dat “uit artikel 5:25, eerste lid, van de Awb volgt dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang uitsluitend kunnen worden verhaald op de overtreder. De overtreder is degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk schendt. De Afdeling overweegt dat dat in de eerste plaats degene is die de verboden handeling fysiek verricht; daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet feitelijk begaat, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk te houden en derhalve als overtreder worden aangemerkt.”

Het dagelijks bestuur betoogt dat het bluswater afkomstig is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer is en dat daarom de drijver van de inrichting gezien moet worden als degene die de overtreding feitelijk heeft begaan. De Afdeling volgt deze redenering van het waterschap niet. De Afdeling geeft aan dat in artikel 1 van de Wvo en artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit geen verwijzingen zijn opgenomen naar inrichtingen of de drijver daarvan. Daarnaast overweegt de Afdeling dat appellante niet heeft deelgenomen aan de bluswerkzaamheden en ook anderszins geen handelingen heeft uitgevoerd die hebben bijgedragen tot verontreiniging van het oppervlaktewater. De Afdeling concludeert dat in dit geval niet kan worden geoordeeld dat CZL degene is die de overtreding feitelijk heeft begaan.

Vervolgens krijgt de uitspraak van de Afdeling een bijzondere wending. De Afdeling is namelijk van oordeel dat de overtreding weliswaar niet feitelijk door CZL is begaan, maar dat deze wel CZL kan worden toegerekend. De Afdeling overweegt dat de bluswerkzaamheden feitelijk moeten worden geacht in opdracht van CZL te zijn verricht. De verweren van CZL dat het bedrijf de brandweer niet heeft gewaarschuwd, CZL geen invloed op het blussen door de brandweer heeft gehad en dat de brandweer het pand gewoon had mogen uitbranden overtuigen niet. De Afdeling is van oordeel dat de brand¬bestrijding in een bedrijf door de brandweer in het algemeen moet worden geacht de gevolgen van de brand beperken en dat de gevolgen daarvan aan het bedrijf kunnen worden toegerekend. De Afdeling is daarom van oordeel dat het dagelijks bestuur terecht CZL als overtreder heeft aangemerkt.

7 Robert B. 13/02/2011 om 13:12

Bovenstaande uitspraak heb ik een keer geannoteerd. Hieronder gekopieerd en geplakt.

Annotatie bij uitspraak

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 15 oktober 2008, LJN BF8999

Kostenverhaal bestuursdwang, begrip overtreder.

Casus

Inleiding
Op 3 september 2006 heeft in het bedrijfspand van appellante, CZL Tilburg BV (verder: CZL) een brand gewoed. De brandweer heeft bluswerkzaamheden uitgevoerd, waarbij verontreinigd bluswater in het oppervlaktewater is geraakt. Om verdere verspreiding van de verontreiniging te voorkomen heeft verweerder, het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta (verder: dagelijks bestuur), bestuursdwang toegepast. In het kader van de bestuursdwang zijn onder meer sloten gedeeltelijk leeggepompt en tijdelijk gronddammen aangebracht. Het dagelijks bestuur heeft in zijn besluit van 6 september 2006 beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening komen van CZL. Een jaar later op 6 september 2007 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door CZL gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het beroep van CZL, ingesteld tegen het besluit op bezwaar, richt zich uitsluitend tegen de beslissing van het dagelijks bestuur om de kosten van de toepassing van bestuursdwang op CZL te verhalen.

CZL betoogt dat zij niet als overtreder kan worden gezien. Dit wordt door het bedrijf nader onderbouwd door te aan te voeren dat het de brandweer was die het verontreinigde bluswater daadwerkelijk in het oppervlaktewater heeft gebracht. Verder stelt CZL dat de verontreiniging van het oppervlaktewater haar niet kan worden aangerekend, omdat het bedrijf zelf geen bluswerkzaamheden heeft uitge¬voerd, de brandweer niet heeft gewaarschuwd en geen invloed heeft gehad op de bluswerkzaamheden van de brandweer.

Juridisch kader
Het in het oppervlaktewater brengen van afvalstoffen, verontreinigde stoffen of
schadelijke stoffen met of zonder behulp van een werk is zonder vergunning verboden op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (verder: Wvo) in samenhang gelezen met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Verontreiniging oppervlaktewateren (verder: Uitvoeringsbesluit).

Voor de toepassing van bestuursdwang is afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van toepassing. Uit artikel 5:25, eerste lid, van de Awb blijkt dat het de overtreder is die de kosten van de bestuursdwang verschuldigd is, tenzij de kosten niet of niet gedeeltelijk redelijkerwijze ten laste van hem behoren te komen.

Rechtvragen
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) diende bij de beoordeling van deze casus twee rechtsvragen te beantwoorden:
– Kan degene die niet zelf de overtredende handeling feitelijk heeft uitgevoerd en ook daartoe geen opdracht heeft geven wel als overtreder worden aangemerkt?
– Is het niet onredelijk om de kosten van de toepassing van bestuursdwang te verhalen op de overtreder die niet verwijtbaar heeft gehandeld?

In deze annotatie zal worden ingegaan op de eerste rechtsvraag. Ten aanzien van de tweede rechtsvraag valt nog het volgende op te merken. Uit de vaste jurisprudentie blijkt dat het kostenverhaal alleen de redelijkheidstoets -zoals bedoeld in artikel 5:25, eerste lid, van de Awb- niet kan doorstaan in het geval van bijzondere omstandigheden of de combinatie van niet-verwijtbaarheid en een sterke betrokkenheid van het algemeen belang. CZL heeft slechts aangevoerd dat het niet-verwijtbaar zou hebben gehandeld. Gelet op de jurisprudentie missen voor een succesvol betoog de sterke betrokkenheid van het algemeen belang of eventuele bijzondere omstandigheden. De eerste rechtsvraag in relatie met een eerdere uitspraak van de Afdeling uit 2000 is echter veel interessanter.

Wel of geen overtreder?
De Afdeling overweegt in overweging 2.5.2 dat “uit artikel 5:25, eerste lid, van de Awb volgt dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang uitsluitend kunnen worden verhaald op de overtreder. De overtreder is degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk schendt. De Afdeling overweegt dat dat in de eerste plaats degene is die de verboden handeling fysiek verricht; daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet feitelijk begaat, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk te houden en derhalve als overtreder worden aangemerkt.”

Het dagelijks bestuur betoogt dat het bluswater afkomstig is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer is en dat daarom de drijver van de inrichting gezien moet worden als degene die de overtreding feitelijk heeft begaan. De Afdeling volgt deze redenering van het waterschap niet. De Afdeling geeft aan dat in artikel 1 van de Wvo en artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit geen verwijzingen zijn opgenomen naar inrichtingen of de drijver daarvan. Daarnaast overweegt de Afdeling dat appellante niet heeft deelgenomen aan de bluswerkzaamheden en ook anderszins geen handelingen heeft uitgevoerd die hebben bijgedragen tot verontreiniging van het oppervlaktewater. De Afdeling concludeert dat in dit geval niet kan worden geoordeeld dat CZL degene is die de overtreding feitelijk heeft begaan.

Vervolgens krijgt de uitspraak van de Afdeling een bijzondere wending. De Afdeling is namelijk van oordeel dat de overtreding weliswaar niet feitelijk door CZL is begaan, maar dat deze wel CZL kan worden toegerekend. De Afdeling overweegt dat de bluswerkzaamheden feitelijk moeten worden geacht in opdracht van CZL te zijn verricht. De verweren van CZL dat het bedrijf de brandweer niet heeft gewaarschuwd, CZL geen invloed op het blussen door de brandweer heeft gehad en dat de brandweer het pand gewoon had mogen uitbranden overtuigen niet. De Afdeling is van oordeel dat de brandbestrijding in een bedrijf door de brandweer in het algemeen moet worden geacht de gevolgen van de brand beperken en dat de gevolgen daarvan aan het bedrijf kunnen worden toegerekend. De Afdeling is daarom van oordeel dat het dagelijks bestuur terecht CZL als overtreder heeft aangemerkt.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: