Corallo vangt bot

door LD op 04/02/2013

in Haagse vierkante kilometer, Rechtspraak

Post image for Corallo vangt bot

Francesco Corallo is een op Sint Maarten wonende Nederlander met Italiaanse roots. Tot 21 september 2011 had hij tevens de Italiaanse nationaliteit. Hij is een bekende van de (inmiddels voormalige) minister-president van Curaçao, de niet geheel onomstreden Gerrit Schotte. Schotte heeft voor Corallo een ‘niet nader genoemde belangrijke institutionele functie’ in de aanbieding. Welke functie dat is, is officieel niet bekend, maar boze tongen fluisteren dat het om een hoge positie bij de Centrale Bank gaat. Met de president daarvan heeft Schotte een zeer heftige ruzie. In mei 2011 vraagt Schotte de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken om informatie over Corallo in het licht van diens voorgenomen benoeming in de belangrijke institutionele functie. Het Italiaanse ministerie van Binnenlandse Zaken neemt daarop contact op met de Tijdelijk Zaakgelastigde van de Nederlandse ambassade te Rome. De ambassade geeft aan de brief van Schotte niet te kennen en wordt vervolgens ‘bijgepraat’ over meneer Corallo. Van hem zijn geen strafrechtelijke veroordelingen bekend. Echter, uit informatie van de politie en de Italiaanse inlichtingendienst blijkt dat Corallo betrokken was bij internationale drugshandel, de Siciliaanse maffia en het witwassen van geld. De Nederlandse ambassadeur neemt deze informatie op in een brief aan Schotte en stuurt deze eind mei 2011 met de diplomatieke post naar Curaçao.

Veel later, in oktober 2012, lekt de brief van de Nederlandse ambassadeur in Rome uit. Dat zal niet geheel toevallig zijn gebeurd, want juist in die maand zijn er verkiezingen voor de staten van Curaçao. Schotte is op dat moment – overigens zeer tegen zijn zin – geen premier meer, maar zijn partij de MFK doet wel mee aan de verkiezingen en wil daar de grootste worden om opnieuw de premier te kunnen leveren. De berichtgeving over Schottes banden met Corallo levert natuurlijk een hoop negatieve publiciteit op. Voor Schotte, maar ook voor Corallo. Hoewel de laatste nooit veroordeeld is, wordt hij wel neergezet als een maffioso. En Schotte als iemand die contacten met maffiosi onderhoudt en dus zelf bepaald niet integer is. Extra zuur voor Corallo is dat korte tijd na de brief van de ambassadeur de Italiaanse overheid officieel heeft aangegeven dat er in hun registers geen bezwaren tegen Corallo zijn aangetroffen en dat een Italiaanse rechtbank heeft bepaald dat hij ten onrechte met een Italiaanse maffiaclan in verband is gebracht. Corallo is boos, en wel op de Nederlandse staat. Die zou jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld, waarbij het argument kennelijk is dat de Nederlandse ambassadeur een brief met aantoonbare onjuiste beschuldigingen aan de premier van Curaçao heeft gestuurd en de Nederlandse staat verantwoordelijk kan worden gehouden voor het uitlekken daarvan en de schade die Corallo als gevolg daarvan lijdt. Uit publicaties over deze zaak kunnen we afleiden dat Corallo zijn advocaten zelfs heeft laten aanvoeren dat “het ministerie had moeten weten dat op Curaçao alles uitlekt”.

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag moet er weinig van weten. De vordering van Corallo tot het plaatsen van een rectificatie in de Telegraaf wordt afgewezen. Gesteld noch gebleken is “dat de Staat er op enigerlei wijze de hand in heeft gehad dat de (inhoud van de) brief in oktober 2012 openbaar is geworden”, aldus de voorzieningenrechter. Daarbij geldt tevens dat de staat er in beginsel van mag uitgaan “dat een per diplomatieke post verzonden brief aan de premier van een land binnen het Koninkrijk in vertrouwde handen blijft”. Er zijn ook geen omstandigheden op grond van de staat er rekening mee had moeten houden dat de informatie in de ambassadeursbrief openbaar zou worden gemaakt. De staat deed met deze brief niet meer dan het doorgeleiden van door Italië verstrekte informatie en kan niet verantwoordelijk gehouden worden voor de inhoud daarvan.

Op twee punten is de uitspraak van de voorzieningenrechter staatsrechtelijk interessant. In de eerste plaats meent deze met een beroep op artikel 13a van de Wet algemene bepalingen en vaste jurisprudentie dat de staat op het gebied van de buitenlandse betrekkingen een grote mate van beleidsvrijheid toekomt en dat de rechter dit beleid terughoudend dient te toetsen. Deze redenering komt ook in andere uitspraken van de Haagse voorzieningenrechter voor. De verwijzing naar artikel 13a lijkt in deze zaak echter wat vreemd. De genoemde Wet algemene bepalingen stamt uit 1829. Artikel 13a is binnen deze wet relatief jong. Het artikel dateert van 1917. De volledige tekst ervan luidt:

“De regtsmagt van den regter en de uitvoerbaarheid van regterlijke vonnissen en van authentieke akten worden beperkt door de uitzonderingen in het volkenregt erkend.”

Het artikel is dus tijdens de Eerste Wereldoorlog ingevoerd, naar aanleiding van de dreigende executie van een vonnis van de Rotterdamse rechtbank op een Duits schip. De regering had die executie verhinderd. Diplomatiek was dat ongetwijfeld verstandig in verband met de neutraliteit van Nederland, maar een wettelijke basis ontbrak. De wet van 26 april 1917 voerde vervolgens artikel 13a in. Het artikel spreekt van ‘rechtsmacht’ en uitzonderingen krachtens ‘volkenrecht’. Daarbij kan gedacht worden aan zaken als beslag op de ambtswoning van de Ambassadeur van Colombia en bepaalde (andere) volkenrechtelijke uitzonderingen op de gewone procesrechtelijke regels. Staten (en sommige internationale publiekrechtelijke rechtspersonen) kunnen krachten het beginsel van ‘par in parem non habet imperium’ niet door de Nederlandse rechter ter verantwoording worden geroepen, tenminste voor zover het officiële staathandelingen betreft (‘acta iure imperii’).

Het is mij niet geheel duidelijk waarom de voorzieningenrechter in de zaak-Corallo een beroep op artikel 13a doet. Zijn bevoegdheid (en dus rechtsmacht) staat niet ter discussie, en volkenrechtelijke uitzonderingen die een rol zouden kunnen spelen, worden niet genoemd. Sowieso heeft de zaak geen sterke volkenrechtelijke dimensie. De voorzieningenrechter ziet de ambassadeursbrief als voortvloeiend uit het door de staat gevoerd buitenlands beleid, maar het lijkt mij eerder een interne Koninkrijkszaak. Weliswaar is de informatie in de brief uit het buitenland verkregen, maar het gaat eerder om de verzending daarvan vanwege de regering van het ene land van het Koninkrijk aan de regering van een ander land van het Koninkrijk. De voorzieningenrechter spreekt zelf overigens ook van verzending van een “brief aan de premier van een land binnen het Koninkrijk”. Nu de voorzieningenrechter in de rest van zijn uitspraak ook niet veel doet met artikel 13a Wet algemene bepalingen, had de verwijzing ernaar ook wel achterwege kunnen blijven.

Het tweede staatsrechtelijk interessante punt betreft een verwijzing naar artikel 71 Grondwet, waarin de parlementaire immuniteit is vastgelegd. Corallo had zich namelijk ook beklaagd over de beantwoording van een reeks schriftelijke kamervragen door de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (destijds nog Donner). Corallo’s stelling dat de staat hiermee onrechtmatig heeft gehandeld, stuit volgens de voorzieningenrechter af op artikel 71 Grondwet:

“Weliswaar wordt in dat artikel de Staat als zodanig niet genoemd, maar wanneer de Staat wel aansprakelijk zou kunnen zijn voor uitlatingen van de in dat artikel genoemde personen, zou dat een uitholling van de parlementaire immuniteit meebrengen die niet kan worden aanvaard.”

Artikel 71 Grondwet bepaalt dat leden van de Staten-Generaal, ministers, staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, niet in rechte kunnen worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd. Het ‘in rechte kunnen worden aangesproken’ slaat op de civielrechtelijke immuniteit. Nu zal in een zaak als de onderhavige meestal niet de minister zelf, dus degene die krachtens artikel 71 immuniteit geniet, worden gedaagd, maar de staat. Inderdaad wordt de staat in artikel 71 niet genoemd, maar terecht stelt de voorzieningenrechter dat dit niet uitmaakt. Het ministerie van BZK zal de dagvaarding hebben ontvangen, samen met dat van Buitenlandse Zaken, en blijkens het vonnis vertegenwoordigden beide ministeries de staat tijdens de procedure. De overweging van de voorzieningrechter lijkt me dusdanig juist dat het ‘weliswaar’ wel achterwege had kunnen blijven. Artikel 71 Grondwet is precies voor dit soort situaties geschreven.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: