De hangmat-zaak

door PWdH op 23/10/2010

in Rechtspraak

Onlangs deed de Hoge Raad uitspraak in de vooraf al veelbesproken ‘hangmat-zaak’. Op het eerste gezicht heeft de casus een hoog homevideo-gehalte. Vrouw ligt in hangmat die aan een gemetselde pilaar hangt, breekt de pilaar af. De gevolgen zijn echter allesbehalve grappig: de pilaar valt over de vrouw heen als gevolg waarvan zij zeer ernstig verwond raakt. Ze loopt een complete dwarslaesie op en is – rolstoelgebonden – voortaan volledig afhankelijk van de hulp van anderen.

De vrouw spreekt haar man en hun beider aansprakelijkheidsverzekeraar, Achmea, aan tot vergoeding van de schade. Niet zozeer omdat zij haar man een verwijt maakt, maar op grond van de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174  BW. Dit artikel bepaalt dat de bezitter aansprakelijk is wanneer diens gebrekkige opstal – een duurzaam met de grond verenigd werk als de pilaar – schade aan personen of zaken toebrengt. De man (en Achmea) stellen hiertegenover dat van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 geen sprake kan zijn, nu de vrouw zelf ook bezitter is – de vrouw en de man zijn gezamenlijk eigenaar van de woning – en dus min of meer zichzelf aansprakelijk houdt.

Geldt artikel 6:174 ook in de onderlinge verhouding tussen mede-bezitters? De rechtbank oordeelt – uitgebreid gemotiveerd – dat noch in de wetttekst, noch in de parlementaire geschiedenis aanknopingspunten zijn te vinden dat dit niet het geval zou zijn. Omgekeerd kunnen evenmin aanknopingspunten worden gevonden dat dit wel het geval is: de wetgever heeft zich over deze mogelijkheid niet uitgesproken. Naar het oordeel van de rechtbank past het vervolgens het beste bij de ratio van artikel 6:174 in verbinding met 6:180 – medebezitters zijn hoofdelijk aansprakelijk – aan te nemen dat ook medebezitters elkaar kunnen aanspreken op grond van dit artikel.

De ratio van deze risicoaansprakelijkheid is namelijk dat een benadeelde schadevergoeding moet kunnen vorderen van degene tot wiens vermogen de gebrekkige opstal behoort, zodat hij niet hoeft te achterhalen of het gebrek het gevolg is van een fout bij de bouw of door achterstallige onderhoud en aan wie dit moet worden toegerekend. Veelal zal dat immers niet meer goed mogelijk zijn, wanneer bijvoorbeeld een huis ergens al twintig jaar staat. Een benadeelde die (toevallig ook) mede-bezitter is, verkeert niet per definitie in een gunstigere positie dan een willekeurige derde, aldus de rechtbank. Van een informatievoorsprong hoeft lang niet altijd sprake te zijn: de benadeelde is wellicht nog maar pas eigenaar of kan door erfopvolging bezitter zijn geworden van een aandeel in een opstal. Hierbij weegt ook mee dat opstalaansprakelijkheid tegen een geringe premie te verzekeren is.

De hoedanigheid van medebezitter telt pas mee, aldus nog steeds de rechtbank, bij het verhaal: dat deel van de schade dat overeenkomt met het aandeel dat de benadeelde mede-bezitter heeft in de opstal, blijft voor eigen rekening. De man (en Achmea) kan daarom voor maximaal 50% van de schade worden aangesproken.

In (sprong)cassatie wordt de rechtsvraag of artikel 6:174 uitsluitend een risicoaansprakelijkheid vestigt jegens derden – ‘dat wil zeggen personen die niet de hoedanigheid van (mede)bezitter van die opstal hebben’ – expliciet in de sleutel van de relativiteit geplaatst. Ook volgens de Hoge Raad staan bewoordingen en het wettelijk stelsel niet in de weg aan de stelling dat art. 6:174 ook geldt tussen mede-bezitters. Hij erkent dat het vervolgens aankomt op een redelijkheidsoordeel (r.o. 4.3.4):

De kernvraag is of het recht bescherming behoort te verlenen aan degene die, hoewel de aansprakelijkheid van art. 6:174 niet is gebaseerd op overtreding van enigerlei gedragsnorm, zelf in zekere zin medeverantwoordelijk geacht kan worden voor de gebrekkige opstal. Bij de geschetste stand van zaken, waarbij de wetgever de door [verweerster] bepleite aansprakelijkheid niet heeft uitgesloten, hangt de te maken keuze af van wat naar maatschappelijke opvattingen, in aanmerking genomen de belangen van de benadeelde, de bezitter en de aansprakelijkheidsverzekeraar, het meest redelijk moet worden geacht als reikwijdte van art. 6:174. Die keuze valt uit ten gunste van het standpunt van [verweerster].

Ter onderbouwing stelt de Hoge Raad evenals de rechtbank de ‘beschermingsgedachte’ van art. 6:174 voorop. Deze geldt evenzeer voor mede-bezitters als voor willekeurige derde-benadeelden. Anders zou een benadeelde medebezitter de schade volledig zelf moeten dragen, terwijl de overige mede-bezitters ‘hoewel ook zij in dezelfde relatie tot de gebrekkige opstal staan’ niets zouden hoeven bijdragen aan vergoeding van schade veroorzaakt door de gezamenlijke gebrekkige opstal. Ook de Hoge Raad weegt hierbij de  goede verzekerbaarheid mee.

Twee vragen resteren. In de eerste plaats lijkt het gevoelsmatig ietwat vreemd te procederen tegen familieleden of, in dit geval, echtgenoten. Volgens de Hoge Raad doet het feit dat sprake is van een ‘samenlevingsverband’ tussen de medebezitters aan dit alles echter niet af. Hij verwijst naar eerdere rechtspraak waarin is bepaald dat ook dan in beginsel de gewone aansprakelijkheidsregels gelden. Gezien de ernstige gevolgen van het ongeval in deze zaak is het ook goed voorstelbaar dat op enigerlei wijze wordt geprobeerd een deel van de schade vergoed te krijgen. Bovendien wordt in feite niet zozeer tegen de echtgenoot, maar vooral tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar geprocedeerd.

In de tweede plaats rijst de vraag of met het aannemen van aansprakelijkheid in deze zaak de goede verzekerbaarheid van de opstalaansprakelijkheid tot het verleden zal behoren. Deze stelling, betrokken door de verzekeraars, is volgens de Hoge Raad onvoldoende aannemelijk geworden. Hetzelfde geldt voor de stelling dat daarmee een ‘onbeheersbare toename van claims’ wordt uitgelokt.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 TdB 23/10/2010 om 11:55

T.a.v. het tweede punt had AG Spier al een aardige observatie:

“4.15.1 In zijn al eerder genoemde advies van 22 februari 2007 rondt Prof. Oldenhuis als volgt af:
“In een tijd waarin de samenleving in toenemende mate juridiseert lijkt het niettemin wenselijk in de polisvoorwaarden expliciet tot uitdrukking te brengen dat een aanspraak van de ene medebezitter op kwalitatieve grondslag ter zake van letselschade, niet tot de mogelijkheden behoort.”

4.15.2 Dit pleidooi heeft, voor zover ik heb kunnen nagaan, tot op heden geen navolging gevonden; in elk geval niet bij Avéro/Achmea. Daaruit mag m.i. de conclusie worden getrokken dat het van tweeën één is:
a. Achmea acht het maatschappelijk onwenselijk dat een verzekerde persoonlijk en zonder op enige dekking te kunnen terugvallen aansprakelijk is voor potentieel aanzienlijke schades jegens – voor zover thans van belang – medebezitters, dan wel
b. zij taxeert het risico (de potentiële schadelast) aanzienlijk lager dan zij in cassatie voorwendt.

4.16 Veronderstellenderwijs aannemend dat Achmea de onder 4.15.2 sub a genoemde keuze heeft gemaakt, is m.i. sprake van een maatschappelijk wenselijke keuze. Maar daarmee staat een verweer dat jegens medebezitters, die niet terug kunnen vallen op een verzekeringsdekking, geen aansprakelijkheid kan bestaan op gespannen voet. “

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: