De Exodus van de Nederlander overzee naar het Beloofde Land: Sint Maartense orkaangetroffenen in Nederland

door Ingezonden op 15/11/2017

in Decentralisatie

Post image for De Exodus van de Nederlander overzee naar het Beloofde Land: Sint Maartense orkaangetroffenen in Nederland

Op 6 september jl. raasde orkaan Irma over Sint Maarten en richtte enorme schade aan op het eiland. Enkele Sint Maartense orkaangetroffenen waren genoodzaakt om halsoverkop, onder meer vanwege acute medische nood, met speciale vluchten Sint Maarten te verlaten en hun heil te zoeken in (Europees) Nederland. De komst van de Sint Maartenaren, hoewel het maar om enkele tientallen mensen ging, is bepaald niet onopgemerkt gebleven. Een paar – vooral Noord-Hollandse – gemeenten blijken met de Caribische medeburgers ernstig in hun maag te zitten. Kunnen de Sint Maartenaren aanspraak maken op sociale voorzieningen in Nederland, zoals bijstandsrechten? Het rumoer heeft inmiddels ook de Tweede Kamer der Staten-Generaal bereikt. De Kamer verzocht op 31 oktober jl. de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een reactie te geven op de door de gemeenten gesignaleerde zorgen. Naar aanleiding van dit Kamerverzoek heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Ollongren op 6 november de Kamer bericht inzake de positie en status van de desbetreffende Sint Maartenaren in Europees Nederland.

De minister toont zich in haar brief van de zuinige kant. Erkend wordt dat Sint Maartenaren Nederlandse staatsburgers zijn met als gevolg dat zij vrij mogen reizen naar Europees Nederland en zich tevens vrij mogen vestigen aldaar. Waar wordt gesproken over het levensonderhoud, onderdak en de financiële of andersoortige ondersteuning van de Sint Maartenaren, wordt de zogenoemde ‘zelfredzaamheid’ van de Sint Maartense burger als uitgangspunt gepresenteerd. In aansluiting hierop wordt gesteld dat de hulpverlening van Nederland aan Sint Maarten gericht is op het eiland zelf, en dus niet op Sint Maartenaren in Nederland. Indien Sint Maartenaren besluiten om te vertrekken naar Nederland, dan heeft dat tot gevolg dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor hun levensonderhoud in Nederland, aldus de minister.

Wat te vinden van deze brief van de minister? Het verdient opmerking dat de Grondwet en de Participatiewet een enigszins ander – wellicht minder zelfredzaam – uitgangspunt van de burger hanteren. Op grond van artikel 20 lid 3 Grondwet jo. 11 lid 1 Participatiewet hebben in Nederland woonachtige Nederlanders die niet in hun bestaan kunnen voorzien recht op bijstand van overheidswege. Het Nederlanderschap en het ingezetenschap zijn bij de toekenning van bijstand relevant (Klosse/Vonk 2016, p.75). Hamvraag is derhalve wat wordt verstaan onder een in Nederland woonachtige Nederlander. Vast staat dat de Sint Maartenaren het Nederlandse burgerschap bezitten en dus vallen onder de term ‘Nederlander’ in de zin van art. 11 Participatiewet. Eerdere pogingen om Nederlanders uit Aruba, Curaçao en Sint Maarten uit te sluiten van het recht op bijstand in Nederland hebben de eindstreep niet gehaald (Kamerstukken II 2012-2013, 33 325, nr. 6). Voor wat betreft het woonvereiste verwijst artikel 40 lid 1 Participatiewet naar de artikelen 1:10 lid 1 en 1:11 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond daarvan is de woonplaats van een natuurlijk persoon zijn woonstede, en bij ontbreken daarvan zijn werkelijk verblijf. Sinds 2006 wordt echter een strengere maatstaf gehanteerd om sociaal toerisme te voorkomen. Of iemand woonachtig is in Nederland dient volgens de regering te worden beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden van het geval (Kamerstukken II 2005-2006, 40 493, nr. 3). Indien vast staat dat de desbetreffende persoon tijdelijk in Nederland verblijft (bijvoorbeeld voor een medische behandeling) kan volgens de regering geen aanspraak worden gemaakt op bijstand. In deze benadering hebben de tientallen Sint Maartenaren in beginsel geen recht op bijstand in Nederland, vanwege de omstandigheid dat zij tijdelijk in het land verblijven. Echter, de hardheidsclausule van de Participatiewet, vervat in art. 16, kan de Sint Maartenaren wellicht een handje helpen. Op grond van deze bepaling is het college van B&W van de gemeente waar de Sint Maartenaar zijn werkelijk verblijf heeft, bevoegd bijstand te verlenen aan iemand die niet voldoet aan de wettelijke vereisten indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. De acute noodsituatie die orkaan Irma op het eiland heeft veroorzaakt kan de werking van deze hardheidsclausule wellicht activeren. De politieke en bestuurlijke organisatie van het eiland is immers volledig weggevallen. Vermeldenswaardig is bovendien dat de problematiek zoals hierboven omschreven zich niet voordoet indien de Sint Maartenaren zich inschrijven in de Basisregistratie Personen van de gemeente waar zij zich daadwerkelijk vestigen en indien zij geen andere middelen van bestaan hebben. Ergo, anders dan van Mozes werd verwacht in het Bijbelboek Exodus, kan van de Sint Maartense Nederlander niet worden verwacht om de tabernakel zelf op te richten – (tijdelijke) hulp van overheidswege voor rijksgenoten is in dergelijke noodsituaties aangewezen.

G. Karapetian
Promovendus Staatsrecht RuG

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: