De stoere verzorgingsstaat

door AT op 26/03/2012

in Grondrechten, Rechtspraak

Post image for De stoere verzorgingsstaat

In het regeerakkoord van Rutte I werd aangekondigd dat harder zou worden opgetreden tegen fraude met uitkeringen. Inmiddels is dit voornemen omgezet in een Wetsvoorstel en ingediend bij de Tweede Kamer. Met de aankondiging dat ‘frauderende uitkeringsontvangers een tien keer hogere boete’ kunnen verwachten, onderstrepen minister Kamp en zijn adjudant De Krom dat uitkeringsgerechtigden op hun tellen moeten passen. Weliswaar voorziet het wetsvoorstel ook in zwaardere sancties voor bedrijven die arbeidswetten (arbeidsomstandigheden, arbeidstijden) overtreden, maar de aankondiging verraadt al dat de nadruk ligt op de uitkeringsgerechtigde die van een uitkering geniet en zich aan de regels moet houden die aan die uitkering zijn verbonden. De frauderende uitkeringsgerechtigde krijgt te maken met een sanctieverdubbelaar: terugbetalen van het ten onrechte ontvangen uitkeringsbedrag én een bestuurlijke boete van dezelfde hoogte. Bij recidive is zelfs sprake van een sanctieverdriedubbelaar: terugbetalen van de uitkering, een nog hogere boete (150% van het benadelingsbedrag) en een ‘nihil-uitkering’ (eufemistisch voor: geen uitkering) gedurende 3 maanden (bij bijstand) tot zelfs 5 jaar (bij werknemersverzekeringen en volksverzekeringen).

Het verstevigen van het sanctiemechanisme in de verzorgingsstaat roept verschillende reacties op. Uiteraard valt de morele verontwaardiging over fraudeurs die moedwillig misbruik maken van de collectieve voorzieningen slechts te onderschrijven. De vraag is echter of het kabinet met dit wetsvoorstel niet te ver doorschiet in nieuwe strengheid.  De Raad van State werpt in zijn advies de vraag op of de omvang van de fraude wel van dien aard is dat dit stevige sanctiemechanisme gerechtvaardigd is. Uit niets blijkt dat de fraude zowel in omvang als in zwaarte is toegenomen. Bovendien is er geen bewijs dat hogere sancties zouden leiden tot minder overtredingen.

Met deze opmerking legt de Raad van State een verschil in burgerbeeld bloot. Kamp en De Krom schilderen de frauderende uitkeringsgerechtigde af als een calculerende burger die een rationele afweging maakt, de uitkering ‘pakt’ en daarbij moedwillig inlichtingenplichten schendt. Nu zal het ongetwijfeld wel eens voorkomen dat overtreders weloverwogen normen schenden, maar juist in de sfeer van de bijstand zijn overtredingen vaker het resultaat van slordige stommiteiten van bureaucratisch incapabelen. Denk bijvoorbeeld aan het niet denkbeeldige geval van een scharrelend stelletje, waarvan er één van de bijstand leeft en die, voor beiden het weten, te veel nachten samen doorbrengen en daardoor naar de letter van de wet samenwonen, terwijl ze dat zelf nog lang niet zo ervaren. Ook nu al is dit een schending van de inlichtingenplicht met grote gevolgen (intrekking, terugvordering uitkering). Met de versteviging van het sanctiestelsel zijn de gevolgen echter nog aanmerkelijk draconischer.

De reactie van Kamp en De Krom zal zijn dat bestuursorganen in gevallen als deze de mate van verwijtbaarheid moeten vaststellen en sanctie daarop moeten afstemmen. De reactie op het advies van de Raad van State wees althans in die richting. Op zichzelf is de afwegingsruimte van het bestuursorgaan een fraai vangnet. Uit recent onderzoek bleek immers dat waar de wetgever nogal eens vlucht in hogere boetes, het boetebeleid van de bestuursorganen die de boetes moeten opleggen, aanmerkelijk gematigder is. Soms zelfs omgekeerd evenredig: waar de wetgever hogere boetes in het vooruitzicht stelt, blijkt het bestuursorgaan oog te hebben voor de omstandigheden van het geval en juist lagere boetes op te leggen. Daar komt nog bij dat de burger altijd nog naar de rechter kan om de evenredigheid van de sancties te laten toetsen. Die rechter zal zich daarbij niet laten tegenhouden door een manmoedige poging van de wetgever om de hoogte van de sanctie deels immuun te maken voor rechterlijke toetsing door deze gedeeltelijk ‘reparatoir’ te noemen (namelijk voor zover het de nihil-uitkering betreft). Uiteindelijk is ook een reparatoire sanctie toetsbaar door de rechter, zeker als die sanctie bovenop een punitieve sanctie komt.

Dit vangnet van evenredig bestuur vergt wel dat de wetgever het bestuur ruimte laat om die evenredige afweging te maken. Daarbij past het niet dat het bestuur de mogelijkheid te ontnemen om mee te werken aan schuldsaneringen. Het gevolg van deze starheid is immers dat de overtreder nog tot in lengte van dagen bezig is het met het aflossen van de sanctiebedragen.

Voor het vangnet van evenredigheid is eveneens noodzakelijk dat de wetgever voorziet in een laagdrempelige rechtsgang. Daarbij past het niet dat de burger die de rechter om een oordeel wil vragen over de evenredigheid van de sanctie, entree moet betalen in de vorm van griffierechten. Een kritische opmerking over die entree van de zijde van de Raad van State werd simpel weggewuifd: griffierechten zouden moeten voorkomen dat de rechter wordt ingeschakeld in gevallen waar daarvoor geen aanleiding is. Het blijft curieus dat de burger die in het bestuursrecht een punitieve sanctie wil betwisten, moet betalen om zijn recht te halen. Juist door de oogkleppen voor dit soort onregelmatigheid, gaat de stoere verzorgingsstaat nog vele slachtoffers maken.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: