De Grand Chamber over kruisbeelden op openbare scholen in Italië

door Ingezonden op 11/04/2011

in Grondrechten, Rechtspraak

Post image for De Grand Chamber over kruisbeelden op openbare scholen in Italië

Weinig uitspraken van het EHRM hebben het afgelopen jaar zoveel aandacht getrokken als die in de zaak Lautsi van november 2009, over de kruisbeelden op openbare scholen in Italië. Misschien nog wel meer dan de zaak Hirst over het stemrecht van gedetineerden, waarvan de Britse premier Cameron zei dat deze hem ‘physically ill’ maakte, gaf Lautsi aanleiding tot grote publieke verontwaardiging. Het Hof bestond het om de Italiaanse regering te veroordelen vanwege de wettelijke verplichting op alle scholen (dus ook openbare) crucifixen in de klaslokalen aan te brengen! Het Hof zou hiermee opnieuw bewijzen dat het te ver ging, dat het de nationale soevereiniteit op onaanvaardbare wijze aantastte.

Maar op 18 maart 2011 heeft de Grand Chamber opnieuw uitspraak gedaan, nadat de Italiaanse regering hoger beroep tegen de zaak had aangetekend. De eerste uitspraak is nu herroepen. Volgens de Grand Chamber heeft de Italiaanse regering door kruisbeelden verplicht te stellen op alle scholen in Italië, geen inbreuk gemaakt op artikel 2 lid 1 Eerste Protocol bij het EHRM. In deze bepaling staat dat: ‘Niemand mag het recht op onderwijs worden ontzegd. Bij de uitoefening van alle functies die de Staat in verband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt, eerbiedigt de Staat het recht van ouders om zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen.’

Beleidsvrijheid

De Grand Chamber (althans 15 van de 17 rechters) meent dat de Italiaanse autoriteiten, door crucifixen zelfs op openbare scholen verplicht te stellen, handelden binnen de grenzen van de ‘margin of appreciation’. Geen inbreuk op artikel 2, Eerste Protocol dus. De eer van Italië is gered.

Tja. Met die ‘beleidsvrijheid’ wordt de zaak dus eigenlijk aan de betrokken staat overgelaten. Maar vanzelfsprekend is dat niet. Mevrouw Lautsi beriep zich immers tegenover de Italiaanse autoriteiten niet op de vrijheid van godsdienst, maar op het recht haar kinderen overeenkomstig haar levensbeschouwelijke opvattingen te mogen opvoeden. Door de kinderen naar een openbare school te sturen, meende zij (althans haar kinderen) gevrijwaard te blijven van religieuze symbolen. Toch bepaald geen onredelijke verwachting, zou je zeggen.

De Kamer in eerste instantie

De Kamer van 7 rechters van het Hof, die de zaak in eerste instantie beoordeelde, meende dan ook dat het ophangen van een religieus symbool, uitgevaardigd in de uitoefening van de publieke functie, wel degelijk het recht van ouders beperkt om hun kinderen op te voeden conform hun religieuze en levensbeschouwelijke opvattingen. Bovendien beperkt de maatregel het recht van minderjarigen om te geloven of niet te geloven. Het voorschrift over de crucifixen werd daarom onverenigbaar geacht met de plicht van de staat om neutraliteit te betrachten in de uitoefening van zijn publieke functie. Dat geldt in het bijzonder voorzover het gaat om het terrein van het onderwijs, aldus de Kamer van 7 rechters. Deze Kamer concludeert dan ook tot schending van art. 2, Eerste Protocol EVRM in samenhang met artikel 9 EVRM.

Deus ex machina

Waarom komt dan nu bij de Grand Chamber (van 17 rechters, waarvan 15 het met de einduitspraak eens zijn) ineens de ‘margin of appreciation’ als een deus ex machina uit de lucht vallen? Hoewel de appreciatiemarge vast onderdeel is van de case-law van het Hof, wordt deze doctrine vooral daar gehanteerd waar de betreffende verdragsbepaling een belangenafweging van de lidstaat mogelijk maakt. Zo staat in de artikelen 8 tot en met 11 EVRM (‘family life’, vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering) immers in het tweede lid de zinsnede ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’. De noodzakelijkheidtoets kan, als over het legitieme doel van de beperking geen consensus bestaat binnen de landen van de Raad van Europa, volgens vaste jurisprudentie leiden tot de overweging van het Hof dat de lidstaten een zekere beleidsvrijheid moet worden gelaten. Wat ‘noodzakelijk’ is kan van staat tot staat verschillen en het Hof dient de staat (die een betere inschatting kan maken van de situatie) een zekere vrijheid te laten. In die situaties treedt het Hof alleen als supervisor op. Probleem is alleen wel dat de ‘margin of appreciation’ uiteindelijk tot een automatische goedkeuring van statelijke inbreuken kan leiden.

Maar, terugkomend op deze zaak: de clausule of de beperking ‘noodzakelijk in een democratische samenleving ‘ is, staat helemaal niet in artikel 2, Eerste Protocol. Het Hof gebruikt de ‘margin of appreciation’ (die uiteraard veel vaker bruikbaar is voor het Hof) nu in een heel ander verband. De redenering gaat als volgt. De crucifix is een religieus symbool. Maar de Italiaanse regering meent dat de aanwezigheid van crucifixen in klaslokalen deel uitmaakt van de historische ontwikkeling van Italië. Het kruisbeeld heeft daarom niet alleen een religieuze connotatie, maar tegelijk een ‘identity-linked one’. De crucifix staat dan ook in een traditie, die (volgens de Italiaanse regering) moet worden voortgezet. Sterker, de crucifix symboliseert de ‘beginselen en waarden die de oorsprong van de democratie en westerse beschaving vormen’. Om die reden is de aanwezigheid van het kruisbeeld in klaslokalen gerechtvaardigd (rechtsoverweging 67).

Vervolgens stelt het Hof dat over de vraag òf deze traditie moet worden voortgezet, binnen de lidstaten geen overeenstemming bestaat en dat deze daarom binnen de ‘margin of appreciation’ van de betrokken staat valt. Ecco! Maar natuurlijk is er geen consensus onder de lidstaten over de vraag of religieuze symbolen op staatsscholen geoorloofd zijn, sterker, de meeste landen hebben op dat punt helemaal geen regeling getroffen…

Kruisbeeld geen indoctrinatie

Interessant is nog wat het Hof stelt over de mogelijk indoctrinerende werking die van een kruisbeeld aan de muur kan uitgaan. In essentie gaat het om een passief symbool, meent de Grand Chamber. Vandaar dat het principe van neutraliteit toch gewaarborgd is. Anders dan de Kamer, die (de crucifix en de hoofddoek) aanduidde als ‘powerful external symbols’, meent het Hof dat ‘it cannot be deemed to have influence on pupils comparable to that of didactic speech or participation in religious activities.’ (rechtsoverweging 73).

Vijftien tegen twee rechters menen dat de verplichting ook op openbare scholen kruisbeelden in klaslokalen op te hangen, geen schending van artikel 2, Eerste Protocol EVRM oplevert. Maar de vraag blijft natuurlijk wel; naar welke school moeten mensen als mevrouw Lautsi (een echte Prinzipienreiter) hun kinderen (die inmiddels 18 en 20 zijn) dan naar toesturen?

De dissenters

Laten we eens naar de dissenting opinion kijken, ondertekend door twee rechters.

Interessant is om te beginnen dat rechter Malinverni (uit Zwitserland) constateert dat het rechtsvergelijkende onderzoek van het Hof laat zien dat in de meeste landen geen specifieke regeling bestaat over de crucifixen in klaslokalen. Definitieve conclusies over een Europese consensus (of het ontbreken daarvan) lijken dus moeilijk te trekken. In het geval van Italië ging het bovendien om betrekkelijk oude, Koninklijke besluiten, waarvan dus de democratische legitimatie twijfelachtig was (rechtsoverweging 1, 4e alinea). Maar dat terzijde.

De dissenter gaat vervolgens in op artikel 2, Eerste Protocol, waarvan hij meent dat het (in de tweede zin) een positieve verplichting aan de staat oplegt het recht van ouders te eerbiedigen om dat onderwijs en die opvoeding te die in overeenstemming is met hun religieuze en filosofische overtuigingen. Vervolgens stelt de rechter dat waar staten positieve verplichtingen opgelegd krijgen, de margin of appreciation beperkt is (!)

De hedendaagse multiculturele samenleving, vervolgt de rechter, vereist strikte neutraliteit ten aanzien van openbaar onderwijs (rechtsoverweging 2, 1e alinea). De staat dient zich in te spannen om pluralisme in het onderwijs, als ‘fundamenteel kenmerk van een democratische samenleving in de zin van de Conventie te bevorderen. Opmerkelijk is dat het Italiaanse Constitutionele Hof in zijn jurisprudentie het principe van staatsneutraliteit ook uitdrukkelijk erkent – de staat moet onpartijdig zijn ten opzichte van religieuze overtuigingen.

Artikel 2, Eerste Protocol eist bovendien dat de staat, bij het vervullen van zijn taken, erop toeziet dat kennis op objectieve, kritische en pluralistische wijze wordt overgebracht. ‘Schools should be a meeting place for different religions and philosophical convictions, in which pupils can acquire knowledge about their respective thoughts and traditions.’ En: het principe van neutraliteit van de staat ten aanzien religieuze denominaties betreft niet alleen over de inhoud, maar het gehele onderwijssysteem (rechtsoverweging 3, eerste alinea).
Aangezien primair en secundair onderwijs verplicht is, mag de staat niet een symbool aan leerlingen opdringen waarmee zij zich niet kunnen identificeren. Door dat te doen, schendt de Italiaanse regering de bewuste bepalingen, aldus de dissenters.

In een onlangs door de Universiteit van Amsterdam georganiseerd symposium over rechterlijk activisme, stemde een van de aanwezige rechters van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (Egbert Myjer) nadrukkelijk in met de stelling dat de rechter mede tot taak heeft minderheden te beschermen. Maar, als dat zo is, waarom is mevrouw Lautsi dan niet in het gelijk gesteld, als behorend tot de minderheid in het gelovige Italië?

Carla Zoethout, docent Staatsrecht UvA

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 Hein 11/04/2011 om 23:32

Het is tekenend dat Malinverni zich moet beroepen op de multiculturele samenleving.

Uiteraard is een door de overheid opgelegde crucifix niet verenigbaar met de ‘taak’ van de overheid om een multiculturele (of seculiere) samenleving te realiseren.
Het zou dus niet verenigbaar zijn met bijv. de Amerikaanse grondwet of het Frans-Turkse laïcisme.

Maar zoals het Hof aangeeft verplicht het EVRM niet de verdragslanden om zich multicultureel of seculier op te stellen.
En dat is zeer terecht, want landen hebben het EVRM niet ondertekend omdat ze graag seculier willen worden, maar omdat ze minderheden willen beschermen.

Bescherming van de mensenrechten van minderheden is iets anders dan het verbieden van elke uiting van de wil van de meerderheid, omdat een kleine minderheid er aanstoot aan zal nemen.

De kinderen van mevrouw Lautsi zullen er aan moeten wennen dat Italië (blijkbaar) toch een katholiek land is. Op elke straathoek een kerk of een kapel, maar ook een cultuur die doordrenkt is van het katholiek geloof.

En tolerantie kun je het beste leren op school, door bijvoorbeeld een crucifix in je klaslokaal te tolereren.

Als Lautsi gelijk had gekregen dan zou het Hof zich tegen tolerantie en respect hebben uitgesproken. En was het Hof gereduceerd tot een orgaan van intolerantie en extremistisch secularisme.

Want haar kinderen werden niet wezenlijk belemmerd in hun mensenrechten, dat is een feit. Het zien van een crucifix is geen schending van de mensenrechten.
Hun enige belemmering is dat hun moeder blijkbaar zelf weinig tolerantie heeft.

Voor de duidelijkheid: Een seculiere overheid heeft zo zijn charmes. En ik zou het zeker niet erg vinden om in zo een land (zoals Frankrijk) te leven.
Maar niet elk land hoeft seculier te zijn.
Als een meerderheid graag haar religieuze stempel (protestants, katholiek, islamitisch, etc.) wilt drukken op de samenleving, dan moet dat kunnen zo lang zij de mensenrechten van minderheden respecteren.

Daarom is de uitspraak van het Hof redelijk.
En een andere uitlegging van het EVRM zou dat niet zijn.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: