De organisatorische aansluiting van de politie met de strafrechter

door IvorenToga op 18/06/2013

in Rechtspraak, strafrecht

Post image for De organisatorische aansluiting van de politie met de strafrechter

In 1998 stelde ik in een artikel over het verhoor van verdachten en getuigen dat het Nederlandse stelsel van middellijke bewijsgaring nog niet zo gek is en het onmiddellijkheidsbeginsel maar betrekkelijke betekenis heeft (Over het onderzoek ter terechtzitting. De betrekkelijke betekenis van het onmiddellijkheidsbeginsel in strafzaken, Justitiële Verkenningen 1998). Dat toen en nu nog steeds in zwang zijnde zogenaamde beginsel heeft nooit mijn warme steun gehad. Veel advocaten en wetenschappers die pleiten voor het horen van meer getuigen ter zitting miskennen dat Nederlandse rechters, officieren van justitie en advocaten niet bedreven zijn in het verhoor. Ongerichte, te weinig voortbouwende en weinig open vragen zijn schering en inslag en leveren weinig op. Het is immers vrijwel niet aan een verdachte of getuige te zien of waar te nemen of hij liegt o.i.d., ondanks dat de toenmalige hoogleraar Strafrecht Mols dit in zijn oratie in 1989 beweerde (Staande de zitting). Advocaten kunnen 8 studiepunten verdienen met een cursus “leugenherkenning”, waarbij ze achter een beeldscherm leren om aan de mimiek leugens te herkennen. Deze cursussen zijn ontleend aan cursusmateriaal voor politiemensen ten behoeve van het horen van verdachten. Wat een treurige pretenties die bovendien aarzelingen ingeven over de kwaliteit van het politieverhoor.
Ik onderschrijf nog steeds mijn toenmalige stelling dat een zwakke zaak regelmatig eindigt in een vrijspraak, of er nu wel of niet getuigen ter zitting zijn gehoord. Vaak is bij de voorbereiding van het strafdossier al duidelijk of de zaak koerst op vrijspraak of niet.
Net als in 1998 ben ik de mening toegedaan dat deze gang van zaken alleen bestendigt als gevaren kan worden op het politiewerk. Liegende agenten ondergraven het vertrouwen van de rechter in de politieverhoren. Naast goed rechercheren is een zorgvuldige ondervraging dan ook een eerste eis. Precieze vastlegging van die verhoren is een tweede eis. Het toelaten van de verdediging bij die verhoren is een verdergaand kwaliteitsaspect. Wat schort er aan deze gang van zaken in relatie tot het effectief organiseren van het strafproces?

Veel getuigenverzoeken aan de strafrechter stoelen op de aanname van de verdediging dat het politieverhoor niet goed is gegaan. Vaak wordt verzocht om de verbalisanten te horen die het onderzoek hebben geleid of verdachten en getuigen hebben verhoord. Al dan niet voor het verhoor getrainde politieambtenaren komen dan ter zitting. Meestal leveren die verhoren niet veel op. Niet omdat het gewraakte proces-verbaal van bevindingen van verhoor deugt, maar omdat ik nog nooit heb meegemaakt dat de ondervraagde politieambtenaar verklaart dat zijn of haar ondervragingsmethode niet deugde.

Ik neem gas terug en begrijp de verdediging meer dan hierboven het geval lijkt. Het willen horen van getuigen ter zitting heeft ook te maken met de gang van zaken tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris. Daar valt namelijk voor de advocaat vaak nóg minder van te verwachten: de getuige wordt doorgaans niet onder ede gehoord, krijgt koffie en meestal is de sfeer relaxed. De rechter-commissaris neemt veel vragen voor eigen rekening, de raadsman komt meestal pas later aan bod. Afgezien van het feit dat de rechter-commissaris niet per definitie bedreven is in het verhoor, leiden deze bouwstenen tot de behoefte dan maar de getuigen ter zitting te willen horen. En dan is er nog de ontkennende verdachte die van zijn raadsman, juist vanwege die (zinloze) ontkenning, het nodige pittbullwerk verwacht, waarbij de verdachte naarmate het bewijs zich opstapelt meer tegengas wil zien. Zolang de raadsman niet actief bij getuigenverhoren door de politie aanwezig kan zijn, is vanuit verdedigingsoptiek de behoefte aan getuigenverhoren narekenbaar.
Ik doe nog een stap verder opzij. Veel strafdossiers zijn regelmatig nauwelijks inzichtelijk opgebouwd. Los daarvan zijn verhoren niet sterk opgebouwd, zijn vragen vaak niet precies of toegespitst op de mogelijke tenlasteleggingen en delictsomschrijvingen. Bovendien worden objectieve gegevens of toetsbare feiten en omstandigheden vaak niet of onvoldoende vastgelegd. Denk aan de vaak ontbrekende beschrijving en/of foto van verdachten en hun kleding bij de aanhouding ter toetsing van getuigenverklaringen. Verder valt op dat de schriftelijke verslaglegging van verhoren niet spoort met de audiovisuele verslaglegging of dat samenvattingen niet uitgewerkte verhoren dekken. Raadsman, officieren van justitie en strafrechters moeten het te vaak maar uitzoeken. Dat draagt niet bij aan een goede beoordeling en leidt tot veel vertraging in de afdoening van strafzaken.
Het is daarom te gemakkelijk om voor de oorzaken van een stagnerend strafproces te wijzen naar de advocatuur die zand in de machine zou strooien of het politieonderzoek in diskrediet wil brengen. Bij de bewijsgaring draait het mede om transparantie en inzichtelijkheid van het politiewerk omdat de strafrechter vrijwel nooit op een rechtstreekse wijze met het vergaarde bewijs wordt geconfronteerd. In dat licht is het begrijpelijk dat de verdediging het politieonderzoek wil toetsen. Dat die toets vaak niets oplevert, doet niet aan het belang af.

Over de oorzaken van defecten in het politiewerk is al veel geschreven. De politie zou te snel en ongecontroleerd willen scoren en daarom niet zorgvuldig werken. De politie zou te weinig aangestuurd worden door het openbaar ministerie, en als er wordt aangestuurd vindt die aansturing niet altijd plaats door ervaren officieren van justitie en parketmedewerkers. In het driehoeksoverleg zou de korpschef een overheersende rol vervullen. De politie zou een staat in de staat vormen. Ik weet dat allemaal niet. Omgekeerd ken ik de klacht van de politie dat de rechter-commissaris niet altijd strafvorderlijk op de hoogte is, bijvoorbeeld niet altijd het verschil kent tussen tactisch en forensisch rechercheren, dat strafrechters het onderzoek heropenen met onhaalbare opdrachten voor de politie of dat de politie in het ene ressortsgebied met andere formats geacht wordt te werken dan in het belendende gebied. Ook ben ik op de hoogte van de interne bureaucratie waarbij voor sporenonderzoek pakweg 11 formulieren moeten worden ingevuld voordat het NFI nog maar enig nader onderzoek heeft uitgevoerd. Ook deze omgekeerde reflectie kan ik niet goed wegen. Voor de richting van mijn opinie kies ik een andere invalshoek.

Zoals ik in dit drieluik over de advocatuur en het openbaar ministerie verdedig, meen ik dat zowel balie, officier van justitie als politie hun organisatorische inzet moeten afstemmen op de eis dat er een efficiënte behandeling van de strafzaak mogelijk wordt en er zo min mogelijk vragen rijzen over het politiewerk. Thans is het zo dat deze drie beroepsgroepen sterk gericht zijn op de eigen belangen en doelen. Daardoor kan het gebeuren dat zowel de politie, het openbaar ministerie als de strafrechtspraak bezig zijn met eigen automatiseringssystemen. Het is verkwisting van publieke middelen dat het – reeds digitaal opgemaakte – dossier niet digitaal ter beschikking wordt gesteld aan het openbaar ministerie, balie en rechter, voorzien van de audiovisuele opnames van de verhoren. Ik zou graag zien dat ter zitting met een enkele druk op de knop digitale stukken en verhoren kunnen worden bekeken en kunnen worden besproken met het openbaar ministerie en de verdediging. Daarnaast zou het me als strafrechter een lief ding waard zijn als de politieacademie en de politiekorpsen vaker rechters en advocaten over de vloer kregen voor les, voorlichting en discussie over eisen aan een preciezere verslaglegging van verhoren etc. in het politiedossier.

Ik sluit af. Zoveel geld, zoveel – vrijwel altijd integere – inspanningen en toch evident zo langs elkaars belangen heen werken. Ik zie niet zo snel een oplossing, maar als het strafproces stagneert komt dat niet alleen omdat de strafrechter en de officier van justitie organisatorisch naar de rand van het werk zijn gedrongen of omdat de raadsman qualitate qua weinig gefocust is op de organisatie van het strafproces. Het werk van de politie wint aan belang wanneer het meer gericht zou zijn op de toetsing en beoordeling daarvan in het strafproces.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 a.zecha 27/06/2013 om 23:15

De digitale reorganisatie van “de organisatorische aansluiting van de politie met de strafrechter” werd structureel te laag begroot op 25 miljoen Euro’s. Volgens het FD zijn de uitgaven inmiddels tot het viervoudige (100 miljoen Euro’s) gestegen. Niettegenstaande (of ondanks!) deze gigantische investeringen is deze digitalisering uitgedraaid op een structurele flop.
Dit roept associaties op aan de geschiedenissen met andere grootse politieke projecten die de twee verstrengelde staatsmachten (de binitas politica) met publieke middelen financierden. Te denken valt aan de Betuwelijn, de HSL en Fyra en de JFS.
M.i. toont het aan dat de product betrouwbaarheid van de verstrengelde politieke uitvoerende en controlerende staatsmachten net zo groot is als die van de slager die zijn eigen vleeswaren keurt.
a.zecha

2 mr. R.P.Kuijper 20/03/2015 om 16:55

Met alle respect voor de auteur zijn mijn ervaringen als strafpleiter (en oud-politieambtenaar) toch echt anders. Politie en justitie zijn amper meer bedreven is verhoren van verdachten of getuigen en bewijsvergaring dan advocaten en rechters en nemen aanmerkelijk minder nauw met de fundamentele waarborgen. Processen-verbaal van verhoor getuigen niet zelden van het ontbreken van een bron van wetenschap, terwijl verklaringen geregeld niet goed op papier worden gezet waardoor terecht twijfel ontstaat over de juistheid en accuratesse van het onderzoek.

Zowel tijdens mijn werk als politieambtenaren als strafpleiter ben ik tot zaken tegen gekomen waarin politieambtenaren aantoonbaar onjuist verklaren over hetgeen zou zijn verklaard. Ook ben ik zaken tegen gekomen waarin getuigen verklaringen aflegden over zaken die men had waargenomen die men gelet op de feiten en omstandigheden niet kon waarnemen, doch welke verklaringen door politie en justitie voor zoete koek werden geslikt. Ik ben dan ook van mening dat het ter terechtzitting horen van getuigen wel degelijk een verbetering van het strafproces zou opleveren.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: