Ere wie geen ere toekomt?

door GB op 17/11/2016

in Bestuursrecht, Haagse vierkante kilometer, Uitgelicht

Post image for Ere wie geen ere toekomt?

De politieke partij Denk wil de Coentunnel een andere naam geven, omdat we inmiddels wel weten dat deze gouverneur-generaal van de VOC destijds niet naar ieders tevredenheid de Indische archipel heeft bestuurd. Zijn lijfspreuk ‘dispereert niet, ontziet uw vijanden niet’ gaf dat eigenlijk al een beetje weg. Ook buiten het dekoloniseren van de openbare ruimte kunnen er goede redenen zijn om over naamgeving te blijven nadenken. Niet iedereen zal nog met evenveel trots naar het bordje ‘Prins Bernhardlaan’ kijken dat ooit van gemeentewege aan zijn gevel is geschroefd en dat hij sindsdien officieel moet dulden en zichtbaar houden. Voor wie onmiddellijk verontwaardigd begint over geschiedvervalsing: niet valt te betwisten dat sommige naambordjes meteen zijn weggehaald en ook het besluit van het Twentse dorp Vasse om Pastoor Visser uit het stratenboek te halen toen bleek dat hij zijn handjes niet thuis had gehouden, lijkt mij terecht. Er kunnen dus goede redenen zijn om iemands openbare nagedachtenis te ontmantelen. De vraag is alleen: welke? En voor juristen: wiens bevoegdheid is dit eigenlijk?

Naamgeving van de openbare ruimte is een bevoegdheid die door artikel 6 Wet basisregistraties adressen en gebouwen aan de gemeenteraad wordt toegekend, maar ook uit de autonome huishouding van de gemeente kan worden afgeleid. De gemeenteraad kan die bevoegdheid zelf uitoefenen of delegeren aan het college van B en W, wat veel raden hebben gedaan. Vaak met de gelijktijdige instelling van een adviescommissie. Zo is de naam van de Coentunnel een besluit van het Amsterdamse College. Trap er dus niet in, als Kuzu belooft dat hij de Coentunnel zal overdopen; hij gaat er niet over.

Blijft over de vraag of er geen procedure kan worden aangespannen tegen de weigering van een college van B en W om het bordje ‘Prins Bernhardlaan’ van uw huis te verwijderen. Tegen de weigering een beschikking te nemen stelt de Algemene wet bestuursrecht bezwaar en beroep open, tegen het uitblijven van een besluit van algemene strekking niet. Uitgaande van het besluitkarakter van straatnaamgeving (immers uitmondend in de plicht het bedoelde bordje te dulden), komt het dus aan op de vraag of de naam van uw straat een beschikking is. Ik zou denken dat er een goede gronden zijn om te betogen dat het hier om zogenaamde ‘zaaksgerichte beschikkingen’ gaat. Dus kan er worden geprocedeerd tegen de weigering een andere straatnaam vast te stellen.

Als iemand na het lezen van de nieuwe biografie over Juliana van Jolande Withuis hulp zoekt bij zo’n procedure, dan kan hij zich melden. Het is tijd voor het Proefprocessenfonds Publiekrechtenpolitiek (PULP)

{ 7 reacties… read them below or add one }

1 JAdB 21/11/2016 om 13:47

Tegen het uitblijven van een a.v.v. en een beleidsregel stelt de Awb geen beroep open, maar wel, via art. 6:2 Awb, tegen het uitblijven van andere besluiten van algemene strekking, bijvoorbeeld concretiserende besluiten van algemene strekking.

Hoe dan ook, het besluit tot plaatsen van een plaatsnaambordje kan worden geconstrueerd als beschikking (ik sluit niet uit dat het een concretiserend besluit van algemene strekking is, maar dat maakt niet zoveel uit), maar de vraag is of een procedure daartegen ook de tekst die op dat bordje komt te staan kan betreffen.

Daarnaast kun je je afvragen wie er eigenlijk belanghebbende is bij zo’n besluit. DENK is als politieke partij geen belanghebbende, nu haar doelstellingen niet een (algemeen) belang in het bijzonder behartigen. Een “Stichting dekolonisatie straatnaamgeving” zou meer kans maken.

2 Yoeri Roosendaal 21/11/2016 om 22:33

De vraag is: is de keuze voor een bepaalde tekst op het bordje gericht op een bepaald rechtsgevolg? Dat lijkt me niet. In gelijke zin de Rechtbank Arnhem in 2008 (ECLI:NL:RBARN:2008:BD8742):

“Voor zover de beslissing van 19 juni 2007 de benoeming van de wijk- en straatnamen als zodanig betreft, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een op rechtsgevolg gerichte beslissing en is derhalve geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar kan worden gemaakt.”

De gedoogplicht is weliswaar een rechtsgevolg, maar die vloeit niet uit de naam zelf voort, maar uit de beslissing de facto een straatnaambord te plaatsen. De meeste huizen in een straat hebben niet zo’n bord en dus ook geen gedoogplicht. Soms heeft geen enkel huis het, bijvoorbeeld als de borden aan lantaarnpalen worden bevestigd. Sowieso lijken dit soort zaken me meer iets voor de raad dan voor de rechter.

3 GB 22/11/2016 om 14:27

@ JAdB

Oeps. Foutje. Ik was gefixeerd op artikel 1:3 lid 2 Awb. Maar hoe verloopt zoiets? Ervan uitgaande dat het College gewoon niets terugstuurt, dan is het pas een fictieve weigering als de ‘redelijke termijn’ waarin een aanpassingsbesluit zou moeten worden genomen is verstreken, toch? Maar hoe construeer je dat, als je via 6:2 Awb geen beroep kunt doen op 4:13 Awb?

Een bij een CBAS zijn toch concretiseerbare voorschriften nodig zoals met een structuur als ‘door het College nader aangewezen gebieden worden Prins Bernhardlaan genoemd’ o.i.d.? De grondslag voor straatnaambesluiten die ik vond waren niet echt dat soort concretiseerbare normen maar gewoon delegatie van bestuursbevoegdheid ‘Het college geeft objecten namen’ o.i.d. Vandaar dat ik niet direct bij een CBAS uitkwam.

4 GB 22/11/2016 om 16:04

@ Yoeri

De meeste gepubliceerde straatnaambesluiten die ik kon vinden bevatten wel een rechtsmiddelenclausule. Maar dat is ook niet beslissend natuurlijk. Onbetwist lijkt, dat je naar de rechter kunt als de gemeente een huisnummer intrekt waardoor jouw huis geen officieel adres meer heeft. Als de gemeente een straatnaam intrekt, moet eenzelfde betoog op te zetten zijn voor de mensen die dan geen adres meer hebben. Dan zou een straatnaam het rechtsgevolg ‘compleet officieel adres’ hebben en het daarom besluiten zijn (dus los van de naamplaatsjes e.d.).

Als de gemeente mijn straat in mijn nieuwbouw-schrijvers-wijk de Hooftstraat noemt, terwijl er een Hoofdstraat elders in het dorp is en al mijn pakketjes, de ambulance en ikzelf in mijn warrige momenten daar telkens arriveren, dan is er ook nog wel een zaak te bedenken tegen de inhoud van een straatnaam.

5 Yoeri Roosendaal 23/11/2016 om 20:52

Het zijn op zichzelf interessante voorbeelden, maar ik blijf me afvragen of dit nu is wat de wetgever bedoelt met een op rechtsgevolg gerichte beslissing. Zeker in het tweede voorbeeld kan ik met de beste wil van de wereld geen beoogd rechtsgevolg zien. Verkeerd bezorgde pakketjes en verdwaalde ambulances zijn vervelend, maar toch echt feitelijke gevolgen.

6 FTG 24/11/2016 om 11:34

Het rechtsgevolg van het toekennen van een huisnummer kan zijn dat je verplicht bent het huisnummer zichtbaar aan de buitenmuur te bevestigen. Dit hangt natuurlijk ook af van de formulering van de plaatselijke regeling. Zo luidt artikel drie, tweede lid, van de Verordening straatnaamgeving en huisnummering gemeente Oisterwijk bijvoorbeeld: “Aan een object dat een nummer heeft gekregen moet het nummer op een doeltreffende wijze zijn aangebracht”.
In artikel 7 is geregeld: “Tenzij burgemeester en wethouders anders besluiten, is de rechthebbende van een object verplicht het nummer, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, aan te brengen op een wijze zoals in artikel 8, eerste lid, is bepaald.”

Voor het toekennen van een straatnaam zou hetzelfde kunnen gelden. Artikel 6 van de Oisterwijkse verordening luidt: ” Indien burgemeester en wethouders het nodig oordelen dat borden met een wijk- of buurtaanduiding, straatnaamborden, huisnummer(verzamel)borden en verwijsborden aan een object, een muur, paal, schutting of andere soort terreinafscheiding worden aangebracht is de rechthehbende verplicht toe te laten dat deze borden vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van burgemeester en wethouders worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.”

Of de keuze voor een bepaalde naam op zich zelf rechtsgevolgen kan hebben weet ik niet. De door Yoeri genoemde uitspraak duidt op een ontkennend antwoord. Maar in bepaalde wetten met betrekking tot registratie van gegevens is verplicht om bij de persoonsgegevens de straatnaam op te nemen. Dat zal dan de door de Raad vastgestelde straatnaam moeten zijn (en niet een andere), dus dat roept op dat punt een verplichting in het leven.

7 JADB 25/11/2016 om 11:02

@GB
Wat de kwalificatie van het besluit betreft: er is reden om daarover te twijfelen. De verplichting om een straatnaambord te dulden wordt namelijk niet opgelegd aan een bepaalde persoon, maar aan een onbepaalde groep (de rechthebbenden van een bepaalde zaak). Wanneer een pand van eigenaar wisselt hoeft het bestuur niet een nieuw straatnaambesluit te nemen. Dat leidt in jouw stuk tot de conclusie dat hier dus sprake is van een zaaksgerichte beschikking. Echter, die term is – voor zover ik weet – gereserveerd voor besluiten die een juridische status van een zaak bepalen op basis van in een wettelijk voorschrift genoemde eigenschappen die aan die zaken zouden toekomen. Bijvoorbeeld de aanwijzing van monumenten. Zo’n aanwijzing heeft rechtsgevolgen voor een ieder (een monument mag bijvoorbeeld niet verstoord worden). Echter, omdat de aanwijzing gebaseerd is op in de wet genoemde eigenschappen van het pand, spreken we van een zaaksgerichte beschikking, en niet van een besluit van algemene strekking. De vraag is of zulke eigenschappen ook bepalend zijn bij het nemen van een straatnaambesluit en of daarmee een juridische status wordt vastgelegd. Dat lijkt me niet direct voor de hand te liggen, zodat de vraag rijst of hier dan wellicht sprake is van een concretiserend besluit van algemene strekking. Je zou kunnen zeggen dat de verplichting om een bordje te dulden van toepassing wordt verklaard op een bepaalde zaak.

Voor de praktijk maakt dit allemaal niet veel verschil. Zowel tegen (weigeringen van) persoonsgerichte beschikkingen, zaaksgerichte beschikkingen en tegen concretiserende besluiten van algemene strekking staat bezwaar en beroep open via art. 8:1 Awb jo. art. 1:3 lid 2 Awb dan wel jo. 6:2 Awb.

Wat die laatste bepaling betreft in relatie tot het CBAS:

6:2 onder a Awb stelt met bezwaar en beroep gelijk weigeringen om een besluit te nemen. Een weigering van een aanvraag om een CBAS levert een appellabele handeling op.

Laat het bestuur echter niets van zich horen, dan biedt art. 6:2 onder b uitkomst. Het kan zijn dat in een wettelijk voorschrift een beslistermijn is opgenomen. Als die termijn wordt overschreden, lijkt mij dat art. 6:2 onder b geactiveerd kan worden (met inachtneming van art. 6:12 Awb, uiteraard).

Is een dergelijke termijn niet bepaald, dan is er een probleem. Je stelt terecht dat art. 4:13 Awb dan geen soelaas biedt, aangezien dat slechts geldt voor beschikkingen op aanvraag. Men zou echter een algemene verplichting tot binnen een redelijke termijn beslissen kunnen construeren op basis van art. 3:2 Awb en art. 6 EVRM. Dat deed de Centrale Raad in zijn uitspraak van 4 juni 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE6843. Is die redelijke termijn overschreden, dan kan een beroep worden gedaan op 6:2 onder b Awb.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: