De prestaties van de strafrechter

door IvorenToga op 04/12/2012

in Rechtspraak

Post image for De prestaties van de strafrechter

Justice delayed is justice denied, luidt een bekend adagium. Traag recht is geen recht. Dat zal ook de reden zijn geweest waarom de zittende magistratuur voor de afdoening van alle soorten zaken normen heeft gesteld voor de tijd waarbinnen ze moeten zijn afgedaan. Het halen van die normen valt echter nog niet mee ondanks het feit dat door de gemaakte keuze de lat nogal laag is gelegd. Als norm wordt namelijk gesteld de tijd die verloopt tussen de eerste zitting en de accordering van het vonnis. Alle tijd, die verstrijkt zolang een zaak bij de rechter op behandeling ligt te wachten, wordt dus niet meegerekend en die kan flink oplopen.

Desondanks doen de gerechtshoven in 2010 slechts 55% van hun meervoudige strafzaken binnen 9 maanden af, terwijl de norm op 85% ligt. Maar ook de rechtbanken hebben grote moeite om aan de norm te voldoen. Uit het Jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak over 2011 blijkt dat de norm voor de Meervoudige Strafkamer, die 85% van de zaken binnen 6 maanden moet afdoen, in de afgelopen 3 jaar, gemiddeld over het hele land gerekend, nog nooit is gehaald. Voor de Politierechter, waar 90% binnen 5 weken moet zijn afgehandeld, geldt hetzelfde. Alleen bij de Kinderrechter is de norm, eveneens 90% binnen 5 weken, in 2009 en 2010 wel gehaald, maar in 2011 niet meer.

Echter, zoals gezegd, voldoen de gekozen normen niet erg om een goed beeld te krijgen van de echte doorlooptijd. Die zou natuurlijk moeten worden gedefinieerd als de tijd die verloopt tussen het moment waarop een zaak bij de rechtbank binnenkomt en het tijdstip dat hij er weer uitgaat. Die tijd vormt de totale “verblijfstijd” van een zaak in het rechterlijk deel van de keten.

Dat moment van binnenkomst, dat uiteraard vrijwel gelijktijdig is aan het tijdstip waarop de zaak het OM verlaat, zou, zo wordt beweerd, niet nauwkeurig zijn vast te stellen. Daarom is voor die rare, andere norm gekozen.

Om nu toch enig zich te krijgen op de werkelijke doorlooptijd zit er dus niet veel anders op dan te kijken naar de “gezamenlijke”doorlooptijd van OM en rechter samen. Die wordt (helaas) weer net iets anders gedefinieerd namelijk als het tijdsverloop tussen het moment van inschrijving op het parket en de eindbeslissing van de rechter. Of dat laatste moment samenvalt met het accorderen van het vonnis weet ik niet. In ieder geval zal die tijd een stuk langer zijn.

Gegevens over de aldus berekende doorlooptijd zijn te vinden in “Criminaliteit en Rechtshandhaving 2011”, een gezamenlijke publicatie van CBS, WODC en de Raad voor de Rechtspraak.

Daaruit blijkt dat sinds 1995 bij de Meervoudige Kamer het vonnis steeds langer op zich laat wachten. Tot 2011 is de genoemde doorlooptijd, voor alle zaken met 35% toegenomen, van 225 tot 304 dagen. Op deelterreinen van criminaliteit zijn er tussentijds wel verbeteringen te constateren, maar die worden allemaal vanaf 2005 weer ongedaan gemaakt. Alleen de afdoening van vuurwapendelicten duurt in 2011 gemiddeld 2 dagen korter dan in 1995. De afdoeningtermijn van misdrijven uit overige wetten daarentegen is met 73% toegenomen van 442 tot 766 dagen.

Bij de politierechterzaken, ruim drie kwart van alle vonnissen, zijn in de periode van 1995 tot 2005 aanzienlijke verbeteringen bereikt: gemiddeld voor alle zaken liep de doorlooptijd in tien jaar tijd met bijna 30% terug, tot een minimum van 172 dagen in 2004. Maar sindsdien zit de klad er weer in. In 2011 is dat gemiddelde weer opgelopen naar 210 dagen. Dat is 22% meer dan in dit “topjaar”.

Alleen bij de kinderrechter is van een blijvende daling van de doorlooptijden sprake. Duurde de afdoening van zo’n zaak in 1995 gemiddeld nog 224 dagen, in 2011 was dat gedaald tot 157 dagen. Ook sinds 2005 is er op dit rechtsgebied nog een bescheiden vooruitgang geboekt. Helaas maakt dit deel van de vonnissen nog geen 8% uit van het totaal. Tegen de achtergrond van de cijfers in het volwassenenstrafrecht is het dan ook niet verwonderlijk dat de regering zich zorgen maakt over dit belangrijke kwaliteitsaspect van de rechtspraak.

Onwillekeurig komt ook de vraag op waardoor die toename wordt veroorzaakt. Is bv. het aantal zaken dat de rechter afdoet gestegen en is de capaciteit niet toereikend om aan die toegenomen vraag te voldoen? Dat blijkt geenszins het geval. In 2005 werden er door de rechter in totaal nog ruim 132.000 zaken afgedaan en in 2011 zijn dat er nog maar net 100.000, om precies te zijn 101.755. Dat is een daling van bijna 25%.

Ligt het dan misschien aan een terugloop van de beschikbare capaciteit? Dat is in detail niet zo eenvoudig vast te stellen, maar op grond van de uitgaven voor de berechting binnen het totaal van de veiligheidszorg, valt dat nauwelijks aan te nemen. Die uitgaven zijn n.l. sinds 2005 met meer dan 40% toegenomen.

Zijn de zaken dan, zo luidt een laatste veronderstelling, veel zwaarder of ingewikkelder geworden? Ook die vraag is zonder gedegen onderzoek niet goed te beantwoorden, maar op grond van de opgelegde straffen lijkt die conclusie voorbarig. Het percentage taakstraffen is nog nooit zo hoog geweest als in 2011 en het aandeel van de geldboetes nog nooit zo laag, maar de duur van die taakstraffen wordt gemiddeld steeds korter en het onvoorwaardelijk deel kleiner. Bovendien worden ze doorgaans niet opgelegd in zaken met een grote complexiteit of zwaarte, evenmin als vroeger de geldboete.

Weliswaar is het percentage (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen ten opzichte van 2005 licht gestegen, maar het aandeel van de straffen boven de 6 maanden is even licht gedaald. Dat alles roept nu niet bepaald de suggestie op van een totaal ander aanbod aan criminaliteit. Ook de gemiddelde duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf wekt die suggestie niet: in 2005 was die 152 dagen en 2011 vier dagen meer.

Blijven we dus zitten met een strafrechter die steeds langer doet over (veel) minder zaken tegen steeds hogere kosten. Inderdaad tijd voor een grondig onderzoek naar de vraag hoe dat komt.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 a.zecha 15/12/2012 om 14:09

De rode draad die door dit artikel loopt bestaat uit aantallen per tijdseenheid van enkele eindproducten van de strafrechtsgang. Het roept associaties op van “prestaties” bij werk aan de “lopende band” bij industriele productieprocessen
In het verlengde van opgemelde associatieve gedachte kan overwogen worden om een nieuw adagium in te voeren: “snelrecht is (wel) recht”.
a.zecha

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: