Column Wim Voermans: Vanitas vanitatum, omnia vanitas!

door GB op 19/04/2009

in Haagse vierkante kilometer

Staatsrechtelijke grenzen aan ijdeltuiterij

Een politicus die niet een beetje ijdel is, is waarschijnlijk ook geen goede politicus. Maar hoever mag je nou gaan? Stelt het staatsrecht grenzen aan ijdeltuiterij? Tja. Om te beginnen: in de Grondwet staat bijna niks over het gedrag van politici (al net zomin als het gedrag van enige andere ambtsbekleder). Iets over een ‘buiten staat’ verkerende Koning (dan moet je het wel heel bont maken), een plukje regels over deelnemen aan vergaderingen, dubbelfuncties, stemgedrag in het parlement (zonder last dus), informatieverplichtingen, dat is het wel zo’n beetje. Het interessants zijn eigenlijk nog de regels over de eed of belofte. Bij de aanvaarding van hun ambt leggen kamerleden (en ook ministers en staatssecretarissen) een eed of belofte van zuivering af (een verklaring van niet corrupte, criminele of anderszins foute levenswandel), trouw aan de Grondwet (het meest geschonden gedeelte van de eed) en getrouwe vervulling van het ambt. Voor een volksvertegenwoordiger betekent dat laatste gedeelte – een beetje volks – dat je het dus niet voor je zelf, maar voor een ander doet.

De vergaderreglementen van het parlement en de ministerraad (Reglementen van Orde) geven wat nadere invulling. Je hebt je een beetje te gedragen in het parlement en de ministerraad. Het is er geen ledenvergadering van FNV-bondgenoten, noch het partijcongres van de VVD, en al helemaal geen veredeld kooigevecht; in een parlement wordt gepraat. Daarom geven de artikelen 58 en 59 van het vergaderreglement van de Tweede Kamer de voorzitter de mogelijkheid om in geval van onbetamelijkheid (belediging, langdradigheid, ordeverstoring of afdwalen) een spreker te waarschuwen of het woord te ontnemen. Je kunt er zelfs uitgezet worden (artikel 60).[1]

Veel regels zijn er dus niet, maar ijdeltuiterij des te meer. We leven in een mediacratie dus je moet niet alleen van je laten horen, maar je ook laten zien. ‘Esse est percipici’, luidt de Romeinse politieke grondregel: ‘bestaan is gezien worden.’ Daarom zoeken politici ook meer dan ooit nadrukkelijk de lens op. Stropdassen uit (Marijnissen, Bos, ‘Rutte’), signaalhaar (Wilders), poses en maniertjes (Verhagen), kleding aangepast aan het schilderij op de achtergrond in vergaderzaal en de blauwe stoelen (Kant, Verdonk, Halsema), hoeden (Plasterk) en hoedjes (Prinsjesdag), stropdassen (‘Rutte’) en andere parafernalia (allemaal). De dynamiek van het politieke bedrijf verandert er door (Soundbites en Boekestijntjes), maar daar is op zich niks mis mee. Het politieke bedrijf als de makelaardij van belangen moet zich altijd op nieuw uitvinden.

Wat wel riskant is, is dat door de macht van het beeld het gevoel voor verhoudingen zoek raakt en de persoonlijkheidscultus in het parlement de boventoon gaat voeren. Zo wordt niemand beter van lawines spoeddebatten, is het ook niet goed dat stelselmatig de stellingen in de media worden betrokken, voordat er in de kamers over een onderwerp wordt gepraat en helpt grofgebektheid al helemaal niet. Maar goed, verboden is het allemaal niet, en een volwassen democratie moet geen eierschedel hebben, er moet ruimte bestaan voor nieuwe vormen en verhoudingen. Dat was eigenlijk ook de – verstandige – uitkomst van conferentie over de parlementaire zelfreflectie van de Tweede Kamer afgelopen 25 maart.

Allemaal waar, maar 26 maart bewees de kwetsbaarheid van die regelvrije zone. Een fractie (PVV) die wegloopt bij een debat waarin niet meer gebeurt dan dat de regeringsfracties duidelijk maken dat ze een akkoord hebben gesloten (waarom zou een parlementaire minderheid het ‘recht’ hebben daarin verandering aan te brengen, waarom heeft het aanhoren van de tegenargumenten en de registratie daarvan geen zin?). Tegen zoiets kan een kamervoorzitter nu niets doen. En vooral als zulke doekjes en showtjes meer voor gaan komen, kunnen ze het gewicht van het gesprek in het parlement ondergraven. Slecht hoor.

Misschien hebben we tegen dat soort misdragingen nieuwe normen nodig, want dat kan het parlement niet zelf oplossen. Er zijn prachtige voorbeelden. Zie bijvoorbeeld artikel 32 van de Finse Grondwet:

1) Each Representative has the right to speak freely in the Parliament on all matters under consideration and on how they are dealt with.
2) A Representative shall conduct himself or herself with dignity and decorum, and not behave offensively to another person (…).

Kunnen we gelijk het vraagstuk meenemen of het slim is dat een bewindspersoon -met hoed en al op – reclame maakt voor de Volkskrant. Misschien ook iets voor de aanstaande Staatscommissie herbezinning Grondwet.

Wim Voermans, hoogleraar staats- en bestuursrecht Universiteit Leiden

Site Universiteit Site vrije tijd Site weg kwijt

(ook een beetje ijdel dus)

[1] Voor de ministerraad bestaat er niet zo’n regeling. Daar moet de Trêveszaal tot deugdzaamheid aansporen en als het misloopt (wat gebeurde er tijdens de Nacht van Verdonk?) dan horen daar toch pas veel later over.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: