De evolutie van een eed

door LD op 24/04/2013

in Haagse vierkante kilometer

Post image for De evolutie van een eed

De afgelopen weken is op dit weblog royaal – excusez le mot – aandacht besteed aan de aankomende beëdiging en inhuldiging van de nieuwe Koning. De meeste bijdragen gingen over de vraag of er een morele, of zelfs juridische plicht bestaat voor Kamerleden om straks in de Nieuwe Kerk een eed af te leggen. Ik heb aan de discussie over deze vraag niet veel toe te voegen. In de bedoelde bijdragen en de reacties daaronder zijn alle argumenten pro en contra wel gewisseld. In dit stukje wil ik vooral stilstaan bij de tekstuele wijzigingen die de inhuldigingseed in de bijna tweehonderd jaar van zijn bestaan heeft ondergaan. Daarbij zal ik overigens niet spreken van de eed, maar van de plechtige verklaring van de voorzitter van de Verenigde Vergadering, aangezien dat de term is die de Grondwet in het verleden gebruikte en de Wet beëdiging en inhuldiging van de Koning thans gebruikt. De aanwezige leden beëdigen of bevestigen deze verklaring.

We komen de plechtige verklaring voor het eerst tegen in de Grondwet van 1814. Ons parlement stelt dan nog niet veel voor. Er is een Staten-Generaal die uit één kamer bestaat, indirect gekozen wordt door een beperkt kiezerscorps en beperkte bevoegdheden heeft. Artikel 29 bepaalt dat de Soevereine Vorst – de benaming ‘Koning’ dateert van 1815 – wordt ingehuldigd met de volgende plechtige verklaring:

“Wij zweren, dat wij, krachtens de grondwet van dezen Staat, U huldigen en ontvangen als Souvereinen Vorst der Vereenigde Nederlanden; dat wij Uwe hooge en souvereine regten zullen bewaren en onderhouden, U getrouw en gedienstig zullen wezen in de bescherming van Uwen persoon en staat, en voorts alles doen, wat goede en getrouwe Staten Generaal schuldig zijn en behooren te doen.”

Een jaar later moet de Grondwet door de samenvoeging van de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden tot één koninkrijk opnieuw worden gewijzigd. De Staten-Generaal bestaan voortaan uit twee kamers. De leden van de Eerste Kamer (een wens van de Belgen) worden door de Koning benoemd. Qua bevoegdheden hebben de beide Kamers reden tot klagen, want die zijn nog steeds niet indrukwekkend. De plechtige verklaring wordt wat overgeschilderd. Zij luidt nu (artikel 54 Grondwet 1815):

“Wij zweren, in den naam van het Volk der Nederlanden, dat wij, krachtens de Grondwet van dezen Staat, U als Koning huld[ig]en en ontvangen; dat wij de regten Uwer Kroon zullen bewaren en onderhouden, U getrouw en gedienstig zullen zijn in de bescherming van Uwen persoon en van Uwe Koninklijke waardigheid; wij zweren voorts alles te zullen doen, wat goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn en behooren te doen.”

Pas met de grondwetsherziening van 1848 begint het parlement trekken van een democratisch parlement te krijgen. De Tweede Kamer wordt rechtstreeks gekozen en met de invoering van ministeriële verantwoordelijkheid, versterking van het budgetrecht en toekenning van de rechten van amendement, enquête en interpellatie worden haar bevoegdheden en daarmee haar macht uitgebreid. De Eerste Kamer wordt voortaan indirect gekozen door de provinciale staten en de Koning krijgt het recht de Kamers te ontbinden. Ook het artikel over de plechtige verklaring krijgt een opknapbeurt. De regering merkt over de ‘eedsformulieren’ op dat die, “in 1815 niet zeer gelukkig vermaakt, naar het inzien der Regering, eenvoudiger, bondiger en juister uitdrukking behoeven”. Jammer genoeg legt de regering niet uit wat er minder juist was aan de oude plechtige verklaring, die op grond van artikel 52 van de Grondwet van 1848 in haar nieuwe uitvoering luidt:

“Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Nederlandsche volk en krachtens de Grondwet, U als Koning: wij zweren (beloven), dat wij uwe onschendbaarheid en de regten uwer Kroon zullen handhaven; wij zweren (beloven) alles te zullen doen, wat goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn te doen.”

De onschendbaarheid van de Koning en de daarmee corresponderende ministeriële verantwoordelijkheid zijn nieuwe elementen in de herschreven Grondwet. Met het opnemen van (het handhaven van) de onschendbaarheid in de nieuwe plechtige verklaring bedoelde de grondwetgever van 1848 wellicht dat de Kamers de discussie met de verantwoordelijke ministers zouden voeren, niet met de onschendbare Koning. Het is hoe dan ook deze plechtige verklaring die tot 1983 in de Grondwet staat. In dat jaar wordt zij geschrapt. Via een overgangsartikel blijft de tekst van de verklaring wel gelden totdat overeenkomstig het nieuwe artikel 32 Grondwet een wettelijke regeling is getroffen. De Wet beëdiging en inhuldiging van de Koning uit 1992 neemt de oude plechtige verklaring vrijwel integraal over. Het is dan ook de bedoeling, aldus de memorie van toelichting, dat “de, sinds de invoering van het koningschap gevestigde traditie van de inhuldiging van de nieuwe Koning door middel van het uitspreken van een plechtige inhuldigingsverklaring door de voorzitter van de verenigde vergadering van de Staten-Generaal en de beëdiging of bevestiging van die verklaring door de leden, voortgezet dient te worden”, een kwestie die de grondwetgever open had gelaten. De tekst van de verklaring moet wel wat worden gemoderniseerd en er dient ook aandacht voor het Statuut en de Antillen te zijn. Nadat de Nederlandse Antillen in 2010 zijn ontbonden, krijgt de plechtige verklaring haar definitieve gedaante. Zij luidt thans:

“Wij ontvangen en huldigen, in naam van de volkeren van het Koninkrijk en krachtens het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet, U als Koning; Wij zweren (beloven) dat wij Uw onschendbaarheid en de rechten van Uw Koningschap zullen handhaven. Wij zweren (beloven) alles te zullen doen wat goede en getrouwe Staten-Generaal, Staten van Aruba, Staten van Curaçao en Staten van Sint Maarten schuldig zijn te doen.”

Wat staat hier nu eigenlijk? Zoals met veel plechtige teksten is ook deze tamelijk ambigu. Als we een oude, in het Staatsblad gepubliceerde proclamatie uit 1815 erbij pakken, dan meldt die met veel klaroengeschal:

“De inhuldiging des Konings zal vergezeld gaan met al dien luister, aan zulk eene gewigtige gebeurtenis eigen, en overeenkomstig de oude gebruiken, openlijk onder den blooten hemel in tegenwoordigheid van eene groote schaar zijner onderdanen, zal de Koning hulde en verklaring van trouw ontvangen van de geheele natie.”

Gelet op de nogal serviele tekst van de verklaringen van de Grondwetten van 1814 en 1815 kun je gerust van een ‘eed van trouw’ aan de nieuwe Koning spreken, die kennelijk via de parlementariërs afkomstig is van de natie. De Monarch is soeverein (in 1814 althans) en de Staten-Generaal zijn ook nog eens tweemaal getrouw en eenmaal gedienstig. De verhoudingen zijn duidelijk. Maar in 1848 verandert de toon aanzienlijk. De ronkende taal rondom de Koning wordt wat afgezwakt en de gedienstigheid van het parlement verdwijnt uit de tekst. De Staten-Generaal zijn nu alleen nog maar goed en getrouw en de regering erkent dat de tekst van voorheen minder juist was. De verhoudingen zijn dan ook danig veranderd. In 1992 sneuvelt het mystieke woordje ‘Kroon’ en in de parlementaire stukken wordt de plechtige verklaring nergens aangeduid als een soort eed van trouw. In het geval van de eed van de Koning wordt wél uitdrukkelijk van een eed van trouw gesproken (MvT, p. 2), en daarvan is bij de eed die Kamerleden bij hun ambtsaanvaarding afleggen evident ook sprake. Maar over de plechtige verklaring zwijgt het papier.

Hoeveel er sinds de proclamatie van 1815 onder de constitutionele waterspiegel is veranderd, is onduidelijk. Teksten, en zeker plechtige teksten, zijn polyinterpretabel. Betekent het ‘getrouw’ in de huidige plechtige verklaring ‘getrouw aan de Koning’, of wellicht simpelweg plichtsgetrouw, en dus eerder trouw aan de samenleving? Alleen de wetgever kan hier definitief duidelijkheid scheppen, en dat zal hij na 30 april zeer waarschijnlijk ook wel doen.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: