Controle op vooringenomenheid

door JAdB op 13/04/2010

in Bestuursrecht, Rechtspraak

Stel: je bent briljant jurist – en je bent ook als zodanige bekend in de juridische wereld – en wilt dolgraag schrijven voor dit blog.  Je schrijft een stukje, stuurt het in, krijgt na lang wachten een e-mailtje van “de redactie” waarin staat dat het stukje niet wordt gepubliceerd. Als excuus worden wat vage afwijzingsgronden geformuleerd als “doelstelling van het blog”, “lezerspubliek”, en meer van dat soort algemeenheden. Je vermoedt kwade opzet: iemand in de redactie misgunt je jouw succes! Maar ja, hoe valt dat hard te maken? Een goed begin is wellicht te vinden onder het kopje “Over dit blog”, waarin de namen van de redactieleden staan gepubliceerd. Laat daar nou net die ene jurist bij staan wiens leerstoel je ooit hebt afgepakt. Als je overtuigd blijft van de kwaliteit van je eigen stukje, dan heb je voor jezelf in ieder geval kunnen vaststellen dat hier sprake is geweest van vooringenomenheid.

Niet dat je daar wat mee opschiet. Maar in wat meer wezenlijke zaken kan vooringenomenheid grote gevolgen hebben en als vooringenomenheid kan worden aangetoond kun je daarmee enorm zijn geholpen. Zie bijvoorbeeld deze uitspraak, waarin bleek dat een adviseur van het Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten belang had bij de afwijzing van een bepaalde subsidieaanvraag. De adviseur bleek bestuurder te zijn van een andere aanvrager van subsidie, die aanspraak maakte op dezelfde pot geld. Ook in het kader van de Wet Bibob ben ik altijd erg nieuwsgierig naar de identiteit van de adviseurs. Niet alleen maar om te kunnen controleren of ze vooringenomen zijn, maar ook om vast te stellen of de adviseurs wel deskundig zijn.

Kortom, het is van belang om precies te weten wie bij de besluitvorming betrokken zijn. Het gaat dan niet alleen om de namen van de betrokken ambtenaren, maar ook om de namen van de adviseurs. Zeker nu advisering in het bestuursrecht steeds vaker voorkomt. Art. 3:8 Awb lijkt aan dit belang tegemoet te komen. Het artikel bepaalt dat de naam van de adviseur dient te worden vermeld bij of in het besluit.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt echter anders tegen deze bepaling aan te kijken. Hoezo controleren of er sprake is van vooringenomenheid of ondeskundigheid bij ingeschakelde adviseurs? Art. 3:8 Awb verplicht helemaal niet om de namen van de individuele adviseurs bekend te maken, maar ziet alleen op de naam van het adviescollege! Degene die stelde dat de namen van de leden van de welstandscommissie ten onrechte niet bekend waren gemaakt in een besluit omtrent een bouwvergunning, kreeg dan ook nul op het rekest (gepubliceerd in JB 2010, 77, m. nt. A.G.A. Nijmeijer).

Het verbaast mij dat deze uitspraak geen verzet oproept. Iedereen vindt deze interpretatie van art. 3:8 Awb kennelijk heel gewoon. Maar wat mij tegen de borst stuit is dat deze interpretatie weliswaar te rijmen is met de tekst van de bepaling, maar dat aan doel en strekking (zoals ook kan worden afgeleid uit de wetsgeschiedenis) volledig wordt voorbijgegaan. Wat heb ik er nu aan om te weten dat het welstandsadvies is uitgebracht door de Welstandscommissie, dat het Bibob-advies door het Landelijk Bureau Bibob is gemaakt, dat het advies over de kunstsubsidieaanvraag tot stand is gekomen door de Adviescommissie Muziek? Ik moet juist weten wie er in die commissies zitten, zodat  ik kan vaststellen of er niet door een vijandige architect is geadviseerd, of door iemand die alleen een LOI-cursus “noten lezen” heeft gedaan. 

De Afdeling zorgt er op deze manier voor dat besluitvorming steeds meer in een gesloten fort kan plaatsvinden. Af en toe gaat de loopbrug open, en wordt er een besluit richting het volk getorpedeerd, maar meer dan een glimp van wat er in het fort plaatsvindt kan niet worden opgevangen.

In zijn noot stelt Nijmeijer zich op het standpunt dat de namen van de individuele leden van een adviescommissie wel kenbaar zouden dienen te worden gemaakt indien er om gevraagd wordt.  Een soort omweg die niet via art. 3:8 Awb loopt dus. Ik hoop dat Nijmeijer gelijk heeft, maar de door hem voorgestelde omweg lijkt me te lang en formalistisch. Als ik in bezwaar zeg dat er in strijd met art. 3:8 Awb is gehandeld door de namen van de individuele leden van de adviescommissie niet kenbaar te maken, dan mag het bestuursorgaan dat best opvatten als een verzoek om alsnog tot bekendmaking over te gaan. Worden de namen niet kenbaar gemaakt, en hang ik in beroep hetzelfde betoog op, dan dient dat betoog gewoon te slagen omdat – in de theorie Nijmeijer – ten onrechte niet aan het verzoek is voldaan.

Nijmeijer merkt overigens nog op de Afdeling in genoemde uitspraak voor het eerst heeft bepaald dat de namen van de individuele leden van de Welstandscommissie op grond van art. 3:8 Awb niet kenbaar hoeven te worden gemaakt. Dat is juist, maar een echte verrassing mag dat niet heten. De Afdeling heeft iets soortgelijks geoordeeld in de Yab Yum-zaak. Art. 3:8 Awb noopt niet tot bekendmaking van de namen van de betrokken onderzoekers van het Landelijk Bureau Bibob. Ook schandalig, daar niet van.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 M.J. Hoogendoorn 11/06/2010 om 15:44

De naam van een college kan toch best informatief zijn. Zo is de Raad van State bij mijn weten het enige rechterlijke orgaan dat de naam van één van de procespartijen in zijn naam draagt…

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: