De staande magistratuur laat het erbij zitten

door IvorenToga op 10/12/2013

in Rechtspraak, strafrecht

Post image for De staande magistratuur laat het erbij zitten

Het Openbaar Ministerie is bezig om in hoog tempo het gezag over de opsporing te verliezen. Wat is het geval? In artikel 140 van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat het College van procureurs-generaal waakt over een richtige opsporing. Dat betekent naar mijn mening allereerst dat er voldoende moet worden opgespoord en dat er dus een redelijke verhouding moet zijn tussen het aantal gepleegde misdrijven en het aantal strafrechtelijke interventies.

Vervolgens betekent het dat de goede dingen moeten worden opgespoord. Er is namelijk lang niet genoeg capaciteit om bij alle geregistreerde misdrijven een onderzoek in te stellen. Het opsporen van de goede dingen betekent enerzijds dat er maatschappelijk verantwoorde keuzes moeten worden gemaakt, die voor slachtoffers en samenleving begrijpelijk zijn. Dat is geen eenvoudige opgave. De langdurige voorlopige hechtenis van de Damschreeuwer was voor velen onbegrijpelijk evenals de (voorlopige) keuze om de bankiers die de Liborrente hebben gemanipuleerd niet te vervolgen.

Daarnaast moeten die keuzes natuurlijk zoveel mogelijk leiden tot zaken die bruikbaar zijn in het verdere verloop van het strafproces. Juist bij schaarse capaciteit moet er zo weinig mogelijk worden verspild. De uitgangspunten voor het maken van die keuzes door de politie zijn vastgelegd in de z.g. “Aanwijzing voor de Opsporing” van het College van procureurs-generaal. In een beperkt aantal gevallen beslist het OM zelf.

Een behoorlijke opsporing betekent uiteraard ook dat er kwaliteitseisen moeten worden gesteld aan de onderzoeken o.a. wat betreft rechtmatigheid, zorgvuldigheid en snelheid. Uitwassen zoals vastgesteld door de Commissie van Traa mogen niet meer voorkomen en gewaakt moet worden voor het ontstaan van de z.g. tunnelvisie die het OM van gezaghebber over degradeert tot slaafse volger van de politie. En wat de snelheid aangaat; niet voor niets is in art. 152 van het Wetboek van Strafvordering bepaald dat de opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal van hun bevindingen opmaken.

Hoe is het nu, tegen de achtergrond van dit kader, met de opsporing gesteld? Op die vraag is, zonder uitvoerig onderzoek, geen integraal antwoord te geven. Met name de kwaliteit van de sturing door het OM in individuele zaken is daarom moeilijk te beoordelen. Over zaken waar dat goed loopt hoor je niets; pas als het fout gaat en de officier de dagvaarding aanzienlijk moet beperken in verband met problemen met de rechtmatigheid van het verkregen bewijs, of zelfs geheel niet ontvankelijk wordt verklaard levert dat een indicatie voor problemen bij die sturing. Over de snelheid van de opsporing, het tempo waarmee onderzoeken worden uitgevoerd, zijn geen overall-cijfers bekend. Ik beperk me hier derhalve tot een bespreking van de criteria waarvoor dat wel het geval is.

Eerst dan de dekkingsgraad van de opsporing. Ik heb daar in een eerdere column al mijn bezorgdheid over uitgesproken en het is er sindsdien niet beter op geworden. De 1,14 miljoen misdrijven die de politie in 2012 registreerde is 5% minder dan in het jaar daarvoor en 15% minder dan in 2005. Nog meer/sneller daalt het aantal opgehelderde delicten: van 300.000 in 2011 tot 270.000 een jaar later (-10%) en het aantal uniek geregistreerde verdachten. Dat is in 2012 nog maar 74% van dat van 7 jaar geleden. Dit alles leidt uiteraard ook tot een vermindering van het aantal ingeschreven zaken bij het OM (-4%) en tot minder dagvaardingen (-9%). Al met al een zorgwekkende ontwikkeling, die steeds klemmender de vraag op roept of het strafrecht nog wel een sanctiesysteem is dat er in onze samenleving werkelijk toe doet.

Of het OM samen met de politie de juiste maatschappelijke keuzes maakt bij de opsporing is niet zo eenvoudig vast te stellen. Het aantal klachten ex art. 12 Sv vormt naar mijn mening daarvoor een onvoldoende maatstaf.

Veel eenvoudiger is de bruikbaarheid van de opgespoorde zaken te bepalen. Het aantal zaken dat wordt geseponeerd en het aantal vrijspraken vormen daarvoor een duidelijke indicatie. Met beide gaat het de verkeerde kant op. Het aantal sepots, als percentage van het totaal door het OM afgedane zaken, is sinds 2005 gestegen van 23,1 naar 46,7% en daarmee ruimschoots verdubbeld. Dat geldt zowel voor de technische (onvoldoende bewijs) als voor de beleidssepots. Opvallend daarbij is nog dat de kale sepots, waarbij er dus helemaal niets gebeurt, nog harder stijgen dan de rest namelijk van 4,1% in 2005 tot 13,3% in 2012. Ik kan uit dit alles niet anders afleiden dan dat het OM in steeds afnemende mate in staat is om van de politie geleverd te krijgen wat het heeft besteld.

Ook de ontwikkeling van het percentage zaken waarin de rechter de verdachte schuldig verklaart, wijst in die richting. In 2005 was dat nog 93,8%; 7 jaar later was het gedaald tot onder de 90. Er wordt wel beweerd dat die daling het gevolg is van de “angst” die bij rechters is ontstaan om fouten te maken, na opzienbarende gerechtelijke dwalingen zoals in de Schiedammer parkmoord en de strafzaak tegen Lucia de B. Maar juist als de rechter voorzichtiger zou zijn geworden, moet het OM onder ogen zien dat het er kennelijk steeds minder in slaagt hem te overtuigen van de kwaliteit van het bewijs. Met name ook de verdubbeling van het percentage zaken waarin het OM niet ontvankelijk wordt verklaard is, hoewel het nog steeds om kleine aantallen gaat, in dit verband een punt van zorg.

Opvallend is ten slotte nog dat rechters bij verdachten die wel schuldig worden bevonden steeds minder vaak ook een straf opleggen. Ook hier is het percentage gevallen als deel van de totale afdoening meer dan verdubbeld.

Ik vind bovengenoemde cijfers dramatisch. Het OM blijkt niet in staat de politie zo te sturen dat er voldoende misdrijven worden opgespoord. Evenmin slaagt het erin de politie te “dwingen” tot het leveren van voldoende kwaliteit. Daarmee is van een richtige opsporing geen sprake. En dat ondanks alle mooie woorden in “OM perspectief op 2015” over vergroting van de veiligheid, oriëntatie op burgers en slachtoffers en reductie van het handhavingstekort. Het gaat snel verder bergafwaarts.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie

Deze post is onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: