De Arnhemse proeftuin in de nog onvoldoende beproefde rechtspraak. Een verhaal

door IvorenToga op 14/03/2013

in Rechtspraak

Post image for De Arnhemse proeftuin in de nog onvoldoende beproefde rechtspraak. Een verhaal

Arnhem is in 2009 het werk van een groep strafrechters anders gaan inrichten, zij zijn meer zaaksgericht en minder zittingsgericht gaan werken. Dit betekent dat er afspraken met het bestuur zijn gemaakt over het aantal arresten op jaarbasis in ruil voor het zelf meer organiseren van het werk. De bestuurlijke resultaten zijn tot nu toe verbluffend. Met 30 procent van de strafrechters en medewerkers wordt meer dan de helft van het aantal meervoudige kamerzaken afgedaan, met daarenboven megazaken en andersoortige strafzaken. De zittingslast is voor deze rechters substantieel verlaagd, de doorlooptijden zijn teruggebracht tot minder dan 6 maanden en het aanhoudingspercentage bedraagt sinds jaren minder dan 10 procent waar dit laatste landelijk tussen de 25 en 60 procent schommelt. Een van de oorzaken is dat het team rechters en medewerkers binnen een week na binnenkomst van het dossier de onderzoekswensen bestudeert of inwint en de daaruit voortvloeiende getuigen hoort, voorafgaand aan de zitting. Deze werkwijze genereert meer teambuilding, temeer omdat een en ander ook nog verloopt langs de lijnen van eigen verantwoordelijkheid voor min of meer vaste strafkamers in het team die elk op een eigen wijze werken. Het is daarbij niet zo dat, zoals omstanders zouden kunnen denken, de proeftuinrechters het met minder zittingen makkelijker hebben. Deze groep rechters en hun medewerkers moeten continu alert zijn op uitval van strafzaken, zeer vroegtijdig de dossiers beoordelen, getuigen horen voorafgaand aan de zitting en zo verder. Minder zittingslast maar meer werklast benadert de realiteit dichter en geeft niettemin aan vrijwel iedereen het gevoel meer integrale verantwoordelijkheid voor het werk te dragen.
Waarom worden deze of andere zelfsturende werkwijzen niet overal ingevoerd? Daarvoor zijn meerdere redenen aan te voeren. Ik noem de twee belangrijkste.

1. Bestuurders en leidinggevenden staan niet graag verschillende werkwijzen toe. Ze sturen liever langs een eenduidige en vergelijkbare meetlat.
2. Verder willen niet alle rechters en medewerkers nieuwe werkwijzen ontwikkelen, het vergt creativiteit, doorzettingsvermogen om obstakels te overwinnen en bovenal monterheid.

De reden voor de inertie in de strafsectoren is gelaagd. Bestuurders bemoeien zich op de verkeerde manier met het rechterlijk domein door strafprocesreglementen in te voeren met daarin aanhoudingsprotocollen, oriëntatiepunten af te spreken waarin slechts 10 procent van de strafrechters is gekend of persrichtlijnen af te spreken waarin de rechter wordt verplicht tot het motiveren waarom hij geen camera in de zaal wil.
Diezelfde schier eindeloze rij geldt spiegelbeeldig voor rechters. Rechters zijn formeel passief gemaakt, maar zijn ook niet altijd uit het pro-actieve hout gesneden. Waarom kunnen veel rechters op hun eigen vierkante centimeter geen innovatieve stappen zetten? A-selectief enkele citaten: ik ben er niet om het falen van het openbaar ministerie te compenseren, ik wil wel meer organiseren maar dan wil ik een paar goede griffiers, het klinkt mooi om een sleutelfiguur te zijn maar dan hoort er ook een promotie bij, ik ben wel senior rechter maar ik heb niet de bevoegdheden van een teamvoorzitter, ik krijg geen medewerking van de raadkamerrechters, van het hoofd griffie, van de centrale roostermaker, ik krijg het niet voor elkaar om in vaste samenstellingen te werken en ik kan het niet helpen dat we niet kunnen aanhouden voor bepaalde tijd enzovoorts.

Als ik dit zo hoor is het geen verrassing dat de lokale bestuurders en afdelingsvoorzitters zelf iets verzinnen. Want er ligt in elk tijdsgewricht een dure plicht om het complexe probleem van een efficiëntere strafrechtspraak met nieuwe inzichten te benaderen. Het vergt veel geduld en tijd om de samenleving toereikend te bedienen, justitiabelen minder lang op hun berechting te laten wachten en ook nog een kwalitatieve ontwikkeling te borgen. Toch ben ik ervan overtuigd dat het antwoord voor de komende twee decennia, veel langer zou aanmatigend zijn, is gelegen in een nieuwe balans tussen centrale en decentrale aansturing, tussen meer ruimte voor strafrechters en minder ruimte voor zaken die standaardmatiger kunnen worden aangepakt. De leiding moet verschillende werkwijzen aanvaarden en een deel van de rechters zal zelf de hand aan de ploeg moeten slaan. Eenvoudig is dat niet omdat landelijk en lokaal onvoldoende onderkend wordt dat de Arnhemse proeftuin niet primair een bestuurlijke truc is om meer productie te halen. De proeftuin is een continue poging om geïntegreerd het strafproces te organiseren. Met deze vetgedrukte woorden bedoel ik dat het teamgericht samenwerken aan strafzaken landelijk nooit gelukt is en in Arnhem een voortdurend proces is met voorlopig veelbelovende resultaten maar desondanks in de kinderschoenen staat. Het besef dat mijn collega’s en ik ons niet te groot moeten voelen voor griffieproblemen en dat de griffie moet anticiperen op wat wij als rechter nodig hebben om de strafzaak te kunnen behandelen, leidt nog tot vele problemen. Alles hangt met alles samen en in het bijzonder rechters moeten breder organisatorisch overzicht ontwikkelen om het Wetboek van Strafvordering beter tot hun recht te laten komen. Ook de Arnhemse proeftuinrechters komen nog steeds tot nodeloze aanhoudingen omdat zij onvoldoende betrokkenheid tonen bij de voorfase waarin de griffiemedewerkers en griffiers een sleutelrol vervullen. Verder spreken Arnhemse rechters onderling nog te weinig, maar ook niet met de griffiers om een gedeeld vakmanschap te bespreken. De integraliteit van werken is dus nog niet volmaakt. Ontwikkelingen in de richting van een gedeeld vakmanschap starten uiteraard bij het Wetboek van Strafvordering. Ook in de proeftuin worden namelijk nog steeds zaken aangehouden omdat we niet altijd scherp hebben hoe een getuigenverzoek moet worden beoordeeld. Als de uitkomst van een andere ambachtelijke taakopvatting is dat 30 procent van de zaken moet worden aangehouden, dan zij dat zo, maar het vertrekpunt moet liggen in strafvorderlijke opvattingen en dan maakt het niet veel uit wat de leiding of de Raad voor de rechtspraak ergens van vindt. Een zelfbewuste rechter en griffier is niet eigenwijs, maar werkt juist in het besef van afhankelijkheid van schaarse zittingzalen, gerechtsbodes en parketpolitie. Het besef van onderlinge talenten en van spiegelbeeldige tekorten maakt dat – op een opbouwende wijze – onderling de nieren worden geproefd over de strafvorderlijke (on)mogelijkheden.

Een efficiënte strafrechtspleging is noch een kwestie van geld, noch een kwestie van bevoegdheden noch een kwestie van wie in de Raad voor de rechtspraak of in het lokale gerechtsbestuur zetelen. Een tijdige en kwalitatief verantwoorde strafrechtspraak wordt geboren in de boezem van een zelfbewuste en trotse strafkamer en is afhankelijk van een bescheiden en lerende attitude. Landelijk zal het een lange weg zijn om de verbindingen te herijken tussen rechters en ondersteuning en tussen rechters en de leiding. Maar met de juiste focus op de belangen van justitiabelen en ons hoge ambt is er veel mogelijk. Dan denken we niet in onhaalbare doelen, in beloning, promoties of in eerzucht, maar dan zijn we ontvankelijk voor positieve verhalen om onze klagende houding te stillen. Bovenal is weer nodig dat we beseffen dat rechterswerk stug en zwoegend werk is, geen geluk (dat moet je buiten je werk zoeken) maar wel een groot besef van wat maatschappelijke zin oplevert, waarbij we niet meer kunnen dan ons best doen. We zouden ons hierbij kunnen laten inspireren door de Braziliaan Ricardo Semler en vele anderen die visualiseren hoe we onze eigen en andermans positieve krachten kunnen aanboren zonder zweverig of esoterisch te worden. Vakmanschap is vooral een kwestie van schaven aan onszelf en proberen slimmer te werken dan voorheen.
Het lijkt overbodig, maar ik merk het toch maar op. De rechter die niet pro-actief wil werken werkt niet slechter, is geen slechtere rechter, heeft evenveel recht van bestaan, maar moet dulden dat het werk vóór hem georganiseerd wordt. Verschillende werkwijzen kunnen naast elkaar bestaan, vergen binnen een afdeling alleen verdraagzaamheid en ook dat is een opgave.
Ik ben blij dat ik vanaf heden bij leven en welzijn nog 18 jaar rechter mag zijn en nog vele veranderingen zal meemaken, bijvoorbeeld of er binnen de lokale gerechten weer meer geïntegreerd samengewerkt wordt. Het gaat om attitudevorming. Ik ben als rechter niet alleen, ik spreek geen recht namens of voor mezelf, maar ik ben onderdeel van een groter geheel, waarbij dat geheel zich bovenal aan mij vertoont in de directe collega’s van vlees en bloed met wie er meer mogelijk is dan wachten op betere tijden die niet zullen komen als ik niet probeer mezelf steeds opnieuw uit te vinden. Dat is het wezen van de Arnhemse proeftuin. Formeel is het experiment geëindigd, maar we houden de naam vast omdat onze werkwijze, lettend op onze dagelijkse Arnhemse gebreken en gezwoeg, een voortdurende proef en beproeving oplevert voor wat beter kan en waarin onze talenten scherper worden benut dan we soms zelf voor mogelijk hielden. Dagelijkse tegenslagen leiden binnen de proeftuin eerder tot onderlinge solidariteit en verbondenheid. Ik noem dat de troost van het menselijk tekort. Tekortschieten levert geen competitie of achterstelling op, maar onderlinge verbondenheid om het de dag erna weer opnieuw te proberen. Tot op heden lukt dit. Hier kan de lezer de eerste evaluatie van de eerste strafkamer in 2010 naslaan, drie jaar later, zijn de resultaten onveranderd zeer positief. Zwoegend ploegen op rotsige bodem met veel bevrediging en teamspirit. Makkelijker kan ik het verhaal niet maken, maar positief is het wel, uiteraard voor wie er binnen en buiten de Arnhemse rechtspraak voor openstaat. Want ook op dit punt maak ik me weinig illusies. Weerstand en passiviteit zullen het debat over eenieders best practice blijven dicteren. Het zij zo, ook dat is van alle tijden.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: