BVerfG en uitkeringen

door GB op 17/02/2010

in Buitenland, Grondrechten, Rechtspraak

Het Bundesverfassungsgericht heeft Im Namen des Volkes ingegrepen in de sociale zekerheid. Verschillende sociale uitkeringen deugen niet. Daarvoor haalde het Hof niet de minste bepalingen van de Grundgesetz van stal: de menselijke waardigheid zelf moest er aan te pas komen. Die staat in artikel 1 lid 1 : ‘Die Würde des Menschen ist unantastbar. Sie zu achten und zu schützen ist Verpflichtung aller staatlichen Gewalt’. Verder steunde de uitspraak op artikel 20 lid 1: ‘Die Bundesrepublik Deutschland ist ein demokratischer und sozialer Bundesstaat’ en – waar het om kinderen gaat – op het ‘staatlichen Wächteramt’ uit artikel 6 lid 2 tweede volzin GG: ‘Über ihre Betätigung [d.w.z. die van de kinderen, GB] wacht die staatliche Gemeinschaft.’ Daarin ligt een ‘Grundrecht auf Gewährleistung eines menschenwürdigen Existenzminimums’ besloten, bestaande uit het recht op middelen om in leven te blijven en om minimaal aan het maatschappelijke, culturele en politieke leven deel te nemen.

Vanuit zulke abstracte begrippen de hoogte van een uitkering beoordelen is een interessant onderdeel van de rol van de rechter. Niet elke staatsrechtgeleerde wordt onmiddelijk enthousiast van die gedachte. Ik heb daarom een poging gedaan om iets van de uitspraak te begrijpen. Maar dat valt niet mee. Naar goed Duits gebruik is die even lang als een Amerikaanse en even onleesbaar als een Franse. Voor zover ik het kan overzien heeft het Bundesverfassungsgericht geen inhoudelijke uitspraak gedaan over de hoogte van de uitkeringen. Vanuit de Grondwet valt dat ook niet exact te becijferen. Wel acht het Hof het mogelijk om te beoordelen of de uitkeringen ‘evident unzureichend’ zijn, waarbij het zich eerder kan voorstellen dat iemand onvoldoende middelen heeft om fysiek te overleven, dan dat hij zou oordelen dat iemand niet in staat is gesteld aan het politieke leven deel te nemen. Van dergelijk evidente tekortkomingen is volgens het hof hier geen sprake.

Zo voorzichtig als het hof is op het materiele vlak, zo indringend gaat het er aan toe bij de vraag of de wetgever wel op een fatsoenlijke manier de hoogte van de uitkeringen vaststelt. De grondwettelijke norm hiervoor is volgens het hof:

Zur Konkretisierung des Anspruchs hat der Gesetzgeber alle existenznotwendigen Aufwendungen folgerichtig in einem transparenten und sachgerechten Verfahren nach dem tatsächlichen Bedarf, also realitätsgerecht, zu bemessen. Hierzu hat er zunächst die Bedarfsarten sowie die dafür aufzuwendenden Kosten zu ermitteln und auf dieser Basis die Höhe des Gesamtbedarfs zu bestimmen. (139)

Tegen die achtergrond schort er het een en ander aan. De overheid werkt bijvoorbeeld met gemiddelde werkelijke kosten die met de vereiste Grundlichkeit worden verzameld. De hoogte van de bijstand is daaraan gekoppeld. Niet voor 100%. Want in de gemiddelde uitgaven voor kleding zitten ook uitgaven voor bont en voor maatpakken. Dat hoort niet bij het bijstandsniveau, dus je krijgt maar 89 % wat er gemiddeld wordt uitgegeven aan kleding. Dan maar geen maatpak, aldus de Gesetzgeber. Het probleem hiermee is echter dat de uitgaven voor pelskleding waarschijnlijk niet in de laagste inkomensgroepen gedaan worden. Daarmee kan de aftrek dubbelhard aankomen bij uitkeringen, en kan de bijstand lager zakken dan het minimumniveau. En op dit soort punten haalt het Hof dan scherp uit:

Der Verordnungsgeber hat damit einen Anteil angeblich nicht der Sicherung des Existenzminimums dienender Ausgaben ohne hinreichende Tatsachengrundlage „ins Blaue hinein“ geschätzt und abgezogen, so dass von einer schlüssigen Ermittlung des regelleistungsrelevanten Verbrauchs insoweit keine Rede sein kann.

Zo blijft de rechter uit de buurt van inhoudelijke oordelen, maar zet hij er toch flink het mes in. Er zijn voldoende ‘neutrale’ breekijzers beschikbaar: het Diskriminierugsverbot, de Systemgerechtigkeit, Normenklarheit, Folgerichtigkeit of het Willkürverbot. Een mogelijk nadeel van dit soort rechterlijke toetsing is dat de wetgever kan denken dat hij veiliger zit als hij er zo min mogelijk over zegt. Maar die deur zit stevig dicht. Niet transparante en niet inzichtelijke methoden zijn direct in strijd met de Grondwet, aldus het hof.

Het resultaat is dan dat er een wettelijk systeem ligt dat niet op voorhand tot evident onacceptabele resultaten leidt. Bovendien kan uit de grondwet niet worden afgeleid hoe hoog de uitkering dan wel moet zijn, en het hof acht zich ook met zoveel woorden onbevoegd om zelf maar een inschatting te maken en daar een bedrag op te baseren. Toch is de bestaande regeling in strijd met de grondwet. De wetgever moet dus tot actie worden aangezet. In Nederland gaan dan alle alarmbellen af. Onze Hoge Raad probeert obsessief uit de buurt van de wetgevingsagenda te blijven. Hij wil de wetgever zelfs de vrijheid laten om een internationale plicht tot wetgeving te schenden. (Waterpakt) Zo moeilijk ligt dat in Duitsland niet. Het Bundesverfassungsgericht constateert dat de wetgever aan zet is, en hij verbindt er ook meteen maar een termijn aan. Voor het einde van het jaar moet het geregeld zijn. Tot die tijd moeten de Duitsers het blijven doen met de huidige regels. De nieuwe regels hoeven ook niet met terugwerkende kracht te worden vastgesteld. Deze grondwettelijke kwestie was namelijk nog niet eerder door de rechter aan de orde gesteld en terugwerkende kracht zou te forse gevolgen hebben in de staathuishouding.

Maar per 1 januari moet het gefixt zijn. Lukt het voor die datum niet, dan moet de nieuwe wet wel met terugwerkende kracht worden ingevoerd:

Sollte der Gesetzgeber allerdings seiner Pflicht zur Neuregelung bis zum 31. Dezember 2010 nicht nachgekommen sein, wäre ein pflichtwidrig später erlassenes Gesetz schon zum 1. Januar 2011 in Geltung zu setzen. 

Het gaat echter waarschijnlijk wel lukken. Westerwelle (FPD) vond het nog nodig om te klagen over ‘spätrömischer Dekadenz ‘ nu al die onrendabelen extra geld moesten krijgen. Maar Ursula von der Leyen (CDU) is echter al bezig om het te regelen, hoewel ze klaagde over de exorbitant korte termijn. Daar wil de scheidend president van het Bundesverfassungsgericht, Papier, niet van weten. Hij verzet zich sowieso tegen de kritiek:

Von einer Neubestimmung des Sozialstaats kann meines Erachtens keine Rede sein. Es ist präzisiert worden, was man unter dem Grundrecht auf Gewährleistung des menschenwürdigen Existenzminimums zu verstehen hat. Es sind eher Vorgaben für die Vorgehensweise des Gesetzgebers bei der Bemessung der Regelleistungen gemacht worden. Die Festsetzungen der Leistungen müssen auf der Grundlage verlässlicher Zahlen und schlüssiger Berechnungsverfahren tragfähig zu rechtfertigen sein. Zur konkreten Höhe der Regelleistungen des Arbeitslosengeldes II und zur Höhe des Sozialgeldes für Kinder hat das Bundesverfassungsgericht schon im Interesse der Gewaltenteilung nichts gesagt.

Vorige post:

Volgende post: