De PVV en artikel 68 Grondwet

door GB op 10/09/2009

in Haagse vierkante kilometer

Straks, om half vier, begint de show van Geert Wilders weer. In de Grote Zaal, hier te volgen. Minister van der Laan weigerde op 4 september gegevens te verstrekken over de kosten van (niet-Westerse) allochtonen, althans beantwoordde niet alle door de PVV-fractie gestelde vragen. Wordt nu vervolgd in het plenum.

De verdediging van het kabinet lijkt niet optimaal voorbereid. In ieder geval is het niet heel handig om eerst in juli, voor het reces, toe te zeggen dat het allemaal ‘netjes’ beantwoord zal worden, om daar vervolgens – na de vakantie – met een soort principiële redenering van terug te komen. Fritsma (PVV) heeft het kabinet dan precies waar hij het hebben wil: namelijk een bevestiging dat de regering dit soort informatie stelselmatig verdoezelt, een onderstreping van het pappen-en-nathouden beleid ten aanzien van niet Westerse allochtonen, een softe aanpak; iedereen kan het verder wil invullen.

Maar hoe zit het met de staatsrechtelijke kant van de zaak? Het meest relevante artikel in dit verband is artikel 68 van de Grondwet, dat op het eerste gezicht individuele leden een hard recht geeft op ‘inlichtingen’ van ministers. Alleen in het belang van de staat kan worden geweigerd. Het huidige individuele inlichtingenrecht is van relatief recente datum (1987), dus van na de algemene grondwetsherziening van 1983. Ook minderheden en individuele leden hebben sinds die tijd, naast de beide kamers zelf, recht om inlichtingen te vragen. Coalitiepartijen kunnen de oppositie dus niet langer ‘droog’ leggen. Of, in de chique bewoording van de toelichtende stukken: dat dit recht dient te voorkomen dat het uitoefenen van het recht van het individuele kamerlid tot het verkrijgen van inlichtingen afhankelijk kan worden gesteld van de instemming van de kamermeerderheid (Kamerstukken II 19 014, nr, 3, p. 3-4). In die zin maakte ook Agnes Kant (SP) zich zondagochtend in Buitenhof breed.

Maar hoe ‘hard’ is het individuele inlichtingenrecht nu eigenlijk en wie beoordeelt of er aanspraak op kan worden gemaakt? Artikel 68 Grondwet lijkt maar één verschoningsgrond te kennen: het belang van de staat. Dat is al een buitengewoon rekbaar begrip want het is in ieder geval meer dan de veiligheid van de Staat en eenheid van de Kroon uit de Wob. Toch geeft het nog wel enige richting.

Tijdens de parlementaire behandeling over de nieuwe redactie van artikel 68 Grondwet – versie 1987 – is er gedebatteerd over de vraag of ook om minder zwaarwegende redenen inlichtingen zouden kunnen worden geweigerd. Bijvoorbeeld als er sprake zou zijn van ‘natuurlijke belemmeringen’ die het ministers onmogelijk of haast onmogelijk maken aan een verzoek van een individueel kamerlid of kamerminderheid te voldoen. Daarbij werd ook gedacht aan situaties waarin het de regering onevenredig grote moeite zou kosten de gevraagde inlichtingen te produceren. Dat natuurlijke belemmeringen voor bewindslieden een reden kunnen vormen zich van hun inlichtingenplicht verschonen wordt inmiddels wel aanvaard, zoals ook wordt geaccepteerd dat een minister in eerste instantie om redenen van opportuniteit inlichtingen kan weigeren. Indien het vragende kamerlid daarmee geen genoegen neemt kan hij zijn conflict voorleggen aan de Kamer. Wanneer een kamermeerderheid zich achter het verzoek opstelt, dan kan een minister – als hij dat nog niet gedaan heeft – alsnog proberen rechtstreeks een beroep op het ‘belang van de staat ‘ te doen. Toch moet een minister daar natuurlijk wel mee oppassen. Want gemarchandeer op dit punt kan leiden tot verlies van vertrouwen. Per ultimo kan de Kamer namelijk het vertrouwen in de Minister opzeggen.

Al met al blijft het individuele inlichtingenrecht van de Kamers een broos recht. De norm is rekbaar en de scheidsrechter is de kamermeerderheid. En dat terwijl de grondwetgever van 1987 nu juist wilde voorkomen dat het individuele inlichtingenrecht (te zeer) afhankelijk zou worden gemaakt van de wil van de kamermeerderheid. Een van de vele gevallen van ondoorzichtig Nederlands coalitie-staatsrecht in ons bestel.

Hoe past nu de brief van Van der Laan in artikel 68 Grondwet? De redenering is op zichzelf helder, al trekt de regering wel alvast zelf conclusies uit de gegevens die ze niet produceert. Het eerste stuk van de brief slaat een principiële toon aan. De regering wil bepaalde kosten niet berekenen omdat ze dat – om reden die verband houden met de rechtsstaat – onkies vindt. De frase dat allochtonen (Westerse of niet-Westerse) volwaardige leden zijn ‘van onze samenleving wiens aanwezigheid zich niet laat reduceren tot een simpele optel- en aftreksom langs de meetlat van de euro’ is bijna poëtisch mooi, maar gaat wel ver. De regering lijkt zelf vast de conclusie te trekken dat het vragende lid die gevolgtrekking aan de inlichtingen zal gaan verbinden. Dat is wat voor de muziek uit, want het is aan de inlichtingenvrager om de ontvangen inlichtingen te beoordelen en er conclusies aan te verbinden. Je kunt de inlichtingen – waarvoor je de meeste gegevens nog niet eens bij elkaar hebt – niet bij voorbaat al weigeren vanwege het mogelijke gebruik.

Staatsrechtelijk bezien doet het kabinet in de brief van 4 september beroep op een combinatie van ‘natuurlijke belemmeringen’ en ‘opportuniteit’. Het kabinet voert aan dat een berekening evenwichtig moet zijn en dat opbrengsten van beleid moeilijker te kwantificeren zijn dan de kosten. Het is ook een heel lastig karwei. ‘ Pogingen tot toerekening kennen nadrukkelijk hun beperkingen,’ zegt de brief en zo zijn er nog meer verwijzingen naar natuurlijke belemmeringen. Een beroep op opportuniteit wordt er gedaan waar de brief de stelling betrekt dat kosten en baten van bevolkingsgroepen principieel niet worden bijgehouden omdat ze allemaal op gelijke voet deel uit maken van de samenleving. De ministers maken hiermee duidelijk dat de informatie er niet is en dat ze die ook niet actief zullen gaan vergaren.

Op zichzelf blijven de ministers hiermee binnen de grenzen van het positieve staatsrecht. Zeker als we daarbij laten meewegen wat Fritsma precies vroeg. Het begrip ‘inlichtingen’ in artikel 68 van de Grondwet moet niet beperkt worden opgevat. Kamerleden mogen bijvoorbeeld ook om verklaringen en toelichtingen vragen. Maar een niet beantwoorde algemene vraag als ‘kunt u aangeven welk deel van de aan Verkeer en Waterstaat gerelateerde kosten toe zijn te rekenen aan (niet-westerse) allochtonen?’ (en dan ook nog ten aanzien van de komende vijf jaar) verhoudt zich minder direct tot het begrip ‘inlichtingen’ dan de wel beantwoorde vraag: kunt u aangeven welk deel van alle voorzieningen (als bijstand en remigratieuitkeringen), volksverzekeringen en werknemersverzekeringen aangewend wordt voor (niet westerse) allochtonen (…)? Maar de redenen waarom gedateerde gegevens van het CBS niet geactualiseerd zouden kunnen worden zijn aanmerkelijk moeizamer in het doel van artikel 68 Grondwet te passen.

Hoe gaat dit aflopen? De kans lijkt ons klein dat de kamermeerderheid deze vragenpesterij van de PVV gaat premiëren met het heenzenden van (een van) de weigerachtige minister (s) . Waarschijnlijk volgen er nog wel kleine dansjes van de oppositie en een debat over de aan de orde zijnde principes, maar we verwachten dat daarmee deze hooibrand wel zal zijn uitgewoed. Voor de staatsrechtelijke doctrine en de parlementaire praktijk zou het echter wel goed zijn als de norm – door gebruik – wat aangescherpt zou worden, want hoe groot het inhoudelijk gelijk van de ministers in deze casus ook is, ze dreigen met deze wijze van opereren het individuele vragenrecht wel erg uit te kleden.

Wim Voermans en Geerten Boogaard

{ 3 reacties… read them below or add one }

1 Anonymous 10/09/2009 om 14:42

Mag ik even de gebruikersnaam en wachtwoord van het uva-mailadres? Anders kan ik de link in deze bijdrage naar de brief van Van der Laan niet openen…

Groet,

RV

2 GB 10/09/2009 om 14:54

Dergelijke inlichtingen worden in het belang van ondergetekende geweigerd. (link is wel aangepast)

3 Harry 10/09/2009 om 18:39

Mischien moet ook onderzocht worden wat de autochtoon de allochtoon kost.
Voorbeeld , van de hypotheekaftrek wordt het meest gebruik gemaakt door de autochtoon. Nu wordt er belastinggeld van de allochtoon gebruikt om de autochtoon in een luchtkasteel (zeepbel) te laten wonen

Vergeleken met de hypotheekaftrek zijn alle andere kosten peanuts.Dus ook wat een allochtoon de samenleving kost

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: