Column Wim Voermans: rechten studeren

door WV op 06/07/2011

in Haagse vierkante kilometer, Varia

Bij het verschijnen van de Strategische Agenda voor Hoger Onderwijs, in deze weken waarin een nieuw cohort rechtenstudenten moet kiezen tussen de Kluwer en de Vermande een column over het begin van de rechtenstudie van Wim Voermans, inmiddels hoogleraar Staatsrecht aan de Universiteit Leiden.

Alles heeft een begin. Ook een rechtenstudie, ook de mijne. Al weer even geleden maandag 1 september 1980. Best nog een beetje aardig weer buiten, maar hier binnen in deze grote, muffe collegezaal zonder ramen, CZ 101, merk je daar niks van. Het licht is kil. Alle brugpiepers van de opleiding rechtsgeleerdheid aan de Katholieke Hogeschool Tilburg zijn opgewonden, druk. Half verscholen zitten ze achter rode, losbladige wettenedities van meer dan een kwart meter hoog. Het zijn de eerste jaren van het massa-onderricht in het juridische metier. De faculteit heeft het er maar moeilijk mee. Leuk natuurlijk, zoveel eerstejaars. Maar waar laat je ze? Wat doe je er mee?

Mijnheer Jansen (laat ik hem zo maar even noemen) weet ook niet goed hoe hij er mee om moet. Om kwart over negen sluipt hij beneden de zaal binnen. Zijn ogen knijpen een beetje vanwege het schelle licht uit de t.l. bakken aan het plafond. Een kleine gedrongen, man met sluik zwart haar, een non-descript beroosd grijs pak, en een dikke hoornen bril. Geen gestalte die indruk maakt op deze verzameling hippe studenten. Collegezaal 1980: voornamelijk spijkerbroeken en -jassen, lang haar, benen op tafel. Hier en daar wel poloshirts en bandplooibroeken. En lui die door hun moeder zijn aan- gekleed om op een rechtenstudent te lijken. De zaal is rumoerig. Er staan pakken melk op de uitklapbare plankjes, koffie, thee, boter, brood, pizza. Er wordt in die tijd tijdens colleges gekaand bij het leven. En, o ja, het is het laatste jaar dat je gewoon mag roken in de collegebanken. Officieel is het verboden in verband met de brandveiligheid, maar er wordt geen werk gemaakt van de handhaving. Docenten doen het ook. En dan is er die ene vent met zijn enorme hond. Of er iets met zijn ogen was, vroeg een van de mentoren die die ochtend even langs kwam kijken. ‘Nee de hond ziet prima…’ Joelend hoongelach in de collegezaal.

Rechtenstudie 1980. Voor de meesten een parkeerstudie. Ze doen een jaartje rechten, misschien twee jaartjes, daarna nog wat sociale geografie of zo. Allemaal om een beetje uit te puffen van die middelbare school waar van alles moest. Nu hoeft er niks meer. Veel studenten hebben een volledige studiebeurs die ongeveer even hoog is als een bijstandsuitkering. Veel, heel veel geld. En het collegegeld is een schijntje. Huren zijn na de crisis erg laag. Niet gek dat iedereen gaat studeren. Als je studeert, hoef je niet direct in militaire dienst en je hoeft ook niet te solliciteren; je hoeft trouwens ook helemaal niet te komen. Inschrijven is genoeg. Een dolgedraaid systeem. Er hoeft niets, er moet niets en niemand doet ook iets. Je best doen in je studie wordt in het beste geval gezien als uitsloverij, in het slechtste geval als asociaal: als jij je zo uitslooft, moeten we misschien straks allemaal aan de bak.

En van de kant van de opleiding heb je ook niet veel te verwachten. Ongemotiveerde staf, die zich in het beste geval als een soort beroepsactivist zich heeft verschanst in de faculteitsraad om daar een loopgravenoorlog uit te voeren met de hoogleraren. Vileine, kleingeestige shag-democratie en wetenschappelijke docenten die nooit onderzoek doen. De enkele uitzondering is steevast vastgelopen in een decennialang aanslepend proefschriftonderzoek.

Jansen stuntelt met zijn microfoon. Een loopmicrofoon van Sennheiser. Een zwaar geval dat met een snoer om de nek wordt gedragen. Hij stelt zich mompelend voor. Pas na even dringt het tot de zaal door. Deze man is geen jurist, maar een boekhouder, een registeraccountant. Met een vak als economie 2, zoals het vak stond aangekondigd, hadden we het natuurlijk moeten weten. Een kapitalistenmaatje van het zuiverste water. Er wordt verontwaardigd gesist in de zaal. Dan begint Jansen toch maar zijn college. Draait zijn rug naar de zaal en schrijft berekeningen boven in de hoek van het collegezaalbrede bord. Priegellettertjes die nauwelijks te lezen zijn. Zijn onverstaanbare geprevel helpt ook al niet. Zeker een half uur brouwt hij daar voort op dat bord en de zaal wordt almaar onrustiger. Gelach, luid gepraat, niet te volgen. De hond blaft zelfs een keer en het staat halfblauw van de rook. De enkele keer dat Jansen omkijkt, zie je dat de herrie hem irriteert. Na drie kwartier laat hij ons even los, gekweld en een beetje zwetend. Dit gaat niet goed. De enkeling van ons die na de pauze terugkeert (ik was er nu toch eenmaal) ziet dan dat Jansen een plan heeft. Zijn ogen zijn een beetje geniepig samengeknepen: ze twinkelen. Hij doet de microfoon om en begint, maar draait nu steeds om van het bord als de zaal rumoerig wordt. Kijkt bezwerend. Nadat er zomaar iemand hardop begint te lachen, keert hij zich met een ruk om en tuurt nadrukkelijk naar het midden van de zaal, waar het al de hele tijd rumoerig is.

‘Mag ik u eens een vraag stellen…?’ zegt hij dwingend. ‘Ja u daar!’ Hij wijst. Midden in de zaal duwen ze elkaar en halen hun schouders op. ‘Dan kom ik toch gewoon even naar boven,’ zegt Jansen, nu met een gemeen glimlachje om de lippen. ‘Hebbes!’, zie je hem denken. ‘Met de microfoon in hun neus zo dadelijk zullen ze wel even een toontje lager zingen.’ Op een soort drafje dat je niet verwacht van dat onhandige lichaam, beent Jansen a-ritmisch de trap op. Het hupje in zijn pas verraadt dat hij kennelijk pret heeft. Totdat…. totdat hij aan zijn nek onderuit getrokken wordt door het microfoonkoord om zijn nek. Veel te kort dat snoer om het midden van de zaal te bereiken. Kom je dan achter. Met een soort salto-boogje stuitert hij hard achterover de trap af. Hilarisch. Een bezorgde studente (toch nog een dan) helpt hem een overeind, de rest van de zaal rolt van het lachen. Minutenlang.

Rechtsgeleerdheid 1980. Ongemotiveerde studenten, slechte docenten, een verziekte sfeer en waardeloos onder- wijs – de enkele meeslepende hoogleraar (Konijnenbelt, Nieuwenhuis) niet te na gesproken. Geen mens die naar dat on- derwijs of de studenten om leek te kijken, geen mens die het kon schelen, zo leek het wel. Dieptriest. De meeste dingen worden niet beter naarmate je ouder wordt (alles van vroeger lijkt dan vaak zoveel beter), maar een ding is door de jaren enorm opgeknapt: de juridische opleiding. En die kan zelfs nog heel veel beter, zeker het begin ervan. Bonum initium est dimidium facti. Want het mag nooit meer 1 september 1980 worden.

Deze column verscheen ook in Ars Aequi, (AA20110111)

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: