Constitutionele rondleiding

door GB op 08/07/2009

in Haagse vierkante kilometer

Er is nog een achterhoedegevecht gaande over de opstelling van de regering bij het wetsontwerp Halsema (ter invoering van een beperkte vorm van constitutionele toetsing). In de Eerste Kamer had minister Ter Horst gezegd dat dit kabinet niet enthousiast over, en zelfs waarschijnlijk gewoon tegen het voorstel was. Toen het voorstel toch werd aangenomen besloot het kabinet het voorstel desalniettemin voor bekrachtiging voor te dragen, om zo de weg naar een tweede lezing mogelijk te maken. Daarbij bleef de minister echter aangeven dat het kabinet onverminderd reserves koesterde tegen het idee, en dat het dat ook zou doen als ze in demissionaire status met het tweede-lezings-voorstel zouden worden geconfronteerd.

Daar moesten de senatoren toch even van achter de reflectieve oren krabben. Op de kenmerkend beleefde manier werd om een ‘toelichtende brief’ gevraagd. En die is er nu. Op een even kenmerkend beleefde manier krijgen de senatoren een rondleiding door het constitutionele recht. De minister loopt geduldig alle stappen nog even langs, om te concluderen dat er ze er niets bijzonders mee bedoelde.

De brief biedt een interessante doorkijk naar de wijze waarop een van de heiligste plekjes van het staatsrecht (de grondwetsherziening) is opgebouwd. Een feest voor de fijnproevers van het levende staatsrecht.

Voor een eerste lezingswet geldt in beginsel gewoon de ‘bevoegdheid’ tot niet bekrachtiging. ‘Men kan immers niet verwachten (…) dat medewerking wordt verleend aan wetgeving waarvan men de overtuiging heeft dat deze onwenselijk is,’ gevolgd door een verwijzing naar een handboek. De regering heeft het voorstel Halsema echter wel bekrachtigd, ondanks de onwenselijkheid, om de procedure niet in dit stadium te blokkeren. Daarvoor verwijst de minister naar twee ‘voorbeelden’ uit het verleden (Oud/ontbinding op termijn en Westerterp/vervroeging Prinsjesdag). Uit de tekst van de Grondwet volgt wel een ‘rechtsplicht’ om een voorstel tot tweede lezing sowieso in te dienen. Waarna er in de parlementaire praktijk een ‘uitgangspunt’ is ontstaan dat herzieningsprocedures die vanuit de Tweede Kamer in gang zijn gezet, in beginsel ook door de Tweede Kamer worden voortgezet. Dan komt er een ‘gewenste praktijk’ om een tweede lezing al op de eerste dag van de samenkomst van de nieuwgekozen kamer aanhangig te maken danwel in te dienen. Tenslotte ‘dient’ de Tweede Kamer de tweede lezing voortvarend ter hand te nemen, om te voorkomen dat de ontbindingsverkiezingen en de tweede lezing te ver uit elkaar komen te liggen.

De vraag van de Eerste Kamer was vervolgens wat de demissionaire status aan deze procedure veranderde en of het daarbij uitmaakte om welke reden de demissionaire status aan de orde was. Op dat punt trekt de minister zich terug op het harde staatsrecht. Ook als de ontslagaanvraag bij de Koning ligt, blijft de regering ‘volledig bevoegd om het landsbestuur te voeren door middel van de instrumenten waarover het beschikt.’ Dat staat los van een politiek oordeel om zich inhoudelijk te beperken tot het ‘noodzakelijke’.En ook aan de oorzaak van de demissionaire status kan geen staatsrechtelijk gewicht worden verbonden. ‘Wel kunnen deze omstandigheden een rol spelen bij de beoordeling van de controversialiteit van het te voeren beleid.’

De vraag is dus of de grondwetsherziening controversieel wordt verklaard. Van de zijde van de Tweede Kamer ligt dat niet voor de hand, gegeven het feit dat die kamer nu juist mede verkozen is met het oog op de behandeling van dit voorstel. De regering zal dan zowel advisieur als demissionair zijn, en zal dan hetzelfde standpunt innemen als ze al tijdens de eerste lezing heeft gedaan. That’s it.

Tussen de regels door laat de brief echter twee mogelijkheden open om het voorstel Halsema voor een gewisse ondergang in het dan demissionaire kabinet Balkenende IV te behoeden. In het geval zij voor de – gezien de duur van een tweede lezing niet waarschijnlijke – vraag gesteld worden of de tweede lezing bekrachtigd moet worden, is het mogelijk om een besluit daarover aan een volgend kabinet te laten omdat het niet noodzakelijk is in het belang van het Koninkrijk. De Kamers kunnen daar wellicht met politieke middelen op aandringen. Dat geldt trouwens ook voor het geval het dan optredende extra-parlementaire kabinet Cohen I onverhoopt gevallen is. En ten tweede is het weliswaar onlogisch dat de Tweede Kamer de tweede lezing controversieel verklaart, maar dat geldt niet voor de Eerste Kamer. Zij kunnen de behandeling stilleggen tot er een nieuw kabinet aantreedt.

Als dan duidelijk is dat dit kabinet niet meer beslist over de bekrachtiging, lijkt het mij toch de vraag of daarmee niet de inhoudelijke basis onder het adviseursschap in de Tweede Kamer is vervallen. Althans, het is voorstelbaar dat dit kabinet zich onthoudt van het verder inhoudelijk beinvloeden van de tweede lezing. Dat zou in het verlengde liggen van het ingenomen standpunt ten aanzien van het bekrachtigen van de eerste lezingswet.

1 EMP 04/04/2010 om 16:58

Een vooruitziende blik met je opmerking over een kabinet Cohen I.

Vorige post:

Volgende post: