Concurrentie in de rechtspraak: zo gek nog niet

door IvorenToga op 21/11/2012

in Rechtspraak

Post image for Concurrentie in de rechtspraak: zo gek nog niet

Bedrijfsmatigheid en rechtspraak blijven een omstreden combinatie vormen. Zelfs wanneer dat heel onschuldig wordt ingevuld en bedrijfsmatigheid slechts gezien wordt als ondernemerschap dat zorgt dat de middelen op de juiste plek komen (vgl. E. Kolthoff, Ethics and New Public Management, 2007, p. 21). Een vorm van dergelijke bedrijfsmatigheid is concurrentie. De meeste lezers hoor ik al denken: ‘Hè, concurrentie in de rechtspraak? Het moet niet gekker worden’. Toch is daarvan soms sprake en is dat zo gek nog niet. Een voorbeeld uit de praktijk.

Advocaat Jansen wordt voor de behandeling van een megazaak bij het gerechtshof een half jaar van te voren gevraagd of hij 1, 2 en 3 april beschikbaar is voor de behandeling van die zaak. Niet de volle dagen zullen besteed worden aan de strafzaak van de cliënt van Jansen – de megazaak bestaat namelijk uit meerdere strafzaken – maar organisatorisch zal het lastig zijn de behandeling op een en dezelfde dag te concentreren. Een maand voor de behandeling neemt advocaat Jansen contact op met het gerechtshof. Van de rechtbank heeft hij namelijk te horen gekregen dat 2 en 3 april cruciale verhoren gepland staan in een andere megazaak die bij de rechtbank loopt. Advocaat Jansen had 1, 2 en 3 april als verhinderdata opgegeven, maar de rechtbank heeft te kennen gegeven dat men geen rekening heeft kunnen houden met alle verhinderdata. Aan het gerechtshof vraagt Jansen nu de behandeling van zijn zaak op 1 april te concentreren of een nieuwe zittingsdatum te plannen. De beide gerechten concurreren dus om de advocaat. Het gerechtshof snijdt zich in de vingers wanneer het tegemoet komt aan het verzoek van de advocaat. Juridisch is er geen reden toe en aanhouding van de zaak zou leiden tot extra kosten. Het hof ziet daarom geen reden om tegemoet te komen aan het verzoek van de advocaat. De rechtbank zal op zoek moeten gaan naar andere zittingsdata.

Juridisch gezien lijkt de kwestie duidelijk. Het hof hoeft de zaak niet aan te houden, terwijl een dergelijke beslissing van de rechtbank en het laten doorgaan van de zaak zonder aanwezigheid van de raadsman bedenkelijk zou zijn. Toch was ook een andere oplossing denkbaar. Het hof had namelijk ook de behandeling van de zaak kunnen aanhouden, waarna de advocaat gewoon naar de behandeling van de zaak bij de rechtbank kon gaan. Deze oplossing zou de maatschappij echter onnodig op kosten jagen. Vergelijk het met een uitgestelde operatie omdat de patiënt niet komt. Op het tijdstip van de operatie staat een kostbaar medisch team niets te doen en blijft een kostbare operatiekamer ongebruikt. Uiteindelijk moet de patiënt toch worden geopereerd en kunnen dat dure medische team en de dure operatiekamer op dat moment niet anders worden benut. Hoewel dat voor de rechtbank ook geldt wanneer hun zaak geen doorgang zou vinden, geldt voor de rechtbank dat zij deze situatie had kunnen voorzien. Juristen zouden dat culpa in causa noemen. De raadsman heeft zijn verhinderdata opgegeven en daarmee had ze dus rekening kunnen houden.

De uitkomst in deze zaak lijkt niet meer dan redelijk. Het recht dwingt echter niet tot die uitkomst. Het is de concurrentie tussen de beide gerechten om de aanwezigheid van de advocaat die dat doet. Niet alleen het achterliggende belang van de verdachte op een tijdige berechting bij het hof maar ook de financiële prikkel die voor de behandeling van de zaak staat, dwingt het gerechtshof om voet bij stuk te houden. Zo lang het blijft binnen de juridische kaders is concurrentie zo gek en onrechtvaardig dus nog niet.

In mijn vorige bijdrage schreef ik dat financieringsprikkels belangrijke instrumenten zijn bij het verdelen van schaarse overheidsmiddelen, maar dat de belofte van kwaliteit die dergelijke prikkels vaak suggereren maar lastig kan worden ingelost. Hier zou ik nog een stap verder willen gaan en de stelling willen neerleggen dat voortvarendheid van rechtspraak het enige kwaliteitsaspect is dat financieel enigszins kan worden gestuurd. Sterker nog: financieringsprikkels zijn denk ik noodzakelijk om de broodnodige vaart erin te houden. De achtergrond daarvan is dat het recht maar beperkt is in zijn vermogen tot het daadwerkelijk bevorderen van die voortvarendheid. We zagen dat in het voorbeeld van de concurrerende gerechten. Een ander voorbeeld is de wijze waarop in de Nederlandse strafrechtspraak het te lang duren van strafzaken wordt geredresseerd. Dergelijke termijnschendingen zijn aan de orde van de dag en worden vaak gecompenseerd door de opgelegde straf te verminderen. Die juridische sanctionering heeft maar een beperkt normerend en lerend effect. Financieringsprikkels kunnen het recht op dit punt terzijde staan. Zij dwingen rechtbanken en gerechtshoven immers tot het afdoen van een bepaald aantal zaken per jaar en daarvoor is een bepaalde snelheid noodzakelijk. Ik geef toe dat ook deze vorm van sturing maar beperkt slaagt. De werkvloer voelt die financiële prikkel niet altijd en negeert deze soms zelfs. Daar zou echter het besef moeten groeien dat het recht eigenlijk niet zonder die prikkel kan. Het is aan de afdelingsvoorzitters en bestuurders nieuwe stijl om vanaf 1 januari 2013 deze boodschap beter te laten indalen.

Rick Robroek
Stafjurist Gerechtshof Arnhem, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger Rechtbank Maastricht

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: