De cashende tante in Marokko

door GB op 22/08/2013

in Rechtspraak,Uitgelicht

Post image for De cashende tante in Marokko

Wat de weduwen van Srebrenica nog niet gelukt is, heeft de Rechtbank Amsterdam Marokkaanse en Turkse nabestaanden wel gegund: toegang tot de schatkist. Gisteren oordeelde de Amsterdamse bestuursrechter in een serie beroepsprocedures tegen de SVB dat de ingeboekte bezuinigingen als gevolg van het zogenaamde woonland-beginsel weer van tafel zijn. Het is onrechtmatig om de uitkeringen voor nabestaanden te verlagen omdat ze in een land wonen waar de kosten voor het levensonderhoud substantieel lager liggen dan hier.

De argwanende toeschouwer zal vermoeden dat er weer een of andere wereldvreemde rechter zijn eigen politieke overtuiging als een internationaal grondrecht verpakt heeft. De stap van medelijden met Marokkaanse weduwen naar verheven overwegingen over rechtszekerheid en eigendomsbescherming, is immers snel gezet. Maar wie de motivering van de rechtbank erbij pakt, ziet dat de uitspraak op veel steviger juridische grond staat. Europa heeft al sinds jaar en dag een zogenaamde Associatieovereenkomst met Turkije, en bij die overeenkomst hoort een Associatieraad. Die raad heeft in 1983 min of meer letterlijk besloten dat sociale voorzieningen niet mogen worden gekort omdat ze betaald worden aan iemand in Turkije. Sinds 1972 hebben we een verdrag met Marokko met letterlijk dezelfde inhoud.

De SVB probeerde zich nog te redden met het argument dat de uitkering niet beperkt werd met een gekorte betaling aan buitenlandse uitkeringsgerechtigden, maar dat de aanspraak lager vastgesteld werd voor iemand die in Turkije woont, waarna die lager vastgestelde aanspraak vervolgens ongekort wordt uitbetaald. Dat een rechter daar doorheen prikt, heeft niets met wereldvreemde opvattingen te maken. Ook het op zichzelf niet onredelijke argument dat de uitkering lager mag zijn als de humus goedkoper is, kan niet baten. Het was simpelweg ‘niet de afspraak’. Destijds was het kostenniveau in Turkije en Marokko ook al lager, terwijl ‘de verdragsluitende partijen – om hen moverende redenen – desondanks artikel 6 van Besluit 3/80 hebben vastgesteld.’

Resteert de omstandigheid dat de Staat dus kennelijk op zoek moet naar argumenten voor het woonlandbeginsel, waarmee de Turkse en Marokkaanse overheid kunnen instemmen. Dat dit soort kwesties internationaal dicht getikt zijn zal misschien politieke frustratie opleveren. Maar het ligt dit keer echt niet aan de rechter.

Related Posts with Thumbnails

{ 12 reacties… lees hieronder of reageer }

1 HA 27/08/2013 at 09:47

Timmermans probeert het verdrag met Marokko al een half jaar op te zeggen, dus voor deze ooms en tantes is deze uitspraak nog wel gunstig. In de toekomst wellicht niet meer.

2 a.zecha 31/08/2013 at 10:48

Een verfrissend verhaal over een onafhankelijke rechter.
a.zecha

3 BO 27/09/2013 at 12:24

@HA

Ook al wordt er verdrag met Marokko opgezegd, dan blijft die associatieovereenkomst nog gelden, zoals je hierboven kon lezen. Ze blijven alsnog hun rechten behouden.

4 HA 01/10/2013 at 13:19

@ BO

Ik had het nadrukkelijk om de Marokkaanse weduwen, als het gaat om de Turkse weduwen is het een stuk duidelijker inderdaad dat de associatieovereenkomst op basis van het unierecht blijft werken en ze hun rechten behouden.

Ten aanzien van de Marokkaanse weduwen:
Het besluit van de associatieraad is nog niet eens in werking getreden (r.o. 4.8). Ik lees in het vonnis dat als het om Marokko gaat, de zaak primair beslist wordt op basis van het verdrag en secundair op het besluit van de associatieraad. In het theoretische geval dat 1) het verdrag wordt opgezegd en 2) het besluit van de associatieraad nog steeds niet van kracht is, betwijfel ik of de rechter dezelfde uitspraak zal doen.

5 HA 11/01/2014 at 21:58

Update:
Gisteren werd bekend dat de Amsterdamse bestuursrechter ook geen enkele moeite heeft om art. 1 EP ruim toe te passen, zie ECLI:NL:RBAMS:2014:50 vanaf r.o. 9.1.

Het is volgens de rechter onrechtmatig op grond van art. 1 EP om een financiële onderhoudseis niet te verlagen als je op grond van het woonlandbeginsel kinderbijslag verlaagt. (r.o. 9.11)

Ik vind het terecht dat de rechter wijst op de afspraken die voortvloeien uit de associatieverdragen en besluiten. Maar dat de rechter hier art. 1 EP van stal haalt om dit ‘gebrek’ in de wetgeving te repareren (dat blijkens de MvT, Kamerstukken 32878, nr. 3 een bewuste keuze van de wetgever is geweest) vind ik onacceptabel.

Wat vinden jullie hiervan?

6 lyngbakken 14/01/2014 at 06:57

@ HA

Ik heb dat kamerstuk erbij gepakt, maar snap niet wat je bedoelt met bewuste keuze. Ik zie alleen dat de regering meer in algemene zin van mening was dat het eigendomsrecht niet werd geschonden. Vind je dat de rechter zich daar dan aan moet houden, of gaat het je om iets anders?

7 HA 14/01/2014 at 10:36

@ lyngbakken

De keuze van de wetgever was om bij introductie van het woonlandbeginsel de financiële onderhoudsbijdrage onverkort in stand te laten. Daar kun je politiek van alles van vinden. Het is echter naar mijn mening verkeerd dat de rechter artikel 1 EP van stal haalt om die keuze naar de prullenbak te verwijzen.

8 lyngbakken 14/01/2014 at 19:08

Ik zal dan maar aannemen dat het een bewuste keuze was van de wetgever om de financiële onderhoudsbijdrage onverkort in stand te laten.
Zeg je dan dat de rechter met ¨1 EP¨ in het algemeen bewuste keuzes van de wetgever niet opzij mag zetten, of gaat het je speciaal om het punt onderhoudsbijdrage? Is dat volgens jou wel een politiek punt, maar andere delen uit de wet niet?
En maakt het daarbij ook nog uit of de door jou genoemde (maar door mij niet gevonden) bewuste keuze is beargumenteerd of niet?

9 HA 14/01/2014 at 20:35

Op pagina 7 van datzelfde Kamerstuk is te lezen:
“In de AKW wordt het recht op kinderbijslag bepaald door onder andere de toets of de verzekerde het kind onderhoudt wanneer het kind niet tot zijn huishouden behoort. De regering is van mening dat de voorwaarden voor het verkrijgen voor een recht op kinderbijslag ongewijzigd dienen te blijven. De verzekerde moet daarom voor de vaststelling van het recht op kinderbijslag aantonen dat hij voldoet aan de onderhoudsvoorwaarden van het Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag en de Regeling inkomens kinderbijslag 1997.”

Hier zegt de regering vrij specifiek dat het een bewuste keuze is om die onderhoudsbijdrage in stand te laten.
Mijn standpunt is dat de rechter artikel 1 EP niet zo mag interpreteren dat een verplichte onderhoudsbijdrage ook onder het eigendomsrecht valt. Nergens uit het verdrag en de jurisprudentie van het EHRM blijkt volgens mij dat een dergelijke financiële verplichting onder het eigendomsrecht van artikel 1 EP zou vallen.

Dan maakt het inderdaad niet zozeer uit dat er een bewuste keuze van de wetgever ten grondslag lag aan de uitspraak op dit punt, maar het is wel tekenend dat de rechter relatief eenvoudig voorbij gaat aan wat de wetgever kennelijk bedoeld had.

10 lyngbakken 15/01/2014 at 21:23

Ik begrijp je punt echt niet. De rechtbank laat de onderhoudsbijdrage zoals die is vastgesteld toch juist helemaal ongemoeid, maar zegt dat de hoogte van de kinderbijslag (het eigendomsrecht) daarbij moet aansluiten?
Verder zie ik het door jou aangehaalde stuk nu staan, maar dat is een ander onderdeel van dat kamerstuk dan de paragraaf over artikel 1 EP (waar ik keek). In dat 1 EP-stuk wordt de onderhoudseis helemaal niet genoemd. Ik vraag mij dan ook af of de wetgever wel heeft nagedacht over de verhouding tussen artikel 1 EP, de onderhoudseis en de hoogte van de kinderbijslag.

11 HA 21/01/2014 at 13:54

De rechtbank stelt vast dat de financiële onderhoudseis niet ongewijzigd mag blijven als de regering de hoogte van de kinderbijslag verlaagt. Daarmee koppelt de rechtbank de onderhoudsbijdrage (geen eigendomsrecht) aan de hoogte van de kinderbijslag (wel een eigendomsrecht, hoewel betwist in literatuur).
Ook al laat de rechter de onderhoudsbijdrage zelf ongemoeid; de facto is hetzelfde resultaat bereikt; nl. dat de onderhoudsbijdrage zal bijgesteld moeten worden.

Mijn punt is dus dat 1) de rechtbank niet in r.o. 9.11 die evenredigheidstoets toegepast zou moeten hebben, gelet op het feit dat een onderhoudsbijdrage (financiële verplichting van een burger tegenover de overheid) niet gekoppeld is aan artikel 1 EP (gelet op tekst EVRM en jurisprudentie EHRM).

en 2) dat het m.i. opvallend is dat het ging om een bewuste keuze van de wetgever (r.o. 9.10) en dat de rechtbank hier wel makkelijk aan voorbij gaat. Dat de wetgever de onderhoudseis niet noemt in die artikel 1 EP passage is voor mij juist duidelijk een aanwijzing dat de wetgever (m.i. terecht) ervan uit ging dat de onderhoudseis los staat van het eigendomsrecht van artikel 1 EP.

12 lyngbakken 22/01/2014 at 07:55

Ook mij lijkt het EVRM geen koppeling te leggen tussen de onderhoudseis en het recht op kinderbijslag. Maar de nationale wet doet dat toch wel? Zowel de hoogte van de kinderbijslag als de on derhoudsbijdrage zijn toch gekoppeld aan de kosten van een kind? Dat is toch één van de kernpunten van de wet? Mij lijkt dat de rechtbank zich daaraan dan ook moet houden (behalve wanneer dat in strijd komt met het EVRM).

Of bedoel je te zeggen dat volgens jou die eis niet past in de evenredigheids- of proportionaliteitstoets? Zo ja, waarom dan? Ik ken geen rechtspraak uit Straatsburg die zegt dat dat niet kan, dus ik keek niet op van de rechtbankuitspraak op dit punt.

Ik zie ook niet waar je op baseert dat de onderhoudsbijdrage bijgesteld zal moeten worden. De rechtbank stelt die ook niet bij, maar stelt juist de hoogte van de kinderbijslag bij. Ik denk wel dat die bijstelling van de onderhoudsbijdrage voor de wetgever één van de mogelijkheden is. Maar er zijn er meer, zoals de door de rechtbank gemaakte keuze (verhoging van de kinderbijslag); of totale afschaffing van de kinderbijslag (een topic van D66) of een algehele afschaffing van kinderbijslag voor het buitenland (die wet ligt al klaar), of afschaffing van de onderhoudsbijdrage, en wie weet wat allemaal niet nog meer. Of die opties internationaalrechtelijk allemaal kunnen, weet ik overigens niet.

Tot slot: een wetgever die spreekt door iets niet te zeggen, is wat mij betreft zacht gezegd onduidelijker dan zou moeten. We weten dan niet wat de bedoeling is, en moeten zo goed mogelijk interpreteren. Voorzichtigheid lijkt mij dan juist geboden.

Leave a Comment

{ 1 trackback }


Vorige post:

Volgende post: