De filibuster

door FTG op 30/09/2010

in Buitenland

Omdat veel staatsrecht door gewoonte en dus deels door toevalligheden tot ontwikkeling komt, zijn niet alle regels even rationeel. Soms hebben regels zelfs voornamelijk onbedoelde nadelen en geen of nauwelijks voordelen. Een goed voorbeeld hiervan is het verschijnsel van de filibuster in de Amerikaanse senaat. Een filibuster houdt kort gezegd in dat een senator (of meerdere senatoren) zo lang het woord blijft voeren over een bepaald wetsvoorstel (waar hij tegen is) dat stemming hierover praktisch onmogelijk wordt. Het wetsvoorstel kan dan niet aangenomen worden, ook al is een meerderheid in de senaat voor die wet. Tegenwoordig komt een daadwerkelijke filibuster nog maar nauwelijks voor, maar is de dreiging daarmee al voldoende om een wetsvoorstel tegen te houden. En daar wordt wel regelmatig gebruik van gemaakt. De mogelijkheid van de filibuster heeft er toe geleid dat het nu praktisch gesproken zo is dat om een wetsvoorstel in de senaat aangenomen te krijgen, een meerderheid van 3/5e van de stemmen nodig is in plaats van een normale meerderheid.

Hoe is die situatie ontstaan? In ieder geval niet door een bewuste keuze van de wetgever of enige andere regelgever. In het reglement van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden (the house rulebook) is sinds 1789 geregeld dat een eenvoudige meerderheid kan besluiten dat een debat beëindigd wordt en tot stemming overgegaan wordt. Die regel maakt een filibuster onmogelijk. Het reglement van de senaat (Senate rulebook) kende een soortgelijke bepaling, die echter in 1806 geschrapt is. Dit gebeurde om het reglement te stroomlijnen en te ontdoen van, in de ogen van de toenmalige senaat, overbodige regels. Omdat er verder geen regels zijn die de spreektijd van een senator beperken, maakte het schrappen van die regel het verschijnsel van filibusteren mogelijk, ook al was dat niet wat men op het oog had. De eerste filibuster dateert dan ook pas van 1837.

De filibuster is dus niet bewust gecreëerd, maar mogelijk gemaakt door een lacune: het ontbreken van een regel waarmee een debat beëindigd kan worden. Waarom dan geen regel maken waardoor de filibuster niet meer mogelijk is? De normale meerderheid binnen de senaat zou dat misschien wel willen, maar ook het debat over een regel om filibusteren te beëindigen, kan gefilibusterd worden. En aangezien door het filibustersysteem minderheden in de senaat een nieuwe regel kunnen tegenhouden en minderheden (maar meerderheden niet) baat hebben bij het bestaan van de filibuster, is het heel moeilijk om deze situatie te wijzigen.

In 1917 werd de eerste stap ondernomen om verbetering aan te brengen in deze stand van zaken en werd na lang onderhandelen een zogenaamde “cloture rule” opgenomen in het reglement van de senaat. Deze regel hield in dat als twee derde van de (meestemmende) senatoren daar mee instemde, het debat beëindigd kon worden en het voorstel ter stemming werd voorgelegd. Vervolgens is dan slechts een gewone meerderheid nodig om het voorstel aan te nemen. In 1975 is deze regel aangepast en vereist nu dat drie vijfde van alle senatoren (dus 60) er mee instemmen dat het debat beëindigd wordt. Voor het veranderen van deze regel geldt overigens nog wel het vereiste van een twee derde meerderheid. Dus voorstellen om het mogelijk te maken een debat te beëindigen met een normale meerderheid, hebben om aangenomen te worden een meerderheid van minstens 67 senatoren nodig.

Een dergelijk systeem werkt natuurlijk verstarring in de hand en geeft een behoudende minderheid de kans om wetten tegen te houden waar op zich een meerderheid van het Huis van Afgevaardigden en een meerderheid van de senaat voorstander van is (overigens maken niet alleen de republikeinen maar ook de democraten regelmatig gebruik van dit middel als dat zo uitkomt). Want een meerderheid van 60 senatoren komt vrijwel nooit voor. Vorig jaar konden de democraten echter tijdelijk door min of meer toevallige omstandigheden over zestig stemmen in de senaat beschikken. Zonder die zestig stemmen was de controversiële health care reform bill nooit wet geworden.

Het probleem van dreigende verstarring wordt nog verergerd doordat de filibuster steeds meer een partijpolitiek instrument geworden is. In de 19e en 20e eeuw werd een filibuster nog gezien als een ultimum remedium; alleen bij kwesties die van zeer groot belang werden geacht, werd de filibuster ingezet om een wet tegen te houden. Nu is van terughoudendheid nauwelijks sprake. In de jaren zestig werd acht procent van de wetsvoorstellen gefilibusterd. Voor de laatste tien jaar ligt dat percentage echter al op zeventig procent van de wetsvoorstellen.

Ondanks de evidente nadelen, zal het moeilijk worden om de filibuster onmogelijk te maken. Daar is immers een meerderheid van 67 senatoren voor nodig. Dat die meerderheid er ooit komt is niet zo waarschijnlijk. De partij die in de minderheid is, heeft belang bij de mogelijkheid van de filibuster en zal dus de meerderheid liever niet de benodigde stemmen verschaffen om hen die mogelijkheid te ontnemen. De meest kansrijke strategie lijkt te zijn om het eens te worden over een wijziging, maar die wijziging pas over zes of acht jaar in werking te laten treden. Dat heeft als voordeel dat geen van de partijen weet wie tegen die tijd de meerderheidspartij is en geen van de partijen dus weet of zij voor- of nadeel zullen hebben van de wijziging.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: