De Staat achter de dijken

door Ingezonden op 26/03/2015

in Decentralisatie

Post image for De Staat achter de dijken

Op 20 maart jl. sprak ik mijn oratie uit met als titel ‘de Staat achter de dijken’. Daarmee aanvaardde ik in het openbaar mijn ambt als hoogleraar Publiek organisatierecht, in het bijzonder op het terrein van het waterbeheer aan de Universiteit Utrecht. In mijn rede ga ik in op recente enorme decentralisatie van bestuurstaken en dat die operatie gevolg moet worden door een omvangrijke gemeentelijke herindeling. Ik zie dat veel gemeenten worstelen met de toevloed aan nieuwe taken op het gebied van werk, inkomen en zorg. Een groot aantal gemeenten is niet toegerust voor deze taken en als reactie daarop bouwen ze samenwerkingsmodellen met buurgemeenten, waar dan vooral wethouders aan de touwtjes trekken. Bovendien betreft het complexe taken waarvoor veel raadsleden te weinig tijd hebben of onvoldoende kennis. De controle van de gemeenteraad is hierdoor sterk uitgehold. De enorme toevloed van intergemeentelijk samenwerken is dus problematisch en als oplossing stel ik voor het aantal gemeenten drastisch te verlagen waardoor de gemeenteraad zijn taak weer ten volle kan uitoefenen; te weten de democratische controle op het college van burgemeester en wethouders.

Bij grotere gemeenten hoort een meer volwassen benadering vanuit ‘Den Haag’ en dus stel ik tevens voor om naast opschaling van gemeenten te komen tot meer autonomie voor gemeenten. De centrale wetgever moet bovendien gemeenten meer mogelijkheden geven voor wat betreft een sterker eigen belastinggebied. De raadsleden moeten meer professioneel kunnen opereren en dus in ieder geval meer tijd krijgen voor controle op de gemeentelijke taken. Tevens zou een meervoudig districtenstelsel moeten worden ingevoerd om zo de band tussen kiezer en gekozene te versterken. Daarbij hoort tevens de mogelijkheid van tussentijdse gemeentelijke verkiezingen. Verder moeten decentrale overheden volgens mijn opvatting meer invloed krijgen op de centrale besluitvorming en hebben daartoe wettelijke invloed nodig. Dat laatste kan volgens mij worden gerealiseerd wanneer de Eerste Kamer wordt omgevormd tot een orgaan dat zich alleen bezighoudt met ‘decentrale’ onderwerpen en waarin alleen vertegenwoordigers zitten van gemeenten, provincies en waterschappen. Indien de wetgever geen decentraal onderwerp behandelt, dan is enkel de regering en de Tweede Kamer bevoegd tot het maken van wetgeving.

Ik heb mijn staatsrechtelijke blauwdruk niet beperkt tot gemeenten. Ook provincies zouden groter mogen worden, en minder in aantal; zeven is wellicht voldoende. Die zouden toezicht moeten houden op de ruimtelijke ordening, milieu, infrastructuur en het openbaar vervoer. En de helft van Rijkswaterstaat (de zogeheten ‘natte waterstaat’) zou best met de waterschappen kunnen worden samengevoegd, met behoud van het huidige succesvolle financieringsmodel van de waterschappen. Tevens stel ik voor om de waterschappen meer doorzettingsmacht, voor wat betreft de waterveiligheidstaak, te geven ten opzichte van de gemeenten en provincies. Voorts stel ik voor om de volksvertegenwoordigers van de waterschappen niet meer te laten kiezen door het grote publiek, maar alleen door raadsleden en leden van provinciale staten.

Aan het slot van zijn oratie pleit ik voor de instelling van een ‘Assemblée van Thorbecke’ waarin vertegenwoordigers van het Rijk en de decentrale overheden tezamen met een gelote representatieve groep burgers op korte termijn de nieuwe bestuurlijke inrichting van Nederland bespreken en een advies aan de wetgever presenteren om zodoende een voorlopig einde te maken aan het ‘eindeloze’ blauwdrukdenken.

Remco Nehmelman

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 Jan 02/04/2015 om 14:42

Wie zijn die ik en hij die steeds worden afgewisseld in dit artikel?

2 Redactie 08/04/2015 om 10:49

De tekst is aangepast.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: