De opmerkelijke afmars van het wetsvoorstel affectieschade

door PWdH op 06/04/2010

in Haagse vierkante kilometer, Rechtspraak

Het zit minister Hirsch Ballin niet altijd mee in de Eerste Kamer. Onlangs sneuvelde het wetsvoorstel affectieschade aldaar met 36 tegen 30 stemmen. Dit voorstel beoogde de vergoeding mogelijk te maken van immateriële schade, veroorzaakt door het gewond raken of overlijden van een dierbare. Aanvankelijk ging het om een vast bedrag aan smartengeld – vast te stellen bij amvb – van EUR 10.000. Om de senatoren tegemoet te komen schoof de minister – tevergeefs – een nieuw ontwerp-amvb naar voren, waarin dit bedrag werd gedifferentieerd al naar gelang de aard van de relatie en de situaties waarin het slachtoffer blijvend en ernstig letsel oploopt en die waarin hij komt te overlijden.

Tussen haakjes: het Burgerlijk Wetboek geeft momenteel geen recht op vergoeding van affectieschade. Achtergrond hiervan is de vrees van de wetgever voor commercialisering van verdriet en onsmakelijke procespraktijken. In geval van overlijden hebben slechts bepaalde nabestaanden op grond van artikel 6:108 BW uitsluitend recht op vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud (lid 1) en op vergoeding van de kosten van de lijkbezorging (lid 2).

Wel heeft de Hoge Raad in het bekende Taxibusarrest (HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240) aanvaard dat nabestaanden van slachtoffers van een verkeersongeval onder omstandigheden recht hebben op vergoeding van ‘shockschade’. Wie een verkeers- of veiligheidsnorm schendt en daardoor een ernstig ongeval veroorzaakt met de dood of ernstige verwondingen tot gevolg, handelt volgens deze jurisprudentiële regel namelijk niet alleen onrechtmatig jegens het slachtoffer, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het ongeval, of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Deze shockschade geldt als eigen schade van de nabestaande, die – anders dan affectieschade – op de voet van artikel 6:106 lid 1 aanhef en sub b BW (aantasting in de persoon) wel voor vergoeding in aanmerking kan komen. Dit zal met name het geval zijn wanneer tussen de geschokte nabestaande en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie bestaat. Vereist is hierbij wel dat het geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld, zodat in het algemeen sprake zal moeten zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Terug naar de Eerste Kamer. Enerzijds vreesde het CDA de onduidelijkheid van de rubricering (blijvend en ernstig letsel?), terwijl diezelfde rubricering voor de VVD nog altijd onvoldoende maatwerk opleverde. Het CDA had ondertussen ook moeite met het vertalen van leed in een schadebedrag, terwijl de VVD het ontstaan van een claimcultuur vreest. Aldus bleef het voorstel van een meerderheid verstoken. Hoewel beide fracties volgens mij valide argumenten aanvoeren, valt er – los van dit concrete voorstel – wel iets te zeggen voor het introduceren van de mogelijkheid van vergoeding van affectieschade.

In een recente, in het oog springende zaak vorderden de nabestaanden van de slachtoffers van een opzettelijk veroorzaakt verkeersongeval, Kleijnen c.s., vergoeding in geld van het hun aangedane leed, te betalen door Winterthur. Deze laatste was de WAM (Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen)-verzekeraar van de auto van de veroorzaker van het ongeval, een zekere G. Na een vermeende aanrijding had deze G. geëist dat de slachtoffers hem zouden volgen naar het woonwagenkamp waar hij woonde om daar de schade te ‘regelen’. Hierop volgde een wilde achtervolging, waarbij de slachtoffers tegen een boom botsten. G. werd strafrechtelijk veroordeeld wegens (het medeplegen van) doodslag. De nabestaanden trachten het Taxibus-vereiste van de ‘directe confrontatie met de ernstige gevolgen’ te omzeilen door te wijzen op de ernst van de schadeveroorzakende gedraging (opzet). De Hoge Raad wees hun vordering af onder verwijzing naar zijn rechtsvormende taak, die afstuit op het restrictieve stelsel van de wet: geen affectieschade, ook niet in geval van een opzettelijk veroorzaakt verkeersongeval.

De motieven van de nabestaanden in deze zaak ken ik niet, maar uit een onderzoek dat passeerde in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel affectieschade blijkt dat het slachtoffers vaak niet zozeer te doen is om de schadevergoeding zelf, maar om de erkenning van hun slachtofferschap die daaruit spreekt. In het strafrecht is daarvoor in toenemende mate aandacht, maar dat blijft – terecht – toch vooral een zaak tussen OM en verdachte. Het introduceren van enige vorm van vergoeding van affectieschade in het burgerlijk recht zou een aanvullende weg kunnen zijn om die erkenning tot uitdrukking te brengen. Dat veronderstelt dan wel dat het springende punt van deze zaak – een opzettelijke schadeveroorzakende gedraging – in de schadevergoeding tot uitdrukking zou kunnen worden gebracht.

{ 3 reacties… read them below or add one }

1 SV 06/04/2010 om 23:02

Ik word nieuwsgierig hoe in civilibus de bewijslast zou komen te rusten of de overledene nu daadwerkelijk een affectioneel verlies vormde. Zoals de onsterfelijke AG Spier het onder deze zaak zegt:

“Daarbij plaats ik terstond de kanttekening dat niet altijd alle naasten (even) diep zullen zijn getroffen door het overlijden van een – “technisch” gesproken – naaste. Sommige (familiebanden) zijn in de loop der jaren losser geworden of zijn nimmer optimaal geweest. Een (vermoedelijk niet al te groot) aantal nabestaanden zal in het geheel niet onaangenaam zijn getroffen, maar zich slechts verheugen op de opengevallen nalatenschap waarop zij al lang aasden. Ter vermijding van misverstand: ik heb hier uitdrukkelijk niet het oog op de onderhavige zaak (niets wijst daarop en Winterthur heeft geen hierop toegespitst verweer gevoerd) maar het illustreert het gevaar van algemene regels.”

2 TdB 07/04/2010 om 10:42

@SV

Interessant is in dit geval hoe de House of Lords deze vraag heeft opgelost. In Alcock v Chief Constable of South York bepaalde het dat voor de vereisten van shockschade (close tie of love and affection; proximity in time and space) dat er een vermoeden bestaat van een close tie in geval van een ‘eerste graadsrelate’ (ouders, kinderen, geliefden) (dus aan de gedaagde om te bewijzen dat het niet zo was) en dat in de andere gevallen het aan de eiser is deze band te bewijzen. Op deze uitspraak is veel commentaar gekomen, juist omdat het een floodgate kan openen: je kan niet voorzien met wie iemand een goede band heeft op het moment dat je hem doodrijdt (terwijl de close tie juist een invulling is van het forseeability-vereiste). Maar het is een interessante gedachte.

3 Ria 07/04/2010 om 17:14

Ik had echt gehoopt dat deze wet wel door zou gaan, juist om het welles/nietes bij verzekeringsmaatschappijen en dan mogelijk ook nog jaren procederen tegen te gaan. Het zou fijn zijn als er een basis zou zijn, want ook rechters, ondanks zwaarwegende (psychische) redenen, hebben verschil van mening om wel/niet affectie/schokschade toe te kennen. Mijn liefste dochter van 6 is komen te overlijden door verkeerde diagnose arts. Totdat je het zelf meemaakt, weet je wat het diep van binnen betekent om een dierbare opeens te moeten verliezen en dan ook nog verwachten van directe naasten om te moeten vechten voor hun rechten. Schadeclaim in NL bedraagt voor dit soort zaken niet meer dan vergelijkbare blikschade. Onbegrijpelijk!

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: