De rechtsstatelijke waarden bij democratische experimenten

door GB op 04/04/2017

in Grondrechten

Post image for De rechtsstatelijke waarden bij democratische experimenten

Netwerkdemocratie, energiecoöperaties en experimenteerlust zijn niet alleen uitdrukking van menselijke waardigheid, ze bedreigen die ook. De één zijn autonomie, is de ander zijn nachtmerrie. Daarover sprak Janneke Gerards, hoogleraar fundamentele rechten en columnist op dit blog, in haar Utrechtse oratie. Niet dat de deelnemers van een G1000 nou zo vaak worden gemarteld, maar zoals kinderen elkaar pesten op school, zo sluiten ook participerende burgers elkaar op kwalijke gronden uit. Van deelname aan een zelfbenoemd bewonersoverleg, van toegang tot de vlindertuin of van het huren een Airbnb-kamer. Bij het vormgeven van de democratische experimenten die vaak en warm worden aanbevolen, moet ook worden gelet op rechtsstatelijke waarden als rechtszekerheid, transparantie, gelijkheid etc. Directe democratie, concludeert Gerards, pakt immers verdacht vaak ‘positief uit voor mensen die behoren tot de blanke, niet-islamitische en relatief welvarende meerderheid.’

De huidige grondrechten moeten daarvoor wel worden losgemaakt uit de typische structuur waarin ze zijn gegroeid. Vanouds gaat het bij grondrechten om een burger die recht heeft op een overheid iets niet doet. Post open maken, demonstraties neerknuppelen of rassen uitroeien. Dreigt zoiets toch te gebeuren, dan garandeert de rechtsstaat toegang tot effectieve rechtsbescherming. Wie bij democratische experimenten aan deze klassieke structuur vasthoudt, verwijst de allochtone burger die van een bewonersoverleg geweerd wordt door naar de civiele rechter waar hij de Staat moet zien aan te spreken op diens veronderstelde verplichting om op te treden tegen discriminatie door bewonerscollectieven. Dat is later, vager en vooral juridisch ongewisser. Kortom: de verhouding waarin de grondrechten worden geschonden, sluit steeds minder aan op verhouding waarin de grondrechten worden beschermd.

Hoe dat kan worden verbeterd, gaat Gerards onderzoeken. In haar oratie deed ze alvast wat voorzetten. Het EHRM moet zich directer over grondrechten in horizontale verhoudingen kunnen uitspreken door op zijn minst vaker relevante civiele partijen toe te laten in een procedure tegen een Staat. Niet alles mag trouwens meer een grondrecht worden genoemd. Het weren van burgers uit vlindertuinen is uiteraard zeer ernstig, maar blijft toch van ander gewicht dan een arrestant die blijvende fysieke schade overhoudt aan een verhoormethode. Bovendien kan grondrechtenbescherming niet meer alleen van de rechter worden verwacht. Niet de burgemeester maar de Stichting Sinterklaasintocht zit op de eerste hand in de zwartepiet-discussie. En last but not least zijn ‘systeemoplossingen’ nodig om schendingen van grondrechten voor te zijn.

Blijkens de vaagheid waar de oratie bij dit laatste punt op terugvalt, ligt de grootste onderzoeksopgave daar. Er moeten ‘slimme mechanismen’  komen, wellicht ‘kaderstellende regelgeving of convenanten’ worden opgetuigd, ‘publiek-collectieve partnerschappen’ ontworpen om als vangnet te fungeren en nog zo wat juridische klinkende begrippen zonder de bijbehorende precisie. Maar dat maakt voor de essentie van de oratie niet uit: scoor bij de experimenten buiten het systeem niet alleen de democratische waarden maar ook op de rechtsstatelijke waarborgen. Die oproep is zeer terecht. Inclusiviteit nastreven is niet hetzelfde als discriminatie uitsluiten.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: