De Oudheid is nog niet voorbij: positieve actie in de Romeinse Republiek

door LD op 16/08/2009

in Varia

Post image for De Oudheid is nog niet voorbij: positieve actie in de Romeinse Republiek

In 2007 nam de bekende hoogleraar Oude Geschiedenis Fik Meijer na jaren van trouwe dienst afscheid van de Universiteit van Amsterdam. Vlak voor zijn emeritaat publiceerde hij het boekje ‘De Oudheid is nog niet voorbij’. In dit interessante en zeer leesbare werk probeert Meijer de lezer duidelijk te maken dat de klassieke wereld weliswaar ver van ons af lijkt te staan, maar dat zij in werkelijkheid nog heel dicht bij ons is. Dit doet hij door een aantal casus te beschrijven waarin vragen en thema’s een rol speelden waar Grieken en Romeinen mee worstelden, en die ook vandaag de dag nog actueel zijn. Zo bespreekt hij discussies over democratie, het aspireren van het martelaarschap en ongebreideld winstbejag. Een ander voorbeeld, dat Meijer niet bespreekt en dat het onderwerp vormt van deze bijdrage, is positieve discriminatie, of – met een modernere en ietwat positievere insteek – positieve actie. Ook met dat vraagstuk worstelden de Romeinen reeds.

Toen de Romeinse Republiek in 509 voor Christus tot stand kwam, bestonden er twee sociale klassen (of kasten): de patriciërs (patres) en de plebejers (plebes). De patriciërs vormden de geboorteadel: reeds in de koningstijd hadden zij de hoge religieuze functies bekleed en bovendien gefungeerd als de raadgevers van de koning, de senatoren. Uit hun naam blijkt reeds hun verheven positie: patres betekent letterlijk ‘vaders’. De patriciërs waren oorspronkelijk dus de morele en politieke vaders van het Romeinse volk. Wie geen patriciër was, was een plebejer. Tegenwoordig denken we bij een plebejer wellicht aan iemand die niet alleen onbeschaafd, maar ook nogal arm is. In het oude Rome was dat echter niet per se het geval. Een plebejer was simpelweg iemand van het gewone volk. Hij kon heel arm zijn, maar ook heel rijk. Hij kon voorts hereboer zijn, dagloner, ambachtsman, handelaar of werkloos. Het enige wat hij niet kon zijn was een patriciër, tenzij hij door een patriciër in diens familie werd geadopteerd. Andersom kon een patriciër trouwens ook door adoptie plebejer worden.

Waarom is dit alles nu relevant? Welnu, toen in 509 voor Christus de Republiek werd uitgeroepen, monopoliseerden de patriciërs alle publieke ambten. Priesterschappen konden alleen bekleed worden door leden van patricische families (voor sommige priesterschappen zou dat tot aan het einde van de Republiek blijven gelden) en hetzelfde gold voor het belangrijkste politieke en militaire ambt: dat van consul. Daarvan werden er jaarlijks twee gekozen. De consuls vormden de hoogste civiele autoriteiten in Rome zelf. Zij konden wetsvoorstellen indienen bij de volksvergadering, waren belast met rechtspraak, konden dwang (coertio) uitoefenen tegen burgers en konden de Senaat bijeenroepen voor advies en het uitstippelen van beleid. Daarnaast leidden de consuls de Romeinse legers in de strijd tegen de buurvolkeren. Daarbij bezaten zij vergaande bevoegdheden en konden zij beschikken over leven en dood van de legioensoldaten. Behaalde de consul een schitterende militaire overwinning, dan werd hem vaak toegestaan een triomftocht te houden. Op zo’n moment stond een Romein heel dicht bij de goden. Het consulschap was dan ook de droom van elke ambitieuze Romeinse burger, patriciër en plebejer. Maar zoals gezegd had de laatste aanvankelijk geen kans: de wet (of het ongeschreven recht, of eenvoudigweg de traditie, dit is niet geheel duidelijk) verbood hem zich kandidaat te stellen.

Waarschijnlijk vonden veel plebejers dit niet echt een probleem. De armen hadden wel andere zorgen aan hun hoofd, zoals de schuldslavernij (wie zijn schulden niet betaalde, werd de slaaf van zijn schuldeiser), de schandalig hoge rente die schuldeisers vroegen en het feit dat veel van het door de Republiek op buurvolkeren veroverde publieke land door de rijken werd ingepikt (waarvan sommigen ook nog eens plebejer waren). Ook zullen er onder de plebejers best lieden geweest zijn die geloofden dat de patricische families nu eenmaal voorbestemd waren om Rome te leiden. Zo was dat per slot van rekening altijd gegaan. Traditie was een belangrijk argument voor de conservatieve Romein (en ook in dat opzicht lijkt er weinig veranderd te zijn).

Maar er waren ook plebejers die ambitieuzer waren. Om hun plannen te verwezenlijken maakten zij gebruik van het enige ambt dat voor hen openstond: dat van volkstribuun (tribunus plebis). Een volkstribuun kon wetsvoorstellen indienen, maar kon dat alleen doen in de vergadering van het plebs (concilium plebis). Nam deze vergadering een wetsvoorstel aan, dan was de aldus tot stand gekomen wet niet verbindend voor patriciërs, tenzij deze door een vergadering van het hele volk (of door de Senaat, dit is wederom niet geheel zeker) werd bekrachtigd. Pas in 287 voor Christus zouden besluiten van het concilium plebis verbindend worden voor het gehele Romeinse volk (populus Romanus). Een volkstribuun had echter nog een ander, veel geduchter wapen: het recht van veto. Iedere handeling van een andere magistraat (inclusief een collega volkstribuun) kon door hem door het uitspreken van het woord ‘veto’ (‘ik verbied het’) getorpedeerd worden. Dit maakte de volkstribuun tot een machtig speler in het Romeinse politieke bestel. Patricische consuls die niet gecharmeerd waren van constitutionele hervormingen liepen dus het risico dat hun plannen door het uitspreken van een enkel woord om zeep geholpen werden. Vooral de late Republiek kent daarvan spectaculaire voorbeelden.

Een eerste barstje in het patricische ambtenmonopolie werd bewerkstelligd in 445 voor Christus. Toen werd namelijk het ambt van consulaire tribuun ingesteld (tribunus consularis). De volksvergadering kon jaarlijks kiezen of zij consuls of consulaire tribunen wilde kiezen. Deze laatsten hadden precies dezelfde bevoegdheden als consuls, maar het verschil zat hem in het aantal magistraten dat gekozen werd: er waren altijd 2 consuls, maar het aantal consulaire tribunen kon oplopen tot wel 8. Het moge duidelijk zijn dat een individuele tribuun daarmee minder machtig was dan een consul, die immers slechts één collega naast zich wist. Misschien dat dat mede de reden was dat het ambt ook voor plebejers openstond. Een andere reden zal zijn dat Rome op dat moment in zware oorlogen met de buurvolkeren verwikkeld was en op meerdere fronten competente legeraanvoerders nodig had.

Hoe dit ook zij, er was een ambt opengesteld voor plebejers. Betekende dit hun politieke doorbraak? Nee, in het geheel niet. Pas in 400 voor Christus werd de eerste consulaire tribuun van plebejische komaf verkozen, Publius Licinius Calvus. Het feit dat veel van de armere plebejische burgers met handen en voeten gebonden waren aan hun machtigere patricische patronen zal hiervoor een belangrijke reden zijn geweest: misschien wilden zij wel anders stemmen, maar als afhankelijke clientes konden zij dat simpelweg niet. Het stemgeheim zou pas in 139 voor Christus worden ingevoerd, dus iedereen kon het zien als zij niet – zoals van hen verwacht werd – op hun patronus stemden. Ook kan hebben meegespeeld dat veel Romeinse burgers nog steeds vertrouwden op de bestuurskracht die de oude patricische families altijd hadden getoond. De theorie dat goede kwaliteiten van generatie op generatie werden doorgegeven en dat bepaalde kwaliteiten inherent bij een bepaalde familie horen was zeer diep geworteld. Tenslotte kan een rol gespeeld hebben dat het Romeinse kiesrecht niet op het ‘one man, one vote’ principe gebaseerd was. Weliswaar had iedere burger één stem, maar een stem van een rijke Romein telde veel zwaarder dan die van een arme. Wellicht waren er op dat moment nog te weinig rijke en aanzienlijke plebejers om een kandidaat uit het plebs verkozen te krijgen.

Voor sommige plebejers moet het uitermate frustrerend geweest zijn: al zo veel jaren vochten ze voor gelijke behandeling, maar steeds zonder significant resultaat. Inmiddels was wel het ambt van quaestor voor hen geopend (sinds 421 voor Christus), maar dat voornamelijk financiële ambt was natuurlijk niets vergeleken bij de hoofdprijs: het consulschap. Met een klein beetje hulp van buitenaf kon het voorstel om het consulschap ook voor plebejers open te stellen weer op de agenda worden gezet. In 390 of 387 voor Christus hakte een bende rondtrekkende Kelten namelijk een Romeins leger in de pan en nam de stad Rome in. Na betaling van een flinke hoeveelheid goud bleken de Kelten bereid weer te vertrekken (volgens een Romeinse traditie wist de in ongenade gevallen veldheer Camillus het goud terug te veroveren; we kunnen echter zo onze twijfels hebben bij dit ‘happy end’ verhaal). In de jaren na de Keltische invasie heerste wederom chaos in de stad. De schuldenlast van de armen was enorm en de verdeling van de landbouwgrond zeer oneerlijk. Het politieke klimaat in de stad was zeer gespannen. Twee ambitieuze volkstribunen, Gaius Licinius Stolo en Lucius Sextius, maakten van de gelegenheid gebruik om openstelling van het consulschap voor plebejers te eisen.

Stolo en Sextius bedachten daartoe een plan. Zij dienden één wetsvoorstel in met daarin drie maatregelen: aanpak van woekerrentes, verdeling van publiek land onder de armen én positieve actie ten faveure van plebejers. Ditmaal stelden zij namelijk niet slechts voor dat ook plebejers tot consul verkozen konden worden. Nee, een van beide consuls zou een plebejer moeten zijn. De volksvergadering verwierp echter om onduidelijke redenen het verzamelwetsvoorstel. De woedende volkstribunen dreigden daarop zich niet meer kandidaat te stellen voor het volgende jaar: daarmee zou het gewone volk zijn kans verspelen om van schulden af te komen en een eerlijke verdeling van landbouwgrond te krijgen, want juist voor die zaken hadden Stolo en Sextius zich al jarenlang ingezet. Het plebs kon dus kiezen: of het herkoos de volkstribunen en kreeg dan wat het wilde plus verplicht één consul voor de plebejers, of het verloor zijn kampioenen en mocht het verder zelf uitzoeken.

Volgens de Romeinse geschiedschrijver Livius (59 v. Chr. – 17 n. Chr.) was het de patriciër Appius Claudius die het felste tekeer ging tegen de opstelling van de volkstribunen. Hoewel de speech ongetwijfeld geheel door Livius zelf is geschreven, is het niet onredelijk om aan te nemen dat Claudius de in de speech gebruikte argumenten zelf ook heeft aangevoerd. De gens Claudia had een opmerkelijke geschiedenis. Van oorsprong was zij niet Romeins, maar Sabijns. Enkele jaren na de stichting van de Republiek was een Sabijn genaamd Attus Clausus met zijn familie en grote schare cliënten naar Rome gekomen en had zich daar opgewerkt tot senator en patriciër (onbekend is hoe dat gegaan is). De Claudii stonden bekend om hun conservatisme, hun arrogantie en hun weerzin tegen het gewone volk, maar ook om hun patriottisme, hun politieke talent en hun good looks. Veel mannelijke leden van de familie hadden de bijnaam ‘Pulcher’ wat zoveel betekent als ‘mooie jongen’. De ietwat apart status van de Claudii blijkt voorts uit het feit dat zij als enige Romeinse familie de voornaam Appius gebruikten.

De Appius Claudius die net genoemd is, voerde een hele reeks bezwaren aan tegen de handelwijze van de volkstribunen. In de eerste plaats hekelde hij het feit dat Stolo en Sextius een verzamelwetsvoorstel hadden ingediend. Dat betekende dat de volksvergadering het hele voorstel moest aannemen of verwerpen, ook al was zij het met het onderdeel van de consulsverkiezingen wellicht niet eens. Claudius vergeleek dit met het neerzetten van voedsel en vergif voor een uitgehongerde man, en hem vervolgens dwingen ofwel niets te eten, ofwel het voedsel vermengd met het vergif tot zich te nemen. In Nederland kennen we het verschijnsel van verzamelwetgeving nog steeds, en ook hier leidt het – vooral in de Eerste Kamer – nog tot staatsrechtelijke en politieke vragen, zoals ik eerder op deze blog reeds schreef. De Romeinse volksvergadering bezat geen recht van amendement en ook geen recht van initiatief (net als de Eerste Kamer), en werd dus voor het blok gezet. Claudius vond dat onacceptabel: “Als dit een vrije staat was, zouden dan niet honderden stemmen hebben uitgeroepen: Weg met jullie tribunaten en wetsvoorstellen!”.

Verder stelde Claudius zich op het standpunt dat het in een vrije Republiek onacceptabel is om de keuzevrijheid van de kiezer te beperken door hem te verplichten minstens één plebejische consul te verkiezen. Wat als de plebejers nu gewoon twee patricische consuls uit aanzienlijke en roemrijke geslachten wensen? Dan mogen ze dat niet. Belachelijk, aldus Claudius: “Noemen jullie dit een gelijke verdeling van ambten, wanneer het legaal is om twee plebejers tot consul te kiezen, maar niet twee patriciërs?”. Misschien klinkt dit argument wat hypocriet uit de mond van iemand die juist een bevoorrechte positie voor patriciërs verdedigt, maar het is zeker een argument. Ook vandaag de dag is het nog een relevant argument, bijvoorbeeld in de discussie over vrouwen in de politiek. De Duitse feministische partij Die Frauen heeft ooit voorgesteld wettelijk te garanderen dat minstens 52% van de Duitse parlementariërs vrouw is: “Die Feministische Partei DIE FRAUEN will das Bundeswahlgesetz derart ändern, dass ein mindestens 52-prozentige Frauenanteil im Bundestag garantiert werden kann”. Bij dit soort voorstellen kan men zich afvragen hoe democratisch ze zijn. Voor de voorstellen van Stolo en Sextius geldt dat natuurlijk ook.

Tenslotte maakte Claudius gehakt van het argument van de volkstribunen, dat als het mogelijk zou blijven twee patriciërs tot consul te kiezen, er nooit een plebejer gekozen zou worden, en dat daarom de positieve actie nodig was. Claudius vatte dit argument samen als: “Omdat jullie uit vrije wil geen personen zullen kiezen die het ambt onwaardig zijn, dwingen we jullie maar dat te doen tegen jullie eigen wil in”. Een plebejische consul die aldus werd aangesteld, was benoemd door de wet, en niet gekozen door het volk, aldus Claudius. Het consulschap was hem in de schoot geworpen door het toevallige feit dat hij plebejer was, en niet door enige persoonlijke verdienste. Terwijl mensen juist op verdienste beoordeeld moeten worden! Ook in Nederland wordt dat argument vaak gehoord om positieve actie af te keuren. De Algemene wet gelijke behandeling staat op grond van artikel 2 lid 3 positieve actie onder bepaalde voorwaarden toe. In 2003 heeft het toenmalige VVD-Tweede Kamerlid Luchtenveld geprobeerd dit artikellid te schrappen. Zijn argument: “Burgers moeten worden aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid. Daar past «positieve actie» niet in.”. Met andere woorden: beoordeel mensen op hun kunnen, en niet – bijvoorbeeld – op hun kunne. Dit lijkt sterk op het argument van Claudius.

De argumenten van Claudius haalden het uiteindelijk niet. Stolo en Sextius werden herkozen en wisten uiteindelijk hun voorstellen in wetgeving omgezet te krijgen. Sextius werd zelf de eerste plebejische consul (en daar was het hem ook allemaal om te doen, althans volgens Appius). Als ‘wisselgeld’ zouden nieuwe ambten gecreëerd zijn die voorlopig alleen voor patriciërs toegankelijk waren: de praetor belast met de rechtspraak in de stad, en de aedilis curulis, die zich onder meer bezig hield met de graanaanvoer, het onderhoud van gebouwen en tempels en de organisatie van de spelen. Op den duur zouden ook deze ambten voor niet-patriciërs worden opengesteld. De rijke en aanzienlijke plebejers begonnen zich nu richting de top op te werken en zo ontstond al gauw in de plaats van de oude patricische adel een nieuwe, gemengd plebejisch-patricische adel: de nobilitas. Deze was bij tijd en wijle net zo gesloten als de oude adel. De openstelling van publieke ambten leidde dus eerder tot een nieuwe aristocratie dan tot daadwerkelijke democratie.

Ondanks het feit dat het legaal was om twee plebejers als consuls aan te stellen, geschiedde dat pas voor het eerst in 172 voor Christus. In 215 voor Christus werden weliswaar twee plebejers gekozen, maar op religieuze gronden werd de verkiezing van een van hen ter discussie gesteld. Tijdens de plechtigheid waarbij de nieuw gekozen consul Marcellus zijn ambt aanvaardde, was namelijk donder gehoord, en dat was een slecht voorteken, zeker nu de Romeinen in een strijd op leven en dood verwikkeld waren met De Carthager Hannibal. De patriciërs verspreidden direct het gerucht dat de goden vertoornd waren over de verkiezing van twee plebejers. Marcellus legde daarop zijn ambt neer en in zijn plaats werd de patricische kandidaat Fabius Maximus gekozen. Dit soort religieus geïnspireerde argumenten in democratische verkiezingsprocessen lijkt (gelukkig) te zijn verdwenen. Op dat punt is de Oudheid echt voorbij.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: