Column Jit Peters: Crisis in ons parlementair stelsel

door Redactie op 24/03/2009

in Haagse vierkante kilometer

In tijden van crisis bewijst een staatkundig model zijn kracht of zwakheid. Ons parlementair stelsel toont zijn zwakte op vier belangrijke onderdelen. Leiderschap is ver te zoeken, de rol van ons parlement als tegenwicht van de regering verdwijnt geheel, de openbaarheid van stukken op basis waarop beslissingen genomen worden is afwezig en de ministeriële verantwoordelijkheid voor crisismaatregelen wordt geweld aangedaan. Kortom de kredietcrisis in Nederland leidt ook tot een crisis in ons parlementairstelsel. Dat was wel te vermijden.

Polderoverleg behoort bij de Nederlandse parlementaire verhoudingen en zeker bij een drastische aanpassing van het regeerakkoord past breder overleg dan uitsluitend in de ministerraad. Daarom lijkt het logisch de factievoorzitters van de coalitiepartijen bij het overleg te betrekken. Een soort formatieoverleg volgens sommigen. Het past ook bij ons collectief besluitvormingsmodel om met zeven te overleggen in plaats van aan één de leiding toe te vertrouwen. Het duurt alleen allemaal veel langer dan in andere landen en staat in schrille tegenstelling tot het leiderschap dat werd betoond bij de overname en steun van een aantal banken. De vaart is eruit of beter gezegd de vaart is er nooit ingekomen. Ligt dat aan ons parlementair stelsel? Natuurlijk niet.

Het kabinet had ook de eigen verantwoordelijkheid kunnen nemen en Bos als minister van financiën een voorstel laten doen aan de ministerraad. Onder één van de kabinetten Lubbers is ook wel eens drastisch bezuinigd zonder de toevlucht te nemen tot een quasi formatieoverleg. Wanneer de rol van regievoerder aan Bos, als minister van financiën, werd misgund dan lag het voor de hand de regie te geven aan het driemanschap Balkenende, Bos en Rouvoet. Dat lag ook voor de hand: de premier en vice- premiers. Zij hoeven daarvoor niet in een andere rol te kruipen, zij zijn gewoon verantwoordelijk voor de voorstellen die ze dan doen aan de ministerraad. Door de fractievoorzitters erbij te betrekken worden niet alleen de verantwoordelijkheden diffuus en komen mensen in verschillende rollen te verkeren die lastig uiteen te houden zijn.

Het gaat niet om een formatie want er zit geen demissionair kabinet dat alleen op de zaken hoeft te passen in afwachting van een nieuw kabinet maar een kabinet dat volledig verantwoordelijk is en waarin ook de individuele ministers verantwoordelijk zijn voor hun beleidsterrein zowel voor investeringen als bezuinigingen. Het betrekken van meer mensen bij de ontwikkeling van voorstellen gebeurt vaak om maatschappelijk draagvlak te creëren. Of dat nu lukt is maar zeer de vraag als we het trommelgeroffel van de vakbeweging horen over bijvoorbeeld de verhoging van de AOW leeftijd. Het formeel betrekken van fractievoorzitters is ingegeven om zich bij voorbaat zeker te stellen van voldoende parlementaire steun. Door gebrek aan leiderschap komt Nederland relatief laat met crisismaatregelen. De bewondering van de burger voor de politiek zal hierdoor ook wel niet toenemen.

Juist nu de Tweede Kamer bezig is met zelfreflectie zoals verwoord in het rapport ”Vertrouwen en zelfvertrouwen”schakelt de meerderheid van de Tweede Kamer zich uit als kritische volger van het kabinetsbeleid. Immers het is aannemelijk dat wanneer de fractievoorzitters van de coalitie samen met de vier ministers eindelijk bevallen zijn van een akkoord, dat akkoord feitelijk hun fracties bindt. Zij zullen hun fracties wel regelmatig op de hoogte houden. Het akkoord is dan dichtgetimmerd en de oppositiepartijen hebben het nakijken en kunnen nog wat napruttelen. Een hoogtepunt van monisme, samengaan van coalitiepartijen en kabinet, in ons parlementair bestel. Dit, terwijl de indruk werd gewekt dat na de aanval van Fortuyn op achterkamertjespolitiek, het torentjesoverleg was afgeschaft. Niet alleen de Tweede Kamer is een groot verliezer maar ook de kiezer die een open gedachtewisseling in het parlement mist over mogelijk draconische beleidsaanpassingen. De Tweede Kamer geeft als controleur van regeringsbeleid niet thuis.

De onderhandelingen vinden plaatst op basis van een lijstje van mogelijke voorstellen van een ambtelijke werkgroep, het lijstje Gerritsen genoemd naar een topambtenaar. Natuurlijk heeft de oppositie om dit lijstje gevraagd. Dan kunnen ze zelf ook wat nadenken en dat is toch nooit weg. Maar helaas, de Tweede Kamer mag er niet over beschikken en wij dus als burgers ook niet. Onder het mom van intern beleidsstuk bedoeld voor intern beraad wordt de Wet Openbaarheid van Bestuur zeer beperkend uitgelegd. Bij een vorige mislukte formatie probeerde de NRC tevergeefs de CPB-berekeningen te pakken te krijgen via de rechter. Dat mislukte mede omdat de informateurs de stukken zogenaamd kwijt maakten en de regering er niet over beschikte. Die vlieger gaat nu niet op want het lijstje Gerritse berust bij de regering en natuurlijk bij vele fractieleden van de coalitiepartijen. De burger heeft via de rechter meer kans op informatie dan de parlementaire oppositie via de grondwettelijke inlichtingenplicht van de regering. Hoewel veel is uitgelekt beschikken de oppositiepartijen formeel niet over het lijstje. Kwalijk, wanneer met denkt aan gelijke kansen in een parlementair debat. “Equality of arms” is weliswaar een beginsel in ons rechtstelsel maar niet in ons parlementair stelsel.

Ten slotte, wat blijft erover van de individuele ministeriële verantwoordelijkheid? Wanneer er een akkoord van de zevenschaar voorligt hebben de individuele ministers die niet meeonderhandelden maar ja te zeggen. Blijkbaar hebben we ministers die belangrijker zijn dan anderen. Hebben we dan toch nog sluipenderwijs een kernkabinet gekregen?Wanneer ministers toetreden tot een nieuw geformeerd kabinet zeggen ze ja tegen het gehele akkoord. De minister-president legt daarvoor verantwoording af aan de Tweede Kamer. Dat hoeven de individuele ministers niet meer te doen. Voor het overige kunnen ze worden aangesproken op al hun beleidsdaden met betrekking tot hun portefeuille. Nu moeten ze een pakket maatregelen aanvaarden waar ze niet over meegesproken hebben. Zij verkeren in dezelfde situatie als de Kamerleden van de coalitiepartijen, ja zeggen of aftreden. Ook over het totale pakket zal hun invloed gering zijn en daarmee wordt niet alleen afbreuk gedaan aan de individuele verantwoordelijkheid maar ook aan hun collectieve verantwoordelijkheid.

De grondwet bepaalt dat Kamerleden niet tegelijkertijd minister kunnen zijn. De achterliggende reden is de garantie dat uit verschillende functies en bevoegdheden verschillende verantwoordelijkheden voortvloeien. De fractieleiders van de coalitiepartijen treden nu hier op als superministers, ministers uit een kernkabinet Eigenlijk kan je stellen dat hierbij gehandeld wordt tegen het achterliggend beginsel uit de grondwet dat dualisme tussen kabinet en parlement veronderstelt. De verantwoordelijkheden van de fractieleiders zijn eigenlijk die van ministers geworden. Zij zullen in de Tweede Kamer wel verantwoording afleggen over hun onderhandelingsgedrag. De gewone individuele ministers zijn daar niet toe in staat. Wat een gerommel met verantwoordelijkheden.

Het is bedroevend dat het proces om tot crisismaatregelen te komen tot zoveel inbreuken leidt op ons parlementair stelsel. Dat was niet nodig geweest wanneer onze politieke leiders niet zo bang geweest waren geweest die verantwoordelijkheden op zich te nemen waarin ons parlementair stelsel voorziet.

Deze Column verschijnt vandaag in NRC-Handelsblad.

Vorige post:

Volgende post: