De kinderen en de wezen van Europa

door WTE op 09/04/2011

in Buitenland

Op 14 april 1999 vroeg Ruiz Zambrano uit Colombia asiel in België. Op 11 september 2000 volgde zijn vrouw. De aanvragen werden geweigerd, maar het echtpaar kon niet terug vanwege de burgeroorlog in hun land.

In België kreeg het paar twee kinderen, Belgen van geboorte. Als Belgen waren die ook burgers van de Europese Unie. Toen andere pogingen tot regularisering waren mislukt vroeg Zambrano verblijfsrecht in België en een werkvergunning omdat hij voor zijn twee Europese burgertjes moest zorgen. De Belgische overheid wees ook die verzoeken af.

Vier weken geleden kreeg Zambrano gelijk van het Hof van de Europese Unie in Luxemburg. De weigering van het verblijfsrecht en de werkvergunning aan de vader berooft de kinderen van het volle genot van hun Europese burgerrecht, zei het Hof.

Dus mag de hele familie blijven en pa Zambrano werken in België. Nog zijn de lidstaten van de EU aan het bekomen van die schok.

De uitspraak is niet alleen schokkend voor de praktijk. Ze zet een van de centrale spanningen van de Europese integratie in het volle licht. Dat vraagt enige uitleg.

Tot dusver konden Europese burgers in het eigen land geen rechten aan Europa ontlenen zolang zij hun Europees burgerschap niet gebruikten door bijvoorbeeld elders in de EU te gaan werken. Deze beperking gold zowel voor grote groep thuisblijvers in de landen als voor kleine nieuwkomers, zoals de kinderen Zambrano. Ze werkte ook als een sluis tegen de laatste.

Voortaan kunnen ook EU-burgers die hun burgerschap niet hebben gebruikt deze status toch inroepen tegen de nationale overheid.

In paniek proberen de regeringen de uitspraak nu te beperken tot de bijzondere omstandigheden van de familie Zambrano. Maar dat is een verloren zaak. Dat Europese burgerrechten pas volop werken als ze zijn gebruikt is niet meer dan een restant van hun economische oorsprong en dat wordt vroeg of laat geheel opgeruimd.

De paradox blijkt als je ziet hoe de uitspraak niet alleen Europese rechten geeft aan nieuwkomers, de kinderen van Europa, maar ook aan de oudgezetenen, voor wie het Europees burgerschap gestolen kan worden: de wezen van Europa. De laatste groep maakt geen gebruik van haar Europese rechten. Ze kijkt voor haar belangen naar de nationale regering en ziet met achterdocht op alwat uit Brussel komt. Zij zijn ook degenen wie de huidige regering naar de mond praat.

Naar de vorm is de uitspraak van het Hof in de zaak-Zambrano ook voor deze mensen een opsteker. Ze is immers erkenning dat Europese rechten er zijn voor iedereen, ook voor mensen die niet van Europa gebruik maken door te reizen en handel te drijven.

Dat is helemaal in de geest van het burgerschap. Burgerschap, met zijn geschiedenis van tweeduizend vijfhonderd jaar, dient altijd tot emancipatie van nieuwkomers en achtergestelde groepen.

Maar in feite zet het Hof een resterende barrière tegen de migratie van derdelanders open. En dat is nou net een schop tegen het zere been van diezelfde verweesde groep angstige thuislanders. Deze paradox bevat de kloof tussen idee en feit van de Europese integratie.

De kinderen van Europa, de kinderen Zambrano, zijn niet het probleem; ze zijn een deel van onze Europese toekomst. Daarom is die uitspraak van het Europese Hof begrijpelijk. De vraag is: hoe geef je niet alleen de kinderen maar ook de wezen van Europa een plaats in diezelfde toekomst? Daar kan geen rechter voor zorgen, alleen een regering kan dat. Maar niet door die wezen naar de mond te praten en onze toekomst voor hen te versluieren.

Tom Eijsbouts

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 2 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: