De lotgevallen van meneer Haas

door RdG op 18/04/2012

in Grondrechten, Rechtspraak, Uitgelicht

Post image for De lotgevallen van meneer Haas

Op 20 januari 2011 deed het EHRM uitspraak in de zaak Haas c. Suisse. De feiten: Ernst G. Haas is een 57-jarige man die al 20 jaar lijdt aan een ernstige bipolaire stoornis (stemmingswisselingen: ene moment manisch, andere moment depressief). Na twee mislukte zelfmoordpogingen wendt hij zich tot meerdere psychiaters om het dodelijke middel sodium pentobarbital te bemachtigen. Zij weigerden.

Haas meent dat ingevolge artikel 8 EVRM de Staat hem – kortgezegd – in de gelegenheid moet stellen om dit dodelijke, maar pijnloze middel te verkrijgen. Hij procedeert door tot het Federale Gerechtshof, dat hem op 2 november 2006 in het ongelijk stelt. Volgens het Federale Hof is het artsen in Zwitserland weliswaar toegestaan te assisteren bij euthanasie (mits niet uit ‘selbstsüchtigen Beweggründen’, artikel 115 StGB), maar dwingt dit de Staat niet in alle gevallen tot medewerking. Ook in Zwitserland dienen artsen zich te houden aan bepaalde zorgvuldigheidseisen. Haas schrijft nog eens 170 psychiaters aan, vangt opnieuw bot en besluit naar Straatsburg te gaan.

Euthanasie is een onderwerp dat sterk wordt geïdentificeerd met cultuur en levensovertuiging, en waarover binnen de Europese samenlevingen verschillende opvattingen heersen. We herinneren ons nog het schrijnende verhaal van mevrouw Diane Pretty, die het juridische gevecht uiteindelijk tot in hoogste instantie in Straatsburg verloor. Moeilijk te begrijpen vanuit Nederlands perspectief, maar de Britse samenleving heeft – helaas voor mw. Pretty – andere keuzes gemaakt.

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens toont zich gevoelig voor deze culturele verschillen, zo schreef Rick Lawson eerder al in het NRC. Zo vloeit uit het EVRM, tegen de heersende Nederlandse opvattingen in, ook geen recht op abortus voort (A, B & C v. Ierland, 2010) en geen recht op het homohuwelijk (Schalk & Kopf, 2010). Uitspraken die tonen dat de ‘margin of appreciation’ ook op dossiers waar we het vanuit Nederlands perspectief liever anders zouden zien ruimte biedt (en Nederland dus niet te snel voor uitbreiding van die marge zou moeten pleiten, zie voor andere voorbeelden deze post). Ook in deze euthanasie-zaak lijkt het Hof zich terecht terughoudend op te stellen. Toch stemt de motivering niet tevreden, daarover deze post.

Voor het Hof beroept Haas zich op artikel 8 EVRM: de Zwitserse regelgeving stelt hem niet in staat op een veilige en pijnloze manier afscheid te nemen van het leven, waardoor hem die keuze praktisch onmogelijk wordt gemaakt. De Zwitserse Staat stelt dat er geen sprake is van een inbreuk of hoogstens een die gerechtvaardigd kan worden. De Staat is immers ook verplicht de eigen burgers te beschermen, soms zelfs tegen zichzelf, en brengt die belangenafweging in de praktijk door regelgeving en zorgvuldigheidseisen.

De casus is wellicht gevoelig, maar ook erg gejuridiseerd. Em. prof. Den Hartogh gaf uiting aan de gevoelens die je bekruipen als lezer, in de opening van zijn noot (EHRC 2011/53):

“De casus is niet vrij van surrealistische aspecten. Een psychiatrische patiënt die een weloverwogen en duurzaam doodsverlangen zou hebben, en die zes jaar lang bezig blijft met een juridische strijd om toegang tot dodelijke middelen, die tenslotte geheel voorspelbaar eindigt met een afwijzing door het Europese Hof. Had meneer Haas hier toch een nieuw levensdoel gevonden? Had hij zijn tijd en middelen niet efficiënter kunnen besteden door de gewenste middelen in het buitenland of via internet te bemachtigen? De pentobarbital die hij zonder doktersrecept van de Zwitserse apotheker wilde hebben, is in Mexico bij dierenwinkels vrij verkrijgbaar.”

Het EHRM draagt echter niet bij aan een heldere uitkomst, het maakt de zaak nog ingewikkelder dan die al was. Unaniem wordt geoordeeld dat het EVRM niet is geschonden, geen verrassing. In Pretty v UK wilde het Hof niet ‘uitsluiten’ dat een keuze voor euthanasie binnen de reikwijdte van art. 8 EVRM zou kunnen vallen (par. 67), nu stelt het Hof:

‘A la lumière de cette jurisprudence, la Cour estime que le droit d’un individu de décider de quelle manière et à quel moment sa vie doit prendre fin, à condition qu’il soit en mesure de forger librement sa propre volonté à ce propos et d’agir en conséquence, est l’un des aspects du droit au respect de sa vie privée au sens de l’article 8 de la Convention.’

Het recht op zelfbeschikking is dus onderdeel van het recht op respect voor het privé-leven van art. 8 EVRM. Centrale vraag is vervolgens, aldus het Hof: had de Zwitserse Staat meneer Haas moeten helpen aan het gewilde middel? De bewoordingen suggereren dat er een ‘ja’ of ‘nee’ kan worden verwacht. Het Hof doet geen van beide, maar oordeelt hypothetisch: zelfs als je een dergelijke verplichting zou veronderstellen, hebben de Zwitsers die in dit geval niet geschonden (par. 61).

Het Hof drijft, na bevestiging van de aanwezige ruime ‘margin of appreciation’, steeds verder weg van de vraag in hoeverre het eigenlijk kan oordelen over Zwitsers euthanasiebeleid. In plaats daarvan lijkt het Hof, na erkenning van het zelfsbeschikkingsrecht, te kiezen voor een andere sleutel: het beargumenteren waarom dat recht in dit geval niet slechts “theoretisch of illusoir” zou zijn geweest.

Daardoor dwingt het Hof zichzelf de pijlen te richten op Haas’ situatie. De rechters zijn er niet van overtuigd dat hij echt geen specialist kon vinden. Haas had immers elke vorm van alternatieve behandeling of therapie in zijn 170 brieven afgewezen: hij wilde slechts zijn wilsbekwaamheid laten toetsen. ‘Had u zich maar wat milder moeten opstellen’, lijken de rechters te willen zeggen.

Daarmee treedt het Hof niet alleen buiten de grenzen van de rechtsstrijd (want buiten de gronden waarop de Zwitserse hoogste rechter zijn oordeel baseerde), het is ook zeer de vraag of dit feitelijk juist is: Nederlandse psychiaters weigeren deze hulp ook vrijwel categorisch aan psychiatrische patienten met een doodswens (zie noot G. den Hartogh, EHRC 2011/53, punt 3 en daar genoemde bronnen). En passant bekent het Hof wel weer te vermoeden dat sommige psychiaters hulp weigerden omdat ze anders strafrechtelijk vervolgd zouden kunnen worden. Lag het nu wel of niet aan meneer Haas?

Het was allemaal niet nodig geweest. Het Hof had de uitspraak kunnen aangrijpen om het negatieve recht op zelfbeschikking te erkennen (niet “theoretisch of illusoir”, dus vrij van overheidsbemoeienis), maar voor wat betreft de positieve verplichting om een psychiatrische patiënt te assisteren een pas op de plaats te maken, gezien de beleidsvrijheid van de Zwitserse Staat op dit dossier. Daarmee vindt meneer Haas weliswaar dat hij niets aan zijn recht op zelfbeschikking heeft, maar blijft hem in ieder geval een terechtwijzing bespaard.

Deze post is gebaseerd op een paper, geschreven samen met Lizette van Loon. Voor het vak European Human Rights Law (UL) moest een (onbekende) EHRM-uitspraak uit het jaar 2011 geannoteerd worden.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: