Column Jit Peters: Het EHRM vanaf de Olympus

door Redactie op 19/05/2009

in Haagse vierkante kilometer, Rechtspraak

De discussie over het wetsvoorstel Halsema komt eigenlijk neer op de vraag: wie vertrouwen we meer? De eigen nationale rechter of het EHRM? De Grondwet stelt met artikel 120 weinig vertrouwen in de eigen rechter.

Dat is merkwaardig, want overigens heeft de wetgever een groot vertrouwen in de rechter. Denk bijvoorbeeld aan de vage normen in de wet en aan de taak die de rechter doorgeschoven heeft gekregen ten aanzien van de botsing van grondrechten. De wetgever geeft daar nauwelijks richtlijnen voor mee. Dat de bal daarmee in belangrijke mate bij de rechter komt te liggen, blijkt bijvoorbeeld uit de tegenstrijdige uitspraken over de SGP. En ook het bevel tot vervolging van Wilders, gevolgd door de interpretatie van de Hoge Raad over artikel 137c Sr. illustreert de belangrijke rol die de rechter inmiddels speelt.

En het gaat maar door. Inge van der Vlies geeft in het redactioneel van de NJB van 8 mei 2009 een mooi voorbeeld van het vertrouwen dat de wetgever heeft in de rechter wanneer zij het wetsvoorstel bespreekt inzake het vergemakkelijken van terroristische misdrijven. De toelichting van de vage termen komt eigenlijk hierop neer: rechter zoek het zelf maar uit. En neem als context daarbij de grondrechtenbescherming mee. Kortom zeer groot vertrouwen in de rechter zolang het maar niet om het taboe van artikel 120 Grondwet gaat.

Hoe komt het EHRM nu aan het grote vertrouwen dat we hebben in het hof? Het EHRM hanteert een ruime ’margin of appreciation’ wanneer het ethische en morele problemen betreft als abortus, euthanasie en homohuwelijk. Daar bestaat zo weinig consensus over in Europa dat dit wel aan de nationale autoriteiten moet worden overgelaten. Datzelfde geldt volgens het Hof vele minder ten aanzien van de rechten van transseksuelen, hoewel daar ook geen consensus over bestaat. En ook bij de waarborgen in het strafproces zoals advocaten bij politieverhoor is het gebrek aan consensus voor het Hof juist reden om uniformerend in te grijpen. Hetzelfde geldt eigenlijk ten aanzien van artikel 8, het recht op privacy, waar ook het sociaal recht van de milieubescherming ondergeschoven is, net zoals onder artikel 2 EVRM. Ook door het stellen van positieve verplichtingen aan de staten heeft het EHRM het onderscheid met sociale grondrechten draconisch gerelativeerd. Van een ‘margin of appreciation’ kan dan nauwelijks meer gesproken worden hoewel het Hof er wel altijd mooie woorden aan wijdt.

Er is vaak geen touw aan vast te knopen wanneer nu sprake is van ruimte aan nationale autoriteiten en wanneer niet. Het verbazingwekkende is dat de lidstaten niet daartegen in opstand zijn gekomen. Immers, het Hof interpreteert naar eigen zeggen een ‘levend document’ en gaat daar zeer vrijelijk mee om. Zij bepalen wat het EVRM inhoudt en niemand anders. Anders dan in de VS heeft dit tot niet veel controverses aanleiding gegeven of geleid tot een discussie over activisme van rechters. Bij het EHRM zijn de rechters bijna per definitie activistisch en dat schijnt iedereen normaal te vinden. Op sommige terreinen echter, bijvoorbeeld ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting, maakt het Hof juist weer een terugtrekkende beweging. Moeten wij dat dan klakkeloos volgen?

Anders dan op nationaal niveau is er ook geen enkele check op het Hof. Ook is er geen publieke opinie die als rem werkt op de rechter. Immers in de meer dan 40 lidstaten van de Raad van Europa kunnen we moeilijk spreken van een dominante publieke opinie. De machtsgreep in interpretatie van het EHRM is ongekend en in omvang niet geringer dan de beroemde Amerikaanse uitspraak van Marbury versus Madison, waarin het Hooggerechtshof zich het toetsingsrecht toe-eigende.

Interessant is om eens na te denken over de vraag waarom deze stap van rechtsstaat naar rechtersstaat in Europa zo onomstreden is gebleken. Waarschijnlijk komt dit door de optimistische kijk op de jurisprudentie van het Hof door ‘human rights watchers’. Door tevredenheid met de uitkomsten ontbreekt vaak een kritische kijk op de rol die het Hof zich heeft toegeëigend. Op het niveau van het EHRM ontbreekt een systeem van ‘checks and balances’. Er ontbreekt een dialoog tussen rechter en wetgever. De vraag is of dat op den duur niet zorgelijk is. Zijn we niet meegegaan in ongekend optimisme over de bescherming van mensenrechten die het EHRM tot nu toe heeft geboden? Heeft dat ons zicht op evenwichtige constitutionele verhoudingen niet teveel vertroebeld?

In Nederland bestaat traditionele eerbied tegenover wetgever althans die wordt met de mond beleden. Het Hof heeft die eerbied niet. Kritiek op de rol van het Hof door ‘Europa watchers’ is er ook slechts mondjesmaat. De vraag doet zich dan voor ‘wie controleert de rechter’ en vooral ‘wie controleert de internationale hoven?’ Dat lijkt me al lang geen academische vraag meer. In Nederland is er ook geen kritische rol van de rechter weggelegd ten opzichte van internationaal recht zoals ook geïnterpreteerd door internationale hoven. De houding van onze rechter is er één van slaafse navolging. Dat dat anders kan, hebben de rechters in Duitsland, Denemarken en Italië laten zien, althans in theorie.

Is dan de bescherming van mensenrechten niet in goede handen bij het EHRM? Tot nu toe wel, maar wanneer dat niet meer het geval zou zijn wie corrigeert dan het EHRM? Wat meer dialoog of wat checks op de rechters kan nooit kwaad. Het EVRM was bedoeld om minimumbescherming te bieden maar het geheel is bijna uitgegroeid tot maximum bescherming. Liefhebbers van de mensenrechten (en zijn wij dat niet allen?) hebben daar vrede mee. Maar vanuit constitutionele verhoudingen kan men vraagtekens zetten bij de machtsusurpatie van het EHRM.

Op Europees niveau is het misschien lastig om een discussie te hebben tussen het Hof en de Europese instellingen. Tot nu toe lijken de nationale parlementen en nationale rechters de beste gesprekspartners. De interpretatie van de rechters zou ook ruimte moeten laten aan de wetgevers om zelf met oplossingen te komen en nog eens na te denken over de afwegingen. Kortom de rechter zou door zijn uitspraken een discussie moeten stimuleren met de nationale parlementen en nationale rechters. Op nationaal kennen we dat enigszins. Maar vanuit Straatsburg worden wij toegesproken als vanaf de Olympus: geen dialoog maar uitspraken als van een orakel. De juristen als priesters die de boodschappen uit Straatsburg vertalen voor het volk.

Moeten we het daarmee doen?

Jit Peters

1 RML 27/05/2009 om 14:06

Worden we vanuit Straatsburg toegesproken als vanaf de Olympus of laat ons parlement het toe?

Dat lijkt me een belangrijk verschil.

Het ene zou m.i. betekenen dat er niets meer te doen is tegen het ge-orakel uit Straatsburg. Het ander betekent dat het parlement het toelaat om be-orakeld te worden.

Dat de checks-and-balances ontbreken is “schokkend”, maar hebben we het hier niet over wie-controleert-de-controleur? Wie gaat de hoogste mensenrechtenrechter controleren? Wie gaat een dichtergetimmerd systeem van mensenrechten opzetten zodat het EHRM niet langer zelf de rol van wetgever op zich moet nemen?

Het parlement wil zelf in de nationale wetgeving al meestal de vingers niet branden aan een doorwrocht systeem en laat het invullen van de details over aan de rechter. Waarom zou dat anders gaan of moeten voor de mensenrechten?

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: