De rechtspraak in komkommertijd?

door IvorenToga op 06/08/2013

in Rechtspraak, strafrecht

Post image for De rechtspraak in komkommertijd?

Het Algemeen Dagblad berichtte twee weken geleden dat het gerechtsbestuur van de Haagse rechtbank op verzoek van rechters het staatsieportret van onze kersverse Koning en Maxima uit de zittingszalen heeft verwijderd. De reden: rechters spreken slechts in naam van de Koning recht en daarbij past geen blik van Maxima op het werk van de magistraten. Binnen en buiten de rechtspraak leverde het bericht de nodige grappen op. De leukste die de afgelopen week langskwam was het idee om het gerechtsbestuur dan ook maar gelijk te verzoeken de vloer uit de zittingszaal te verwijderen omdat ook niet namens de vloer wordt rechtgesproken. Het is dus niet moeilijk om het bericht als een grappig tussendoortje terzijde te leggen in deze komkommertijd. De op Wikipedia gegeven definitie van deze tijd (‘een slappe tijd, waarin weinig zaken gedaan worden, dus in de maand augustus, als er veel komkommers zijn en de handel over het algemeen niet zeer levendig is’) is overigens een inkoppertje voor nieuwe grappen. Zeker na een voorjaar waarin het over niets anders ging dan over de werkdruk binnen de rechtspraak, maar ook dat terzijde.

In de kern gaat de onrust over die foto om de vraag wie nu waarover de baas is binnen de rechtspraak? De rechters of het gerechtsbestuur? Anders gezegd: wat valt nu wel en wat valt nu niet onder de rechterlijke autonomie? En ik zou willen stellen dat die discussie gevoerd wordt over nieuwswaardiger onderwerpen. Komkommertijd is het in de rechtspraak dus geenszins.

De vraag op de strafrechtelijke werkvloer in dit verband betreft op dit moment de zeggenschap over het appointement van een strafzitting. Wie is daarover de baas? Volgens het Wetboek van Strafvordering is dat de voorzitter (artikel 285 Sv), maar in de praktijk wordt dat vaak overgelaten aan centrale functionarissen van het openbaar ministerie of het betreffende gerecht. De dagvoorzitter mag als hij geluk heeft het appointeringsvoorstel tekenen, maar veel ruimte om daarin te strepen heeft hij vaak niet. Een blik op de praktijk leert dat de strafrechter op dit punt vaak niet meer de baas is. De strafrechter bepaalt vaak niet meer zelf hoeveel tijd een behandeling nodig heeft en onder welke voorwaarden een zaak geappointeerd wordt. Deze situatie leidt niet zelden tot frustraties en uitstel van de behandeling van strafzaken.

De strafrechter kan immers niet zelf bepalen welke zaken en hoeveel zaken hij op een zitting wil. Ook heeft hij geen greep meer op de collectieve afspraken die op het vlak van de appointering worden gemaakt. Wordt met advocaten een datum kortgesloten of wordt voorzien in tijdige appointering waardoor advocaten ruimschoots de tijd hebben om te kennen te geven dat een bepaalde datum en tijdstip niet schikt? Het belangrijkste is misschien wel dat de strafrechter geen zeggenschap meer heeft over het moment waarop de zaak klaar is om behandeld te worden. Het dossier is niet zelden een week voor de behandeling nog niet bij de rechters. Voor hen is het dus niet mogelijk om bij gebreken aan het dossier te zorgen dat die voor de afgesproken behandeldatum zijn hersteld.

Ik heb wel vaker parallellen getrokken met de gezondheidszorg en ook hier is die parallel bruikbaar om het curieuze karakter van deze gang van zaken bloot te leggen. Want wie wil door een arts behandeld worden die niet zelf kan bepalen hoe lang hij over een bepaalde operatie kan doen en hoeveel operaties hij op een dag aankan? En wie wil tevergeefs bij een arts op consult komen en er dan achter komen dat de voor het stellen van een diagnose noodzakelijke onderzoeken nog niet zijn verricht? Of zich tevergeefs bij de operatiezaal melden en te horen krijgen dat de volgens de anesthesioloog voor een operatie noodzakelijke voorbereidingen niet zijn nageleefd omdat die anesthesioloog de patiënt daar in de voorfase niet op heeft kunnen wijzen.

Hoe deze stand van zaken is te keren is een lastige vraag. Vaak wordt de beschuldigende vinger gewezen naar de schaalvergroting binnen de rechtspraak, maar die schaalvergroting hoeft natuurlijk niet te betekenen dat de rechters niet meer hun eigen zittingen kunnen appointeren (zie bijvoorbeeld de in het experiment ‘Proeftuin’ ontwikkelde werkwijze). Hoe dan ook: veel rechters zal het een worst wezen welke foto’s of schilderijen er in de zittingszaal hangen wanneer zij hun zittingen weer zelf zouden mogen appointeren. Toch denk ik dat de gerechtsbesturen deze rechters niet zo snel hun zin zullen gaan geven.

De bestuurders nemen daarmee voor lief dat de weerstand onder rechters en de daarbij gepaard gaande uitval van zaken een bloeiend bestaan blijven leiden. Dat de bestuurder het belangrijkste instrument uit de rechterlijke instrumentenkist, namelijk het bepalen van de tijd van de behandeling, niet aan de rechter laat is goed bedoeld. Bestuurders vrezen dat rechters meer tijd voor een zaak gaan uittrekken. Als die vrees terecht is dan zullen de wachttijden voor justitiabelen en procespartijen oplopen en de gerechten in deze toch al moeilijke crisistijd nog meer financiële nood oplopen.

Cynisch beschouwd zou het verwijderen van de foto uit de zittingszaal als het kweken van een beetje goodwill kunnen worden gezien in een tijd waarin de rechterlijke autonomie steeds verder wordt ingeperkt. Het zou echter heel wat frustraties en weerstand schelen wanneer rechters weer zelf zouden mogen appointeren. Die appointeringsbevoegdheid kan echter niet vrijblijvend zijn. De rechtspraak moet immers wel betaalbaar blijven. De uitdaging is om binnen de rechtspraak de condities te bepalen waaronder de rechter zijn inhoudelijke autonomie weer terugkrijgt en hoe daarover horizontaal en verticaal verantwoording kan worden afgelegd. Dat is veel moeilijker dan het verwijderen van een foto uit een zittingszaal. Maar wie heeft ooit gezegd dat besturen eenvoudig is?

Rick Robroek
Stafjurist gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 Yoeri Roosendaal 06/08/2013 om 09:06

Merkwaardig dat rechters nog steeds menen dat zij recht spreken in naam van de Koning. Dat is toch al heel lang geleden afgeschaft. In artikel 163 van de Grondwet van 1972 stond het nog met zoveel woorden, maar dit artikel is in 1983 geschrapt. Zelfs de Rechtspraak zelf meldt dat niet meer recht gesproken wordt in naam van de Koning, met als simpele verklaring “(om)dat de rechterlijke macht onafhankelijk is” (http://www.rechtspraak.nl/Recht-In-Nederland/In-de-rechtszaal/KijkjeInDeRechtszaal/Pages/Kijkje-in-de-rechtzaal.aspx).

De Afdeling bestuursrechtspraak sprak overigens tot voor kort nog wel recht in naam van de Koning (“Recht doende in naam der Koningin”). Ook dit lijkt echter te zijn afgeschaft. Ik ben de frase niet meer tegengekomen in recente uitspraken.

Los hiervan staat dat afschriften van vonnissen een stempel met ‘in naam van de Koning’ moeten krijgen om uitgevoerd te kunnen worden. Met het spreken van recht an sich heeft dat niets te maken.

2 a.zecha 16/08/2013 om 18:23

Dat een arts geen correcte diagnose kan stellen vooraleer hij/zij de patiënt zelf heeft onderzocht en van alle uitslagen van nodige onderzoeken heeft kennis genomen is voor ieder weldenkend mens verstaanbaar. Evenals de beschreven parallel met rechtsspraak.

Niet beschreven werd het partijpolitiek en marktgericht denken – dat evenals trouwens elk ideologisch denken – het menselijk handelen (mede) bepaalt en daardoor a-humane kenmerken kunnen ontwikkelen, dat goed zichtbaar is in de “zorg” en in het “onderwijs”.

Dat de rechtspraak zich in komkommertijd bevindt is m.i. sinds de vele politieke bemoeienissen feitelijk juist.
Meer volledig is m.i. te spreken van een meerjarige ontwikkeling waarin de (haast absolute) beslismacht in onze rechtsstaat en in ons persoonlijk leven door partijpolitici.wordt geannexeerd.
Een uitvloeisel van de “politiseer-alles-ideologie” uit zestiger jaren (en het rode boekje van Mao) en/of van een streven naar een politieke rechtsstaat (unitas politica)?
a.zecha

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: