De organisatorische kwaliteit van de verdediging in strafzaken

door IvorenToga op 20/06/2013

in Rechtspraak, strafrecht

Post image for De organisatorische kwaliteit van de verdediging in strafzaken

Wie officieren van justitie, strafrechters en advocaten over elkaar hoort mopperen, realiseert zich meestal wel dat het gemopper voortkomt uit professionele teleurstelling omdat de beklaagde een andere beslissing heeft genomen dan de klager wenselijk vond. Soms zijn er ook klachten over elkaars kwaliteit, zoals blijkt uit een artikel van enkele jaren geleden van advocaat Jan Sjöcrona die zich op goede gronden beklaagde over de bejegening van advocaten ter zitting (Trema 2005, blz. 373 e.v.).

Daarentegen valt er vanuit rechterlijke optiek soms af te dingen op de kwaliteit van een pleidooi. In deze bijdrage gaat het mij echter om klachten die de organisatie van het werk raken en in het bijzonder van grote invloed zijn op het werk van de ander. De uitval van strafzaken en het bestaan van gaten bij de doorsnee zittingen van de strafrechter hebben regelmatig van doen met de opstelling van de verdediging in strafzaken. Laat ik me beperken tot het hoger beroep, waarbij ik me beperk tot de standaardzaken en niet tot de grotere zaken. Waar zijn verbeteringen mogelijk?
Ik vang aan met het instellen van het hoger beroep. In de appelmemorie, als die al komt, is regelmatig sprake van een weinig concreet onderbouwd verzoek om getuigen te horen, terwijl op het eerste en op het tweede gezicht niet of nauwelijks helder wordt waartoe die getuigen dienen en deze bovendien al regelmatig zijn gehoord in de fase van de rechtbankbehandeling.
Ik heb vaak de indruk dat het ongenoegen met de veroordeling door de rechtbank de verdediging ertoe brengt reeds gehoorde getuigen opnieuw bij het hof te willen horen. Maar het zou meer voor de hand liggen om over te gaan tot een weging van de inmiddels meermalen afgelegde verklaringen. Een zaak wordt voor de verdediging niet direct kansrijker als een getuige voor de tweede of derde maal wordt gehoord. Het is niet uit te sluiten dat de verzoeken slechts voortkomen uit de wens van de verdachte, terwijl de raadsman daar weinig in ziet omdat het ook in het nadeel van de verdachte kan uitwerken.

Verder wordt in de voorbereiding van het strafproces de verdediging, althans door mijn eigen gerechtshof, vaak gevraagd of hij nog onderzoekswensen heeft of worden andere vragen gesteld. Het is een uitzondering als de raadsman binnen enkele dagen reageert. Het hof moet regelmatig extra mails sturen of bellen en dan nog komt het regelmatig voor dat de advocaat helemaal niet reageert en het op de zitting laat aankomen en daar alsnog nieuwe verzoeken lanceert.
Een derde voorbeeld betreft de inhoudelijke planning van de zaak. Als de raadsman geen beletsel tegen datum en uur van behandeling heeft opgeworpen, komt het vaak voor dat het hoger beroep enkele dagen of zelfs uren voor de behandeling van de zaak wordt ingetrokken. Dat is een grote ergernis, de rechterlijke voorbereidingstijd valt in een zwart gat. De vrijgekomen ruimte op de zitting kan niet meer gevuld worden met een nieuwe strafzaak, waardoor andere verdachten langer op hun berechting moeten wachten. Ik heb de indruk dat hier sprake is van een organisatorisch tekort van de strafrechtbalie. Meestal is de raadsman in hoger beroep dezelfde als bij de rechtbank. Als sprake is van een kansloos appel zou de raadsman dat in een veel eerder stadium moeten kunnen inschatten.

Doorzetten van het hoger beroep en het in de laatste week voor de zitting intrekken schaadt niet alleen de organisatie van het gerechtshof, maar ook de belangen van de slachtoffers en de verdachte zelf. Het tijdig intrekken of niet instellen van het appel ‘helpt’ de cliënt spoediger naar een betere fase van het detentieregime en voorkomt onnodige spanning bij de verdachte, het slachtoffer en mogelijk te horen getuigen. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat de raadsman geen tijdige intrekking kan realiseren als de cliënt geen helderheid verschaft.

Een ander voorbeeld is de lengte van het pleidooi. Het komt vaak voor dat de raadsman langer pleit dan hij voor de behandeling desgevraagd aankondigt. Niet zelden worden pleitaantekeningen uit de rechtbankfase opnieuw voorgelezen en worden geen nieuwe punten naar voren gebracht die passen bij het voortbouwend appel dat zich zou moeten toespitsen op de meest wezenlijke geschilpunten met rechtbank en openbaar ministerie. Erger nog, een advocaat die niet tothepoint is, bevordert niet de belangen van zijn cliënt.

Als laatste voorbeeld wijs ik op het feit dat te veel advocaten strafrechters gevangen houden met het steeds vaker en lichter toegepaste wrakingsmiddel, waardoor ze de belangrijkste bron voor hun effectiviteit dempen: de eerste indrukken van degenen die over de zaak van hun cliënt moet beslissen. Ten overvloede merk ik op dat het door de rechter ongericht voorhouden van stukken of voorlezen van delen van een dossier of het te lang requireren zonder precieze duiding en weging van de bewijsmiddelen evenmin bijdraagt aan een adequaat zittingsverloop. In dat verband ware het aan te bevelen dat openbaar ministerie en verdediging voorafgaand aan de zitting hun voorlopige standpunten schriftelijk uitwisselen, zodat rechters worden geprikkeld ter zitting hun preliminaire indrukken prijs te geven en de verdediging spitser kan plaatsvinden.

Ik realiseer me dat de raadsman niet dezelfde positie als de rechter of de officier van justitie bezit. Hij is spreekbuis van zijn cliënt en heeft daarmee een eendimensionale gerichtheid op diens belangen. Mijn perspectief stoelt mede op de inzichten uit het grote onderzoeksproject Strafvordering 2001, waarin het recht op een behoorlijke verdediging als een publiek belang is geschetst. Dit met het voorbehoud, dat de uitoefening van verdedigingsrechten een zinnige bijdrage aan de beoordeling van de strafzaak oplevert. Het is uiteindelijk dus de strafrechter, en niet de raadsman, die bepaalt wat een zinnige of verspillende benutting van dure procestijd is.

Omdat het strafproces en de schaarste aan publieke middelen geen verspilling van rechterlijke tijd mag meebrengen en om langer durende onzekerheid voor verdachte en slachtoffer te voorkomen, moet ook de verdediging efficiënt procederen. Het in standaardzaken ineffectief omgaan met dure procestijd zou moeten meebrengen dat het niet tijdig indienen van verzoeken, het niet tijdig aangeven van de benodigde pleittijd, het niet tijdig reageren op verzoeken van het gerecht leidt tot een (gedeeltelijke) rechtsverwerking en daarmee het verspelen van rechten. Op die gronden zouden verzoeken van de verdediging zonder meer moeten kunnen worden afgewezen, pleidooien ter zitting moeten kunnen worden ingeperkt enz. Hetzelfde geldt voor een requisitoir.

De komende tijd wordt de vraag klemmender of het openbaar ministerie en de advocatuur verplicht kunnen worden de organisatie van hun werk meer af te stemmen op de organisatorische kaders die de strafrechter stelt. De decennialange ontwikkelingen binnen de strafrechtspraak komen hierop neer dat er nog slechts een enkel procent van de jaarlijks vermoedelijk gepleegde misdrijven aan de strafrechter wordt voorgelegd. Zeker in het geringe deel van deze zaken, de meervoudige strafkamerzaken, dient de strafrechter het organisatorische voortouw te bezitten.
Als de raadsman zijn eigen agenda, kantoorperikelen en belangen laat prevaleren zou in de nabije toekomst wel eens een strengere strafrechter kunnen ‘opstaan’ die verdediging verdergaand bindt aan de door de rechter zelf ontwikkelde protocollen over de organisatorische inrichting van het strafproces. Niet in de grote en gewichtige zaken, maar in de standaardzaken dient een efficiëntere verdediging dienstbaar te zijn aan een efficiëntere rechtspraak, zodat de schaarse tijd kan worden benut voor een strafgeding over de punten die er toe doen. Dat is in het belang van iedereen, ook in het belang van verdachten.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 Filip S. 20/06/2013 om 08:17

Vooropgesteld dat ik helemaal niets met strafrecht van doen heb, kan ik wel meeleven met het pleidooi van Otte. Meer in het bijzonder vroeg ik mij af of de korte beslistermijn voor hoger beroep (in ieder geval t.o.v. termijnen in andere rechtsgebieden) van slechts twee weken hier mede debet aan is.

Ik begrijp de gedachte van de wetgever om die termijn kort te houden, immers rechtszekerheid en duidelijkheid is een belangrijk principe, maar ik kan mij ook voorstellen dat de verdachte en raadsman opportuun een hoger beroep indienen, terwijl het besef dat e.e.a. slechts uitstel van executie is later indaalt.

In die korte periode van 14 dagen moet er door de verdediging heel wat gebeuren. Men moet even wachten op de motivatie en deze daarna bestuderen. De verdachte is nu echt veroordeeld wat natuurlijk verwerkt moet worden. De raadsman moet idealiter vervolgens het vonnis uitleggen aan zijn client en daarna moet er een beslissing genomen worden. In de tussentijd doemt de strenge deadline van de beroepstermijn en gaat voor de advocaat ook de andere kantoorwerkzaamheden gewoon door, terwijl de verdachte ook in zijn prive een en ander dient te regelen.

Al met al is er dus weinig tijd voor reflectie bij zowel de veroordeelde als zijn raadsman, weinig tijd om een achterban te consulteren, terwijl in zo’n strafproces altijd een gevaar van tunnelvisie schuilt, er is weinig tijd om de motivatie eens kritisch te bestuderen. Nee, dat alles vindt nu pas plaats op het moment dat het proces weer op de rol staat, met wellicht alle ellende die Rinus Otte hierboven ervaart.

Met een langere beroepstermijn filter je wellicht dit soort opportune beroepen van de rol, maar ik word graag door experts op dit gebied op andere gedachten gebracht.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: