De Grondwet bij het grofvuil

door LD op 03/11/2009

in Haagse vierkante kilometer

Post image for De Grondwet bij het grofvuil

Laat ik deze bijdrage beginnen met een op het eerste gezicht eenvoudige meerkeuzevraag:

Volgens artikel 55 van de Grondwet worden de leden van de Eerste Kamer gekozen door de leden van provinciale staten. Door wie worden de leden van de Eerste Kamer dus gekozen?

a. door de leden van provinciale staten (duh!)
b. door de leden van de eilandsraad van Bonaire, Sint Eustatius of Saba

c. door de leden van de gemeenteraad

d. door intergalactisch grootheerser Jan Peter Balkenende

Als u denkt dat “a” het enige goede antwoord is, dan heeft u het volgens de regering mis. Zij stelt zich namelijk op het standpunt dat het antwoord ook best “b” kan zijn. En naar ik vermoed zou zij “c” en “d” ook nog wel eens goed kunnen rekenen. Wat is namelijk het geval?

Het zal niemand zijn ontgaan dat een enorme operatie is ingezet om de koninkrijksverhoudingen drastisch te herzien. Curaçao en Sint Maarten worden zelfstandige landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden, en de veel kleinere eilanden Bonaire (ca. 15.000 inwoners), Sint Eustatius (ca. 3.300 inwoners) en Saba (ca. 1.500 inwoners) worden ‘andere openbare lichamen’ in de zin van artikel 134 Grondwet. Dat voor deze operatie een herziening van het Statuut noodzakelijk is, behoeft geen betoog. Maar hoe zit dat met de Grondwet? Al in mei van dit jaar diende de regering een wetsvoorstel in tot wijziging van de Kieswet in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland. Dit voorstel regelt het kiesrecht van de bewoners van de BES-eilanden voor de Tweede Kamerverkiezingen en de verkiezingen voor de eilandsraden. Het bevat ook een regeling voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer. En hier begint de Grondwettelijke schoen te wringen.

Het staat namelijk vast dat de BES-eilanden niet bij een provincie zullen worden ingedeeld (bijvoorbeeld bij Noord-Holland). Ook krijgen zij geen eigen provinciale staten voor een soort ‘dertiende provincie’. Op zichzelf is dat begrijpelijk. Met de provinciale staten van Noord-Holland hebben de eilandbewoners geen enkele affiniteit en een speciaal vertegenwoordigend college voor drie kleine eilanden gezamenlijk, waarvan er één (Bonaire) ook nog eens honderden kilometers van de andere twee verwijderd ligt, lijkt nutteloos. Dat de bewoners van de eilanden met de Nederlandse nationaliteit door het ontbreken van kiesrecht voor provinciale staten geen indirecte invloed hebben op de samenstelling van de Eerste Kamer, is problematisch in het licht van artikel 4 van de Grondwet. Dat onderkent ook de regering. De oplossing die de regering voor dit probleem heeft gevonden botst echter met artikel 55 Grondwet. De regering wil namelijk dat de leden van de Eerste Kamer in de openbare lichamen worden gekozen door de leden van de eilandsraden. Een nieuw artikel Ya 22 Kieswet moet dit mogelijk maken.

Het zal voor een leek duidelijk zijn dat dit nieuwe artikel in strijd is met de tekst van artikel 55 Grondwet. Interpretatie van dit artikel is nauwelijks nodig: de tekst is kristalhelder. Je zou dus mogen verwachten dat de regering met een voorstel komt om de Grondwet op dit punt aan te passen aan de nieuwe verhoudingen binnen het Koninkrijk en binnen het land Nederland. Maar niets is minder waar. In de memorie van toelichting draait de regering er nauwelijks omheen: met de tekst van artikel 55 Grondwet is het voorgestelde artikel Ya 22 niet te verenigen. Maar – zo lees ik het nogal ondoorzichtige betoog althans – met de strekking ervan wel. Een bijzondere inhoudelijke reden waarom het bij de getrapte verkiezingen voor de Eerste Kamer nu juist de leden van provinciale staten moeten zijn die het kiezerscorps vormen, ontbreekt namelijk. Dat is op zichzelf juist. Het is echter voor de interpretatie van artikel 55 Grondwet ook volstrekt irrelevant. Of de grondwetgever nu een belangrijke inhoudelijke reden had om de provinciale statenleden met de verkiezing van de senatoren te belasten of niet, hij heeft er overduidelijk voor gekozen om hen daarmee te belasten, en niemand anders. Als morgen een initiatiefwetsvoorstel-Pechtold aanhangig wordt gemaakt dat het kiesrecht voor de Eerste Kamer toekent aan de leden van de gemeenteraden, zoals de staatsrechtgeleerde Kortmann in het verleden heeft voorgesteld, dan zal toch niemand serieus volhouden dat dit strookt met de Grondwet?

Maar de regering ziet niet zoveel problemen met haar voorstel: “Hoewel de eilandsraden geen provinciale staten zijn, kunnen ze wat betreft de verkiezingen van de Eerste Kamer derhalve aan provinciale staten worden gelijkgesteld. Daarmee wordt recht gedaan aan het samenstel tussen en de gedachten achter de artikelen 4, 53 en 55 Grondwet. Alle Nederlanders in het land Nederland hebben daarmee gelijke invloed op de samenstelling van de Eerste Kamer”. Wie de rest van het wetsvoorstel leest, moet echter concluderen dat dit argument om te huilen zo slecht is. De eilandsraden zijn helemaal niet gelijk te stellen aan provinciale staten. Dat doet het wetsvoorstel dan ook niet. In het nieuwe artikel Ya 3 worden de eilandsraden voor de toepassing van de Kieswet namelijk gelijkgesteld aan de gemeenteraden. En artikel Ya 13 verklaart – kort gezegd – alle bepalingen in de Kieswet over gemeenteraden van overeenkomstige toepassing op eilandsraden. Dit alles is zeker te verdedigen gelet op de positie van de BES-eilanden als ‘bijzondere gemeenten’ binnen Nederland. Als de regering dan echter ook nog eens verdedigt dat de eilandsraden in dezelfde wet tevens gelijkgesteld kunnen worden aan de provinciale staten, komt zij in een onmogelijk schizofrene situatie terecht. “Ya, Ya, tis wat”, zoals FTG zou zeggen.

Maar er is meer. De laatste zin van het citaat hierboven luidde: “Alle Nederlanders in het land Nederland hebben daarmee gelijke invloed op de samenstelling van de Eerste Kamer”. Dat is juist, maar het is ook onvolledig. Wie het nieuwe artikel Ya 14 Kieswet leest, komt namelijk tot de conclusie dat ook buitenlanders (dus: mensen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben) onder bepaalde voorwaarden kiesgerechtigd zijn bij de verkiezingen voor de eilandsraden. Dat behoeft geen verbazing te wekken: bij de verkiezingen voor de gemeenteraden is dit immers al bijna 25 jaar zo. Artikel 130 Grondwet biedt hiervoor een stevige grondwettelijke basis en in artikel B 3 Kieswet is het kiesrecht van niet-Nederlanders verder uitgewerkt. De regeling in het nieuwe artikel Ya 14 Kieswet komt daarmee grotendeels overeen, met een (hier verder niet relevante) ietwat afwijkende regeling voor onderdanen van andere EU-landen.

Wat de regering zich klaarblijkelijk niet gerealiseerd heeft, is dat buitenlanders aldus ook indirect invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van de Eerste Kamer. Op Bonaire heeft 82 procent van de ingeschreven inwoners de Nederlandse nationaliteit, op Sint Eustatius slechts 60 procent en op Saba 56 procent. Dit zijn cijfers uit een officieel regeringsstuk. In het verleden is wel eens voorgesteld het kiesrecht bij de provinciale statenverkiezingen ook aan niet-Nederlanders toe te kennen. Daarvoor is zelfs jarenlang een initiatiefwetsvoorstel van de Kamerleden Rehwinkel (PvdA), De Graaf (D66) en Singh Varma (GroenLinks) aanhangig geweest, dat uiteindelijk in 2005 wegens gebrek aan steun is ingetrokken. Een van de argumenten tegen toekenning van kiesrecht aan buitenlanders was dat het onwenselijk gevonden werd dat zij aldus indirect invloed kregen op de samenstelling van de Eerste Kamer, en daarmee op het buitenlands beleid. Nu krijgen niet-Nederlanders die invloed op de BES-eilanden wel, via de eilandsraden. Men denke hier aan de Colombianen, Dominicanen en Venezolanen die op Bonaire wonen en de kolonie Amerikaanse studenten op Saba.

Nu vindt ik dit op zichzelf niet heel problematisch. Aan toekenning van het kiesrecht worden namelijk wel enige eisen gesteld, kort gezegd rechtmatig verblijf gedurende ten minste vijf jaar. Het zal bovendien gezien de lage inwonertallen van de eilanden maar om weinig extra kiezers gaan. Veel ernstiger is echter dat de invloed die buitenlanders op de BES-eilanden op de samenstelling van de Eerste Kamer krijgen, aan buitenlanders in ‘Europees’ Nederland wordt onthouden. Hier blijven de Eerste Kamerleden immers gekozen worden door de leden van de provinciale staten, en aan de verkiezingen voor de staten mogen buitenlanders zoals gezegd niet meedoen. Naar ik vermoed vele duizenden hier te lande verblijvende buitenlanders worden daarmee gediscrimineerd ten opzichte van buitenlanders op de BES-eilanden. Denk aan nooit genaturaliseerde gastarbeiders, vluchtelingen die hier al jaren wonen, expats en EU-burgers. Het voorstel zoals het er ligt is dus niet alleen strijdig met artikel 55 Grondwet, maar ook met artikel 1.

De genoemde discriminatie kan ongedaan gemaakt worden door alleen Nederlanders het kiesrecht toe te kennen voor de verkiezingen van de eilandsraden. Het is een onaantrekkelijke oplossing, maar het is nu ook het geval op de BES-eilanden. Een andere oplossing is om buitenlanders het kiesrecht toe te kennen voor de verkiezingen van provinciale staten, zoals Rehwinkel, De Graaf en Singh Varma het in 1996 voor ogen stond. Het makkelijkste is misschien wel om de Eerste Kamer voortaan te laten verkiezen door de leden van de gemeenteraden, het ‘plan-Kortmann’. Bijkomend voordeel daarvan is de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen (58,2% in 2006) doorgaans hoger ligt dan bij die voor provinciale staten (46,3% in 2007), en de representativiteit van de Eerste Kamer dus vergroot wordt. Al deze oplossingen vergen echter een grondwetswijziging. De eerste sowieso, want – wat de regering ook brabbelt – artikel 55 Grondwet moet aangepast worden. In het tweede en derde geval moet dat ook. In het tweede geval moet bovendien het een en ander worden toegevoegd aan artikel 130 Grondwet.

Maar aan grondwetswijzigingen heeft deze regering een hekel. Dat duurt allemaal veel te lang. Het heeft weliswaar “de voorkeur artikel 55 Grondwet ook volgens de letter aan te passen aan de nieuwe staatkundige verhoudingen” – alsof het voorstel naar de geest volledig met dat artikel strookt! – maar voorlopig is zo’n wijziging niet aan de orde. Daarvoor wil de regering eerst evalueren welke status de BES-eilanden defintief zullen krijgen. En die evaluatie zal pas vijf jaar na het ingaan van de nieuwe staatkundige verhoudingen (geplande datum: 10-10-2010) plaatsvinden. Die evaluatie moet dan natuurlijk weer omgezet worden in voorstellen, zodat we met een beetje geluk rond 2020 een voorstel tot grondwetswijziging tegemoet kunnen zien. Op welk moment de regering waarschijnlijk zal concluderen dat die wijziging gezien het tijdsverloop eigenlijk niet meer noodzakelijk is.

Het is opvallend dat maar liefst vier ‘raden’ advies hebben uitgebracht over het voorstel. De Raad van State, de Kiesraad, de Raad voor het openbaar bestuur en de Raad voor de financiële verhoudingen (de laatste twee vormen overigens samen één Raad). ‘Raad’ is mannelijk, maar klaarblijkelijk heeft geen van deze Raden de ballen gehad om de regering recht in haar gezicht te zeggen dat haar voorstel ongrondwettig is en dus pas doorgang kan vinden als tenminste tegelijkertijd een voorstel tot grondwetsherziening wordt ingediend. Een grondwetsherziening kan best snel doorgevoerd worden. Geen rechtsregel stelt immers dat een regering moet wachten met de vereiste kamerontbinding tot de periodieke verkiezingen. Dat dat toch gebeurt, is een kwestie van politiek. En waar in de oorlog de waarheid als eerste sneuvelt, is dat in de politiek de Grondwet. Op de voet gevolgd door de waarheid overigens.

{ 15 reacties… read them below or add one }

1 Anonymous 04/11/2009 om 14:49

Hulde voor deze vlijmscherpe en doorwrochte juridische analyse.

2 Ans Hengels 04/11/2009 om 21:56

Uit de memorie van toelichting:

"Andere oplossingen leveren ook
gekunstelde en ingewikkelde constructies op".

We mogen dus blijkbaar van geluk spreken dat de regering voor een (dubbel) ongrondwettige constructie kiest…

Diep triest.

3 René Mazel 05/11/2009 om 15:20

Ik werk op het ministerie van BZK en zal dus niet ingan op de vraag of ik het eens ben met de juridische beschouwing. Maar mag ik – voor de discussie – een vraag stellen? Wegen de bovenweergegeven argumenten zó zwaar dat aan de uitdrukkelijke wil van de bevolking van Bonaire, blijkend uit het referendum van enkele jaren geleden, pas over enkele jaren gevolg mag worden gegeven?

4 GB 05/11/2009 om 15:50

Is het niet tevens de uitdrukkelijke wil van de kiezer dat de Eerste Kamer wordt verkozen door provinciale staten, zoals is vastgelegd in artikel 55 Grondwet?

5 LD 05/11/2009 om 19:43

@ René Mazel

De twee hoofdargumenten waren:

1. De voorgestelde regeling strijdt met artikel 55 Grondwet;
2. De voorgestelde regeling is discriminatoir en strijdt dus met artikel 1 Grondwet.

In het laatste geval beantwoord ik uw vraag zonder meer bevestigend. Dat niet-Nederlanders op Bonaire indirecte invloed krijgen op de samenstelling van de Eerste Kamer vind ik prima, maar niet zonder wijziging van de Grondwet (indachtig de discussie hierover in het verleden). En zeker niet op een wijze waarbij niet-Nederlanders in Nederland die in dezelfde situatie verkeren die invloed wordt onthouden.

Ook met betrekking tot het eerste argument ben ik niet door uw betoog overtuigd. Mijn punt is nu juist dat aan de wil van bevolking van de BES-eilanden wel degelijk snel gevolg kan worden gegeven. De regering kan de Tweede Kamer immers voortijdig ontbinden (en zo was de grondwetsherzieningsprocedure oorspronkelijk ook bedoeld). Natuurlijk is de procedure van artikel 137 Grondwet een ingewikkelde, maar doet u nu niet net alsof men daar nu pas achterkomt. Het referendum op Bonaire was – u zegt het zelf – enkele jaren geleden. Genoeg tijd om de Grondwet aan te passen, dunkt me. Zelfs met de huidige procedure.

6 René Mazel 09/11/2009 om 23:29

Dankuwel. Heb ik het goed, dan zegt u: eerst het kiesrecht op Bonaire beperken of in Nederland verruimen, en eerst artikel 55 van de Grondwet aanpassen of Bonaire alsnog onder een provincie plaatsen, vóórdat Bonaire onderdeel van Nederland kan worden.
Laten we verder afwachten hoe de wetgever hierover oordeelt.

7 MN 10/11/2009 om 09:54

@de heer Mazel: Uw verwijzing naar de inzichten van de wetgever is zonder meer terecht maar ook een beetje gratuit. Het aantal door juristen gesignaleerde problemen met de wetgevingsoperatie die in gang is gezet om de Antillen te ontmantelen, is inmiddels aanzienlijk. De koninkrijksregering heeft de Staten-Generaal behoorlijk onder druk gezet om de wetsvoorstellen tijdig te behandelen. Weliswaar zijn er signalen dat de Tweede Kamer invoering van de nieuwe structuur al per 10/10/10 niet zal steunen, maar het ligt ook niet voor de hand dat nog tijdens de parlementaire behandeling oplossingen kunnen komen voor de vrij technische (maar niet onbelangrijke) staatsrechtelijke problemen die her en der zijn gesignaleerd. Dat had ten departemente moeten worden geregeld. Kamerleden zullen niet snel geneigd zijn constitutionele beren op de weg te zien als ook de Raad van State (die tot over zijn oren betrokken is bij dit project en daarom mogelijk onvoldoende distantie kan opbrengen) het groene licht heeft gegeven. Nadat de alwetende wetgever zijn fiat aan de voorstellen heeft verleend, is er van ongerechtigheden of onrechtmatigheden formeel geen sprake meer. Maar stiekem weten we natuurlijk wel beter…

8 René Mazel 12/11/2009 om 22:39

Wijze woorden, MN.
Ik heb de indruk dat er niet veel verschil van mening is over de vraag óf artikel 55 van de Grondwet aanpassing verdient, nu er – op verzoek van de bevolking van de BESeilanden – voor gekozen is om geen provincie boven de BES te plaatsen. Maar er is blijkbaar wél verschil van mening wannéér de Grondwet moet worden aangepast. Ik zou de stelling wel willen verdedigen dat voldoende wordt voldaan aan democratische beginselen met de wijziging van het Statuut en de tot stand koming van consensusRijkswetten. Daarover moet in alle stadia overeenstemming bestaan tussen alle betrokken besturen/regeringen en alle betrokken volksvertegenwoordigingen. Dat lijkt me van hogere orde dan de vraag of alles precies klopt met de bestaande wetsteksten. Ik vermoed overigens dat er niet veel Grondwetten in de wereld te vinden zullen zijn die al in de tekst rekening houden met het maatwerk dat gepaard gaat met de overname van delen van een ander land (resp. splitsing of overheveling van delen naar een ander land). Het zal in de wereld dus wel vaker voorkomen – zo vermoed ik – dat de Grondwet pas na de omwenteling wordt aangepast, dan dat de verandering pas intreedt nádat de Grondwet is aangepast …

9 LD 13/11/2009 om 22:36

@ René Mazel

Ik heb veel bewondering voor het feit dat u zich in het hol van de leeuw waagt, maar dat wil helaas nog niet zeggen dat ik uw argumentatie kan volgen.

Uw vage verwijzing naar democratische beginselen die al voldoende zouden worden geëerbiedigd doordat het Statuut wordt gewijzigd en een zekere 'hogere orde' die hier van toepassing zou zijn, overtuigt niet. De regering heeft al aangegeven dat artikel 55, derde lid Statuut niet hoeft te worden toegepast. Dus: geen twee lezingen, geen tussentijdse verkiezingen, geen extra waarborgen. Ik zie voorts niet in wat een wijziging van het Statuut te maken heeft met een wijziging van de Kieswet. De Kieswet wordt bij gewone wet gewijzigd, omdat het kiesrecht voor de BES-eilanden in de nieuwe structuur een puur Nederlandse aangelegenheid is, waarbij uiteraard de Grondwet in acht genomen moet worden. Een rechtsstatelijke regering had allang tegelijk met het kiesrechtvoorstel een voorstel tot herziening van de Grondwet ingediend. Deze regering wacht echter liever tot 2020. En diezelfde regering wil dat wij burgers de Grondwet lief hebben. Absurd.

Inderdaad zullen er niet veel staten zijn wier Grondwet rekening houdt met ingrijpende staatkundige omwentelingen. Volgens mij is het namelijk in zulke gevallen gebruikelijk dat je de Grondwet wijzigt, juist omdat ze geen voorziening voor een omwenteling bevat. Het verontrust mij in dit verband een beetje dat op het ministerie van BZK klaarblijkelijk gewerkt wordt met het 'vermoeden' dat in die andere staten de Grondwet ook pas later wordt aangepast. Ik denk het eigenlijk niet. In vrijwel alle andere landen zijn immers rechters actief die de bevoegdheid hebben wetten te toetsen aan de Grondwet. Een wetgever die zo evident de Grondwet schendt als hier aan de orde is, loopt daar beslist een blauw oog op. Probeert u het maar eens in Duitsland of Frankrijk. Of in België, waar de rechter de regering al eens het mes op de keel heeft gezet in een kiesrechtkwestie (BHV). Ik ben bang dat we met dat rare reliek van artikel 120 Grondwet uniek zijn in de wereld. Net zoals een equivalent van artikel 91 lid 3 Grondwet naar verluidt alleen in Peru te vinden is.

Opvallend trouwens dat u met geen woord rept van mijn tweede bezwaar tegen het kiesrechtvoorstel. Het voorstel creëert twee soorten buitenlanders: zij die aan bepaalde voorwaarden voldoen en daarmee indirect invloed uit kunnen oefenen op de samenstelling van de Eerste Kamer, en zij die aan diezelfde voorwaarden voldoen, maar vanwege het feit dat ze in Nederland wonen die invloed niet hebben. Laten we eerlijk zijn, meneer Mazel, dat is toch gewoon discriminatie? Of is dit een ingecalculeerde veroordeling door Straatsburg, Luxemburg of de eigen Haagse rechtbank?

Ik hoor trouwens graag van u of een voorstel de Eerste Kamer voortaan te laten kiezen door de leden van de gemeenteraden in overeenstemming is met artikel 55 Grondwet. Zo ja, dan zal ik eens proberen wat D66 vrienden op te porren.

10 Ron de Jong (Kiesraad) 16/11/2009 om 11:02

In de column wordt gesteld dat wanneer de bewoners van de BES-eilanden met Nederlandse nationaliteit door het ontbreken van kiesrecht voor provinciale staten geen indirecte invloed hebben op de samenstelling van de Eerste Kamer dat problematisch is in het licht van artikel 4 van de Grondwet waarin immers wordt gesteld dat iedere Nederlander gelijkelijk het recht heeft de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen en tot lid te worden gekozen.
Dit lijkt inderdaad voor weinig tegenspraak vatbaar te zijn, maar de naoorlogse geschiedenis leert toch anders. Tussen 1946 en 1962 hadden de bewoners van het Openbaar Lichaam Noordoostelijke Polder geen stemrecht voor Provinciale Staten omdat het gebied niet provinciaal was ingedeeld. Hetzelfde gold voor de inwoners van de Zuidelijke IJsselmeerpolders tussen 1955 en 1984. Vermoedelijk ook, maar dat heb ik niet nagezocht, voor Dronten (1972-1985, Lelystad (1980-1985), Almere en Zeewolde (1984-1985).

11 LD 17/11/2009 om 21:33

@ Ron de Jong (Kiesraad)

Veel dank voor uw interessante reactie. Het is inderdaad goed om na te gaan of er precedenten zijn. Maar daarbij moeten we wel oppassen dat we niet automatisch uit feiten normen gaan afleiden. Precedenten moeten overtuigend zijn om als recht te kunnen worden aangemerkt.

Ik merk op dat artikel 4 Grondwet uit 1983 dateert. Op het gros van uw voorbeelden kan het artikel dus niet van toepassing zijn geweest. Bovendien is artikel 140 Grondwet relevant, dat bestaande wettelijke bepalingen die als gevolg van een grondwetsherziening ineens in strijd komen met de Grondwet 'bevroren' worden en blijven gelden totdat ze zijn aangepast. Artikel 4 Grondwet is ten slotte geen absoluut recht. Het kent een clausule die uitzonderingen (ook op de gelijkelijkheid) mogelijk maakt.

Strikt genomen zou de wetgever op grond van de beperkingsclausule de inwoners van de BES-eilanden indirecte invloed op de samenstelling van de Eerste Kamer kunnen onthouden. Ik ben het echter met de regering eens dat dat disproportioneel zou zijn. Wellicht ten overvloede wijs ik er nog op dat mijn column niet zozeer om artikel 4 Grondwet draait, als wel om de artikelen 55 en 1 Grondwet. Twee artikelen die, anders dan artikel 4, géén beperkingsclausule kennen.

12 René Mazel 18/11/2009 om 20:05

Ik moest even wachten om mij weer te melden in deze boeiende discussie totdat iedereen de gelegenheid had gehad om kennis te nemen van het voorstel van Rijkswet tot wijziging van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (Kamerstukken II, 32 213 (R 1903). Het daarin voorgestelde nieuwe artikel 1, tweede lid, is immers relevant voor onze gedachtewisseling. Ik doelde onder meer op dat artikel toen ik in een eerdere bijdrage stelde dat "voldoende wordt voldaan aan democratische beginselen, die mij van hogere orde lijken dan de vraag of alles precies klopt met de bestaande wetsteksten".
Naar mijn mening bevat dit artikel gronden om het kiesrechtvoorstel niet als discriminatie te hoeven bestempelen.
LD vroeg mij of ik een voorstel de Eerste Kamer voortaan te laten kiezen door de leden van de gemeenteraden in overeenstemming met artikel 55 Grondwet zou achten. Nee, dat is voor mij evident. In uw vraag ligt besloten dat het om een permanente regeling zou gaan, en niet om een feitelijke situatie die binnen een paar jaar al tot een oplossing moet worden gebracht.
Tot slot het volgende: enige tijd geloofde ik niet dat onze standpunten elkaar naderden. Maar uw opmerking dat ook u het disproportioneel acht om de inwoners van de BESeilanden indirecte invloed op de samenstelling van de Eerste Kamer te onthouden, stemt mij hoopvol. Ik ga er echter van uit dat u van mening zult zijn dat het toekennen van die invloed pas kan nádat de Grondwet daartoe is gewijzigd.

13 Ron de Jong 20/11/2009 om 11:35

Beste LD,
Natuurlijk heb je gelijk dat het overgrote deel van mijn voorbeelden uit de periode voor 1983 stamt, maar de vraag blijft dan wel staan wat de verstrekking van het algemeen kiesrecht betekent wanneer het vervolgens weer op andere wijze wordt ontnomen. (Misschien zijn de voorbeelden ook wel van meer betekenis voor het passief kiesrecht). En inderdaad zijn er mogelijkheden tot uitzonderingen. Het was ook deze reden waarom ik de voorbeelden opvoerde. Maar goed, misschien zijn dit ook meer de vragen van een historicus dan van een jurist.

14 LD 21/11/2009 om 18:02

@ René Mazel

Het door u genoemde voorstel van Rijkswet bepaalt slechts dat voor de BES-eilanden regels kunnen worden gesteld en andere specifieke maatregelen worden getroffen 'met het oog op de economische en sociale omstandigheden, de grote afstand tot het Europese deel van Nederland, hun insulaire karakter, kleine oppervlakte en bevolkingsomvang, geografische omstandigheden, het klimaat en andere factoren waardoor deze eilanden zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland'. Uit de memorie van toelichting wordt duidelijk dat deze bepaling geen afwijking van artikel 1 Grondwet inhoudt. Dat verbaast niet, want er is de regering veel aan gelegen om de procedure van artikel 55 lid 3 Statuut (twee lezingen, verkiezingen) te vermijden. "Uiteraard staat voorop dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden, zoals artikel 1 van de Grondwet bepaalt", aldus de memorie van toelichting.

Het enige verschil tussen buitenlanders die vijf jaar legaal in Nederland verblijven en buitenlanders die vijf jaar legaal op de BES-eilanden verblijven, lijkt mij hun verblijfplaats. Voor het toekennen van politieke invloed op de samenstelling van de Eerste Kamer is dat verschil echter irrelevant. Het voorstel tot wijziging van de Kieswet blijft daarmee mijns inziens een discriminatoir karakter hebben. Maar goed, volgens de memorie van toelichting bij het voorstel tot wijziging van het Statuut wordt gesteld dat steeds gemotiveerd gaat worden waarom onderscheid wordt gemaakt. Bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Kieswet heb ik die motivering nog niet gezien. Ik ben dus benieuwd.

Voor mij blijft evident dat als de Grondwet stelt dat de Eerste Kamer wordt gekozen door de leden van provinciale staten, de Grondwet daarmee de leden van provinciale staten bedoelt, en niet de leden van welk ander orgaan dan ook. Eveneens is voor mij evident dat je de Grondwet moet wijzigen om dat anders te laten zijn. Natuurlijk kun je alvast werken aan een wet tot wijziging van de Kieswet, maar deze kan op z'n vroegst pas in werking treden op het moment dat de gewijzigde Grondwet in werking treedt. Zo niet, dan wordt bij de eerstvolgende Eerste Kamerverkiezingen in 2011 onze Senaat op ongrondwettige wijze samengesteld. Ik ben benieuwd wat onze huidige Senatoren van die gedachte vinden.

15 René Mazel 23/11/2009 om 12:43

Een fraaie slotzin, LD. Ook ik ben benieuwd hoe onze Senatoren zullen oordelen in dit bijzonder boeiende proces. Boeiend in staatkundig, juridisch, organisatorisch en maatschappelijk opzicht.
Dank voor onze gedachtewisseling.

Reactie achterlaten

{ 6 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: