Contracteren bij wet

door PWdH op 10/06/2010

in Rechtspraak

We hebben de Rotterdamwet, maar ook de Postbankwet. Met deze wet werd in 1985 de Postbank N.V. opgericht. Onlangs sprak de Hoge Raad zich er over uit in een geding tussen… de Postbank (inmiddels: ING) en de Staat. De Staat verstrekte de nieuwe bank twee leningen ter waarde van in totaal 1,3 miljard gulden. Ook destijds dekte de Staat zich goed in richting ‘de belastingbetaler’ door vaste rentepercentages van 6,625% resp. 7,25% te bedingen. Vanaf 1 januari 2002 zou de Postbank gaan aflossen. 

In 1997 is de marktrente gedaald tot ver beneden de overeengekomen percentages, zodat de Postbank op de voet van artikel 5 lid 1 Postbankwet de minister van Financiën het verzoek doet eerder te mogen aflossen. Dit artikel luidt:

‘De leningen, bedoeld in artikel 4, hebben een looptijd van vijfentwintig jaar en worden, onverminderd het bepaalde in het derde en vierde lid, na vijftien jaar in tien zo veel mogelijk gelijke delen afgelost. De Postbank N.V. is bevoegd in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, De Nederlandsche Bank N.V. gehoord, een of meer van de leningen geheel of gedeeltelijk vervroegd af te lossen.’

De minister (Zalm) weigert dit verzoek, omdat dit ‘gezien de huidige rentestand (…) zakelijk niet verantwoord [is]’, maar is wel bereid tot overleg over een ‘markconforme modaliteit van vervroegde aflossing’. Bestrijding van deze weigering in het bestuursrecht strandt op de ontvankelijkheid: de weigering kan niet als besluit worden aangemerkt, omdat deze niet is gericht op enig publiekrechtelijk rechtsgevolg en geheel valt onder de privaatrechtelijke rechtsverhouding tussen de Postbank en de minister. Bij de burgerlijke rechter betoogt de Postbank vervolgens dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de weigering op het eigen, zakelijke belang te baseren en daarmee de instemmingsbevoegdheid van artikel 5 lid 1 voor een ander doel aan te wenden dan waarvoor die is verleend: détournement de pouvoir, dan wel een gebrekkige belangenafweging.

In cassatie bestrijdt ING de ‘hoofdpijler’ van de beslissing van het hof dat uit de (parlementaire geschiedenis van) de Postbankwet niet kan worden afgeleid dat de minister vervroegde aflossing alleen mag weigeren ter voorkoming van een rente mismatch die de continuïteit van de Postbank zou bedreigen, zodat de minister wel degelijk ook zijn ‘eigen’  zakelijke belangen mag meewegen. De Hoge Raad neemt in navolging van advocaat-generaal Wuisman aan dat de uitleg van het hof juist is ‘tegen de achtergond van de door het hof uitvoerig belichte wetsgeschiedenis’ (r.o. 3.3).

Uit de conclusie blijkt dat in de parlementaire geschiedenis van de Postbankwet inderdaad geen specifiek doel kan worden gevonden bij de overeenstemming van artikel 5 lid 1. De Postbank had betoogd dat het achterliggende doel van de Postbankwet is het waarborgen van diens continuïteit, tegen de achtergrond van de rente mismatch tussen de ontvangen vaste rente over uitzettingen en de flexibele rentes over toevertrouwde tegoeden (heeft niet elke bank dat?). Nu de leningen van de Staat die waarborg moeten bieden, mag de minister alleen weigeren indien vervroegde aflossing tot verwezenlijking van de mismatch zou leiden (wanneer kennelijk de Postbankdirectie haar eigen bank om zeep zou willen helpen). Uit de parlementaire geschiedenis blijkt echter ook dat de wetgever niet beoogt de Postbank te vrijwaren van ieder risico op de kapitaalmarkt. Bovendien passeren in de parlementaire geschiedenis wel degelijk ‘zakelijke belangen’ van de Staat, in verband met de uitgesloten mogelijkheid van verlenging van de leningen: dit zou kunnen leiden tot ongewenste bevoordeling van de Postbank ten koste van de Staat, indien de marktrente bij verlenging (nog) hoger zou zijn dan de bedongen rentepercentages.

De tautologische rechtsoverweging 3.3 roept de vraag op waarom hier eigenlijk niet met artikel 81 RO verworpen wordt. Mogelijk is dat vanwege het omineuze tussenzinnetje dat de falende klachten ‘niet steeds in het oog houden dat een rechtsoordeel in cassatie niet met vrucht met motiveringsklachten kan worden bestreden’. Mogelijk ook vanwege de aard van deze privaatrechtelijke rechtsverhouding (Staat-bank), of vanwege de aard van het contract. Er wordt wel eens gezegd dat het contract partijen tot wet strekt; hier strekt de wet partijen tot contract.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: