De gebrekkigheid van een verschoven veendijk: epiloog (?)

door PWdH op 03/06/2014

in Rechtspraak, Uitgelicht

Post image for De gebrekkigheid van een verschoven veendijk: epiloog (?)

Een tijdje geleden berichtten we op dit blog over de zaak van de verschoven veendijk te Wilnis. De gemeente De Ronde Venen sprak het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht aan tot vergoeding van de schade als gevolg van de dijkverschuiving, waarbij een meter water kwam te staan in een Wilnisser woonwijk. De gemeente baseerde haar vordering primair op de risicoaansprakelijkheid voor opstallen van artikel 6:174 BW. Dat is aantrekkelijk, omdat op grond van deze bepaling de bezitter van een opstal in principe steeds aansprakelijk is voor de schade die een opstal veroorzaakt, als die opstal gebrekkig is. Het is niet nodig om – zoals bij de ‘gewone’ onrechtmatige daad – ook aan te tonen dat de eigenaar wist van dat gebrek en er dus iets aan had moeten doen. Voor de gemeente leek het zo een eenvoudige zaak: een dijk die bezwijkt en verschuift, deugt niet en is dus gebrekkig, zodat het hoogheemraadschap aansprakelijk is en de gemeente haar schade op het hoogheemraadschap kan verhalen.

Afgezien ervan dat het nu niet bepaald een fraai plaatje is dat de ene overheid de andere in rechte aanspreekt, betrok de lucht voor de gemeente ook juridisch al snel. Het hoogheemraadschap voerde namelijk aan dat in dit geval geen risicoaansprakelijkheid moest worden aangenomen op grond van artikel 6:174 BW, omdat de dijkverschuiving – midden in de zomer van 2003 – niet was veroorzaakt doordat die het water in de Ringvaart niet meer kon keren, maar door uitdroging. Dat was, aldus het hoogheemraadschap, een risico dat destijds niet bekend was. Het hoogheemraadschap was dus niet alleen (subjectief) niet op de hoogte van het gebrek, maar kon dat ook (objectief) niet kennen, omdat het ueberhaupt niet bekend was. De risicoaansprakelijkheid van opstallen was voor zo’n geval niet bedoeld, zo betoogde het hoogheemraadschap.

De Hoge Raad ging hierin mee, maar toch ook weer niet helemaal. Hij oordeelde dat het bij de vraag of een opstal gebrekkig is – in termen van artikel 6:174 BW of een opstal ‘voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen’ – aankomt op een soort kelderluikachtige afweging. Het gaat erom of de ‘de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn’ (r.o. 4.4.4). Bij die afweging moet ook het verweer van het hoogheemraadschap worden betrokken dat het gebrek objectief niet te kennen viel. Ook de beleidsvrijheid van het hoogheemraadschap moet daarin worden verdisconteerd, evenals de financiële middelen waarover het beschikt (r.o. 4.4.5).

Het gegeven dat het gebrek aan de veendijk naar objectieve maatstaven niet kenbaar was, omdat uitdroging als risico voor een veendijk onbekend was, zoals het hoogheemraadschap stelde, hoeft er dus niet per se aan in de weg te staan dat de veendijk als gebrekkig in de zin van artikel 6:174 BW wordt aangemerkt. Maar het kan er wel aan in de weg staan. De Hoge Raad gaf nog wel enige regieaanwijzingen: het feit dat de dijk verschoven was, leverde een bewijsvermoeden op dat deze ook gebrekkig was. Het hoogheemraadschap moet tegenbewijs leveren, dat ondanks de verschuiving de dijk toch deugt. Daaraan voegde de Hoge Raad nog toe (r.o. 4.4.5):

De hierboven genoemde factoren kunnen in voorkomend geval in uiteenlopende richting wijzen, maar daarbij verdient aantekening dat de aard, de bestemming en de waarborgfunctie van de kade zwaarwegende factoren zijn die kunnen meebrengen dat daartegenover aan andere omstandigheden minder gewicht toekomt of ertoe kunnen nopen dat aan de onderbouwing van stellingen met betrekking tot de niet-kenbaarheid van het gevaar van een kadeverschuiving strenge eisen worden gesteld.

Inmiddels heeft het verwijzingshof (Den Haag) een knoop doorgehakt. Het hof acht het hoogheemraadschap geslaagd in het leveren van tegenbewijs, ter ontzenuwing van het vermoeden dat de dijk gebrekkig was. Dit omdat twee getuigen en een deskundigenrapport het rapport van GeoDelft, dat het hoogheemraadschap eerder al in het geding bracht en dat  uitdroging als oorzaak van de dijkverschuiving aanwijst, grosso modo bevestigen:

Het hof blijft bij hetgeen het daarover in zijn arrest van 17 april 2012 heeft overwogen. Het heeft in dat arrest geconcludeerd dat, indien op basis van de stellingen van het Hoogheemraadschap zou komen komt vast te staan dat de kade is gaan schuiven als gevolg van – in 2003 nog niet als risico onderkende – langdurige droogte, het voldoende tegenbewijs heeft geleverd tegen het vermoeden dat de kade niet voldeed aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen (rechtsoverweging 5). Het heeft voorts geoordeeld dat ten tijde van de verschuiving van de kade sprake was van een extreme droogte (rechtsoverweging 13). Uit het rapport van de deskundige volgt dat de zwakte van de kade onder (zeer) droge omstandigheden hoogstwaarschijnlijk tot de verschuiving heeft geleid; het geeft geen enkele aanleiding te veronderstellen dat deze verschuiving onder normale of natte omstandigheden zou hebben plaatsgevonden. Daarbij komt dat niet aannemelijk is geworden dat het horizontale glijvlak op een ander niveau heeft gelegen dan het niveau dat in het GeoDelft-rapport is aangegeven (wat wellicht had kunnen wijzen op een mogelijke andere oorzaak van de verschuiving van de kade). Het hof gaat voorbij aan de onder 5 weergegeven bevindingen van de deskundige voor zover deze betrekking hebben op de berekening van de voor droge omstandigheden te hanteren stabiliteitsfactor. Het moge zo zijn dat bij die berekening van een te hoge veensterkte is uitgegaan en dat onbruikbare monsters zijn onderzocht, waardoor voor zeer droge omstandigheden volgens Vermeer een veel te hoge stabiliteitsfactor is gevonden, het hof heeft in zijn arrest van 17 april 2002 (rechtsoverweging 5) reeds overwogen dat langdurige droogte in 2003 nog niet als risico was onderkend en pas na 2003 als belastingssituatie is geïdentificeerd, en dat het daarom aankomt op de vraag of de kade is gaan schuiven als gevolg van langdurige droogte. Vermeer beantwoordt die vraag positief en het hof sluit zich daarbij aan. Vermeer geeft daarbij aan dat dit antwoord zowel geldt als de aangebrachte damwand een perforatie van de kleilaag heeft teweeggebracht als wanneer dat niet het geval was. Het hof kan de vraag of die perforatie heeft plaatsgevonden, daarom in het midden laten. De slotsom is dat het door het Hoogheemraadschap geleverde tegenbewijs voldoende is.

De verschoven veendijk is dus niet gebrekkig in de zin van artikel 6:174 BW en het hoogheemraadschap dus niet aansprakelijk op grond van de risicoaansprakelijkheid voor opstallen. De gemeente vangt vervolgens ook bot op de subsidiaire grondslag van haar vordering tot schadevergoeding: de gewone onrechtmatige daad. Naar het oordeel van het hof is het hoogheemraadschap, alles in aanmerking genomen, met haar beheer van de veendijk niet ‘beneden de zorg van een goed beheerder’ gebleven. Daarmee blijft ons voorlopig een spectaculair oordeel dat het hoogheemraadschap aansprakelijk zou zijn voor een dijkverschuiving bespaard. Dat is misschien maar goed ook, gezien de aansprakelijkheidslast die daarmee op macroniveau gemoeid zou kunnen zijn. Al valt ook weer niet meteen in te zien waarom een dijkbeheerder die de boel verwaarloost niet aansprakelijk zou moeten kunnen zijn voor de schade die daardoor ontstaat.

De zaak van de Wilnisser veendijk leert in elk geval dat het theoretisch wel mogelijk is de bezitter van een dijk aan te spreken in zijn hoedanigheid van bezitter, op grond van artikel 6:174 BW. Theoretisch ook staat trouwens opnieuw cassatieberoep open (art. 398 Rv) tegen het arrest van het verwijzingshof. Wie per se wil, kan misschien de klacht verzinnen dat de ‘strenge eisen’ aan het tegenbewijs, waarvan de Hoge Raad spreekt in de hierboven geciteerde rechtsoverweging, in het arrest van het hof niet nadrukkelijk uit de verf komen. Of althans dat het hof het grote gewicht dat het toekent aan de objectieve onkenbaarheid van uitdroging als risicofactor niet echt afzet tegen, kort gezegd, de waarborgfunctie van een dijk. Maar het is de vraag of de Hoge Raad daarvoor erg ontvankelijk zou zijn, gezien zijn eerdere cassatie. Bovendien kan ik me eigenlijk ook niet voorstellen dat de gemeente nu nog weer verder zou willen procederen tegen, als gezegd, nota bene een andere overheid.

{ 3 reacties… read them below or add one }

1 Martin Holterman 03/06/2014 om 20:09

Geinig. Kan ik nu als privépersoon ook aanvoeren dat ik niet aansprakelijk ben voor mijn opstal omdat ik “de financiële middelen” niet had om er goed op te passen?

2 M.J. Hoogendoorn 03/06/2014 om 21:29

@Martin Holterman

M.i. alleen als naar de stand der wetenschap destijds niet bekend was dat geld smijten de gebrekkigheid had kunnen verhelpen.

Alles overziende lijkt de HR met enige omhaal van woorden een ‘state of the art’-verweer te honoreren. De overweging over financiële middellen is m.i. overbodig en, inderdaad, nogal ongelukkig. Ik neem aan dat de HR tot uitdrukking heeft willen brengen dat de bezitter niet tot het onmogelijke gehouden is en zijn investeringen in onderhoud kan afstemmen op een algemeen geaccepteerde norm. Voor de huizenbezitter betekent dit dat hij niet aansprakelijk is (c.q. zijn opstal niet gebrekkig is) indien de dakpannen bij een gemiddelde najaarsstorm blijven liggen en voor een dijkbezitter als deze maar eens in de x eeuwen overstroomt.

3 PWdH 03/06/2014 om 23:02

Leuke discussie. Het meewegen van financiële middelen is wel echt alleen bedoeld voor overheden die worden aangesproken op grond van artikel 6:174 BW. Maar apart is het, dat de beschikbare financiële middelen met zoveel woorden een rol kunnen spelen bij het aannemen van aansprakelijkheid.

Voor de liefhebber: Hartlief schrijft over precieze betekenis die (volgens hem) aan het oordeel van de Hoge Raad moet worden toegekend uitgebreid in de overheidsaansprakelijkheid-bundel Coulant compenseren, uit mijn hoofd gezegd in lijn met wat Hoogendoorn schrijft.

Zie ook het recente arrest over stelplicht en bewijslast (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2014:831): met alleen maar stellen dat ‘het geld op is’ komt de aangesproken overheid niet weg. Waarover ook Hartlief trouwens: http://njb.nl/blog/de-draagkracht-van-de-gedaagde-overheid.12061.lynkx.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: